O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De Geest des VadersGestalte en GeestDe Joden →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 2: De apostel des Geestes · p. 419–420

Israel

Ik vraag dan: Zijn ze gestruikeld om te blijven liggen? Zeer zeker niet! Maar dank zij hun val, is de redding aan de heidenen ten deel gevallen, om hén naijverig te maken.

Romeinen 11 : 11 (Can.Vert.)

Ditmaal koos ik de Canisius-vertaling, omdat deze duidelijk uitdrukt, wat andere overzettingen ook bedoelen. De Nieuwe Vertaling heeft: moeten-vallen; Brouwer: voorgoed-vallen. Beter is om dan te schrijven: blijven-liggen.

Paulus stelt hier een zeer kardinale vraag in verband met zijn apostolaat onder de heidenen. Als de wet wordt afgeschaft en de tempel verwoest, wat blijft er dan van het volk Israël over? Heeft dat volk dan helemaal geen toekomst meer, nu het Evangelie van Jezus Christus door de heidenen is aangenomen?

De apostel heeft in de hoofdstukken 9 en 10 reeds met die vraag geworsteld. Hij is tot de slotsom gekomen, dat er tweeërlei afstamming van de aartsvaders is: de ene naar het vlees en de andere naar de belofte (9 : 8). En die kinderen der belofte, "dat zijn wij", schrijft Paulus (9 : 24); dat zijn de uitverkorenen, die God uit Joden en heidenen geroepen heeft. Paulus is er zelf ook bij (11 : 1). Het is een overblijfsel naar de verkiezing der genade (11 : 5). Israël heeft in dat opzicht niets voor bij de heidenen. Paulus heeft dan ook vroeger zijn afstamming uit Benjamin, die hij hier noemt (11 : 1), in de Brief aan de Filippenzen, als van geen betekenis geacht (Fil. 3 5). Er zal een overschot uit Israël behouden worden (Rom. 9 : 27); maar een ander volk zal evengoed geroepen worden (9 : 25). Er is geen onderscheid tussen Jood en Griek (10 : 12).

Aan allen wordt dus het Evangelie evengoed gepredikt. Maar aan het slot van hoofdstuk 10 zijn de heidenen toch voorop. Dat is bij Paulus geen theorie, maar een nuchter feit, dat hij aan de praktijk van zijn apostolaat ontleent. De Joden wilden merendeels aan zijn evangelie geen gehoor geven, ofschoon hij steeds het eerst tot hen ging. Daarentegen vonden de heidenen in zeer vele gevallen de Heer, die zij niet gezocht hadden, wanneer de apostel zich tot hen keerde. Deze ervaring vond Paulus reeds vastgelegd bij Mozes en de profeten (10 : 18-21). Er is dus geen onderscheid in de prediking, maar alleen in het gehoor. En Israël komt hoe langer hoe meer achterop. Door zijn apostolaat wordt Paulus de eigenlijke bewerker van die achterstand. Op tweeërlei manier. Door de verhouding in getalsterkte tussen Joden en heidenen, in de gemeenten, en door zijn radicale christelijke prediking, waardoor Israël-naar-het vlees dreigde op te gaan in het Israël-naar-de-belofte of naar-de-Geest.

Zolang de apostel nu, in de eerste jaren van zijn apostolaat, in fel conflict stond met zijn volk en soms zelfs met de christenen uit dat volk, had hij uit de aard der zaak minder 'hartzeer' (9 : 2 Vert. NBG.) wegens deze omstandigheden. Maar toen Israël zelfs geografisch uit zijn gezichtsveld begon te verdwijnen; toen hij zich gereed maakte langs Rome naar Spanje, het eind van de wereld, te reizen, toen kwam het. Nu oefende hij gemeenschap met hen, als hij de Schriften las en verloor hen dagelijks weer in de prediking. Het Oude Testament bleef hij met hen delen en het Nieuwe wilden zij niet laten gelden. En hij zelf was het, die aan dit alles het meeste had bijgedragen. Zolang men Jezus naar het vlees bleef kennen, als Jakobus, als Petrus ook in zekere mate, met wet en tempel incluis, zolang leek het met de Joden een nog hangende zaak te blijven. Maar nu Paulus Jezus naar de Geest had leren prediken, nu had hij het zelf tot een fatale beslissing gebracht. Een wet zonder verdienste en zonder loon hadden zij niet willen hebben. Van genade wilden zij niet leven. Een belofte was hun niet concreet genoeg. Door het geloof konden zij niet bestaan. - Zo was het ook gegaan met de tempel. Een huis, niet met handen gemaakt, een kruis onder de blote hemel had hun diepe verachting opgewekt. Het offer, daar gebracht, leek hun Gode niet welgevallig te zijn. Voor die geestelijke tempeldienst hadden zij geen oog. Zo had Paulus zelf, neen, zo had de Geest Israël laten struikelen. Dagelijks meer. Zal het blijven liggen? Dit is de vraag die de apostel steeds dieper verontrust. Het Godsoordeel, dat hij zelf mede ondergaat, maar waaruit hij zelf opgaat tot het licht, krijgt om hem heen zijn beslag. Is dit het einde? Zullen zij in hun geval blijven liggen? Daarop moet de apostel nog een antwoord geven. Maar hij moet dat geven in het kader, waarin hij zovele antwoorden had gegeven, het kader van vlees en Geest. Het mag niet de Jood Paulus zijn, die het doet. Het gaat niet om Vader Abraham, het gaat om de Vader in de hemelen zelf. Maar deze éne lichtstraal ziet de heiden-apostel toch reeds: hun val heeft door zijn apostolaat redding betekend voor de heidenen. Misschien wil God de Joden daardoorjaloers maken. Had Mozes dat niet gezegd (10 : 19)?

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De Geest des VadersGestalte en GeestDe Joden →