Offerande
Ik wil barmhartigheid en niet offerande.
Mattheüs 9 : 13 (St.V.)
Indien gij dan uw gave naar het altaar brengt en gij daar indachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft; laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom daarna en offer uwe gave.
Mattheüs 5 : 23 en 24 (Vert. Brouwer)
Ik heb ditmaal de vertaling van Brouwer gekozen, omdat daar de uitdrukking indachtig worden voorkomt en niet, zoals in de Nieuwe Vertaling, het woord herinneren. De Statenvertaling heeft: gedachtig worden. Dat is beter dan zich herinneren, maar niet zo goed als indachtig worden. De man, die zijn offergave naar de priester komt brengen, schiet het ineens te binnen, dat hij niet rein van hart is; hij zal God niet kunnen ontmoeten (Matth. 5 : 8). Hij is ook niet rein van handen (Job 17 : 9); hij zal geen gave kunnen brengen. Want er is iets tussen hem en een ander. En dat verontreinigt niet alleen zijn hart en handen, maar het zou ook het altaar en de priester en de hele tempel verontreinigen. Zo vat Jezus de mozaïsche wet op. Het binnenste van de drinkbeker komt er meer op aan dan de buitenkant (Matth. 23 : 26). En als wij dan vragen wat het allerbinnenste is, dan komt in het Evangelie altijd de verzoening naar voren. Zolang er iets is tussen ons en God, tussen ons en de naaste, zolang God iets tegen ons heeft en wij iets tegen Hem en zolang de naaste iets tegen ons heeft en wij iets tegen hem, zolang is de voorwaarde voor een zuivere eredienst niet aanwezig. De offeranden hebben dan geen waarde. Al gaven wij al onze goederen tot onderhoud der armen en al gaven wij ons lichaam over om verbrand te worden, zodat wij zelf tot offerande dienden op het altaar, en wij hadden de liefde niet, dan zou het ons geen nuttigheid geven (1 Kor. 13 : 3). Dan zouden wij die gaven en dat offer toch bij het altaar moeten achterlaten, om eerst het binnenste, de tempel des Heiligen Geestes, te reinigen en te heiligen met de wierook der verzoening en der barmhartigheid. Pas dan wordt het goed in Gods huis. Dan wonen daar broeders samen. Dan geurt de baard en de klederzoom van de priester van de heilige olie der liefde. Dan daalt de zegen weer op de gemeente als de dauw op Gods bergen (Ps. 133). Deze reiniging is het grote werk, dat Christus volbracht heeft op aarde. Daartoe is Hij gekomen. Wat Hij in onze tekstwoorden van zijn discipelen en van iedere gelovige vroeg, heeft Hij zelf gedaan. Hij is naar buiten gegaan; buiten de tempel en buiten de stad en Hij heeft verzoening gedaan. De tempel te Jeruzalem en daartegenover Golgotha, - dat is de uitbeelding van de waarheid en de werkelijkheid van de woorden van Jezus in Mattheüs 5 : 23 en 24. Die tempel noemde Hij een moordenaarskuil (Matth. 21 : 13). Maar op Golgotha heeft Hij tussen twee moordenaars gedaan, wat daarginds niet mogelijk was: Hij ging heen en bracht eerst verzoening. Toen was de reine eredienst mogelijk, zelfs voor de boosdoeners, die met Jezus gekruisigd werden.
Verzoening doen, dat is waarlijk een offerande. Waar de verzoening plaats heeft, daar wordt het offer gebracht. Wij lezen dan ook niet, dat Jezus na zijn opstanding naar de tempel is teruggegaan. Toen Hij zijn offer bracht, scheurde het voorhangsel in de tempel. De offeranden werden waardeloos en de tempel is verwoest.
Offeren, dat is geven in de hoogste graad. Wie offert merkt pas wat geven is. Dat merkt ieder, die zich met een ander verzoent. Dat kost iets; dat kost veel; dat kost op dat ogenblik alles, zoals het God alles kostte op Golgotha. Maar dan komt er ook weer een reine tempel en die tempel noemen wij kerk. Een tempel waarin het offer alles kost, heet kerk; die heet het huis des Heren. Daar worden niet alleen het hart en de handen van de offeraar rein, maar ook die van zijn broeder. En wanneer die ander dan ook een rein hart en reine handen heeft, dan brengt hij ook weer het offer dat alles kost: hij vergeeft zijn schuldenaar. En zo wordt het hele huis des Heren rein van de volkomen offerande.
Dit is het nieuwe gebod, dat Jezus geeft (Joh. 13 : 34). Het is zwaar, maar tegelijk ook licht (1 Joh. 5 : 3). Het is zwaar, omdat iemand, die zich met zijn naaste verzoent, op dat ogenblik zichzelf offert; hij geeft alles en houdt niets achter. Iets achterhouden is liegen tegen de Heilige Geest (Hand. 5). Het christen-zijn ligt in de volkomenheid der verzoening en der offerande. Daarin bestaat gelijkheid met het werk van Christus. Een halve verzoening is géén verzoening. Wij bidden in het Onze Vader: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Dit is het enige punt, waarop sprake kan zijn van gelijkheid met Jezus Christus. Die gelijkheid bestaat niet in hoge dingen, maar heel in de diepte.
Maar dit gebod is ook licht. Want als dit reine offer gebracht wordt, begint het feest, waarvan Jezus spreekt in de gelijkenis. Dan vangt het gezang en het gerei aan (Luk. 15 : 25). Dan glijden op dat ogenblik alle zorgen van de schouders. - Zo komt er ontspanning, blijdschap, gemeenschap in de wereld. Dat iemand iets tegen de ander heeft, houdt dan op. De eenzaamheid des levens wordt opgeheven. De vredemakers voelen zich Gods kinderen (Matth. 5 : 9). Ieder wordt de broeder van de ander. Onze tekstwoorden worden nu pas waar, als zij de ander een broeder noemen. Want dat broeder betekent in het Joodse taaleigen aanvankelijk niets anders dan de ander. ⚑Jezus bedoelt niet, dat zijn nieuw gebod alleen tussen broeders geldt. Maar als de een zich met de ander verzoent, worden allen broeders.
Daarom is dit gebod zo licht, omdat bij de vervulling alles meewerkt. Als de reine offerande alles kost, is ieder en alles bereid om mee te betalen. Christus' offerande en ons geloof overwinnen de wereld niet alleen, maar winnen haar ook. Ieder, die op dit dieptepunt, waar leven een volkomen geven wordt en waar alle achterhouden en alle verbloemde dieverij ophoudt, aan Christus gelijk wordt, ziet op een mysterieuze en verrassende wijze gesloten deuren om zich heen opengaan. Want tenslotte wil ieder er bij zijn, als het eindelijk eens uit zal zijn met het anders-zijn, met het iets-tegen-iemand-hebben. Ieder, die dit gebod van Christus vervult, zal merken hoe licht het is; hoe alles in de wereld meewerkt, om die zware last van het leven af te wentelen, die schuld heet. Hij zal merken, dat aan Jezus gegeven is alle macht in de hemel en op de aarde (Matth. 28 : 18).