Onderweg
En onderweg vroeg Hij zijn discipelen en sprak tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?
Markus 8 :27 (Vert. NBG.)
Het Evangelie is een geschiedenis. En wel in een zeer uitgesproken zin. Het is een gebeuren met haast.
Markus verhaalt als een kind, dat op straat iets heel bijzonders heeft gezien en dit thuis komt vertellen. Dingen, die eeuwen geleden voorspeld waren, komen nu uit. Beloften, die aan vroegere geslachten gedaan waren, worden nu vervuld. Wat in tal van ceremoniën was afgebeeld, wordt thans werkelijkheid. Profetieën, psalmen, spreuken lopen te hoop en verdringen elkaar om aan de beurt te komen. Er valt geen tijd te verliezen; de 'volheid des tijds' is gekomen. En wat als voorspelling, als belofte, als ceremonie de eeuwen tot zijn beschikking had, dat krijgt nu slechts een tijdstip om tot feit te worden. In de evangeliën gaat ogenblik voor eeuwigheid.
Wil men van deze haast in het Evangelie, dit jagen der heilige historie, dit gedrang der heilsfeiten, een levendige indruk krijgen, dan moet men inderdaad het evangelie van Markus lezen. Markus is het kortste verhaal van Jezus' omwandeling op aarde. En toch vraagt het woordje terstond nog 45 maal een plaats. Alles wordt tot inhoud van een omgeroepen, blijde tijding; een evangelie. De woorden en de gebeurtenissen struikelen over elkaar. En zo wordt de verkondiging van de evangelist tot een afkondiging van Jezus' komst. De historie krimpt als 't ware samen tot een proclamatie. Deze verliest echter niet het karakter van een relaas van feiten. Ook als zij tot een belijdenis wordt, dat Jezus de Christus is (8 : 27-30), welke belijdenis, door de mond van Petrus afgelegd, het centrum van dit evangelie vormt, dan houdt deze toch nog de vorm van een verhaal. Het is ook wel niet toevallig, dat Markus volgens de overlevering de stof van zijn evangelie aan Petrus te danken had. Volgens diezelfde overlevering stond de bijna verwarrende haast in zijn verhaal daarmee in verband.29⌫ Inderdaad, Petrus was de voorste, de haastigste van Jezus' discipelen. Hij was de minst sedentaire; het minst geschikt om op een 'heilige stoel' te zitten. In dat opzicht lijkt hij het meest op Jezus, al is dat ook de oorzaak van zijn verloochening geworden. Hij draaft achter Jezus door het Evangelie. Zijn belijdenis heeft hij 'onderweg' (8 : 27 Vert. NBG.) afgelegd, terwijl hij met Jezus en de andere discipelen naar de dorpen van Cesarea Filippi ging. 't Was er uit voordat Petrus het wist en Jezus verbood hem dadelijk het te herhalen voor de schare.
Die belijdenis draagt helemaal het karakter van een evenement, een schakel in de reeks der dingen die op zekere dag plaatshadden. Daarop valt nog bijzondere nadruk door wat er volgt. Toen verdiende Petrus, die door Jezus een rots genoemd was, alweer de naam van Satan, omdat hij Jezus van de lijdensweg wilde afhouden (vs. 33). Zijn verloochening volgt zijn belijdenis op de voet. Eerst deed hij het ene en terstond daarop het andere. Alles zomaar bij de weg. Zo blijft het evangelie, ook al wordt het tot een belijdenis, een haastig gebeuren. Men moet zelfs zeggen, dat dit het duidelijkst uitkomt, als Jezus door zijn discipelen als de Christus wordt uitgeroepen. Wel verre van dat het verhaal enige tijd plechtig stilstaat om gelegenheid te hebben een sfeer te scheppen, waarin een proclamatie past, gaat de troep verder op de weg naar de dorpen. De vaart van het gebeuren wordt zelfs hoger opgevoerd. Nergens geschiedt dat meer dan hier, waar het Evangelie om zijn mijlpaal zwenkt. Vlak achter de verheerlijking verschijnt het lijden. En de anders zo voortvarende Petrus ziet zichzelf door deze zwenking, zeer zeker tot zijn eigen verbazing, in een positie gebracht, waarin hij zichzelf niet meer herkent. De wet der traagheid van het menselijke verhindert hem de ogenblikkelijkheid van het goddelijke mee te maken. Op deze weg blijft Petrus bij Jezus achter. Bij zijn belijdenis het allermeest en het allerduidelijkst. Het Evangelie is hem te snel.
Dit drijven Gods, dit tot-onze-hulp-nabij-zijn als men het nog allerminst verwacht, kunnen wij niet anders dan zeer tot onze schade over het hoofd zien. Dat de schepping al zesduizend jaar duurt en dat het Evangelie slechts een beloop van drie jaren gehad heeft, getuigt niet tegen Jezus. Het is een van de duidelijkste tekenen van zijn godheid. Had Petrus zijn zin gekregen, dan zou Jezus in Galilea gebleven zijn, waarheen Hij zich teruggetrokken had na de dood van Johannes de Doper (Matth. 4 : 12). Jezus zou dan telkens op de berg der verheerlijking hebben kunnen klimmen, om met Mozes en Elia te spreken (Matth. 17) en het Evangelie had kunnen duren. Petrus wilde op die berg ook drie tenten maken en er blijven (vs. 4). Dat waren echter gedachten van mensen en niet die van God (16 : 23). Mensen zijn op duren bedacht; Gods eeuwigheid is van andere aard. Hij vult de ogenblikken met zijn tegenwoordigheid en zijn liefde. Het kruis is Jezus liever dan de berg der verheerlijking. De moordenaar heeft zijn hulp meer nodig dan Mozes en Elia.
Wij zijn er dikwijls op bedacht onze aanrakingspunten met God tot vlakken te verbreden. Wij proberen dan aan het Evangelie een basis te verschaffen in de schepping. De haastige eeuwigheid in het Evangelie, bij Markus, bij Jezus, bij God, vertrouwen wij dan niet. De snelle heilsfeiten uit het Evangelie misvormt men dan tot breed uitstoelende beginselen in de schepping. Zo doet men soms met Jezus' geboorte, met zijn kruis, met zijn opstanding.
Maar de haastige schreden, waarmee God door ons leven gegaan is, hebben voor ons meer betekenis dan de eeuwige gangen, waarmee deze wereld is toebereid. Jezus' godheid moet men onderweg leren belijden.