De Geest des Vaders
Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader!
Romeinen 8: 15 (Vert. NBG.)
In de Brief aan de Romeinen heeft Paulus, veel rustiger dan in de Brief aan de Galaten en in die aan de Korinthiërs, rekenschap gegeven van de aard en het wezen van zijn evangelie (Rom. 16 : 25).
Wel merkt men steeds de aanwezigheid van de achtergrond, waartegen zijn prediking haar reliëf krijgt, de tegenstellingen van wet en genade, tempel en kruis, maar deze brief is uit de aard der zaak veel minder persoonlijk. Rome ligt zover van Jeruzalem, dat de apostel in zijn hoofdbrief zijn evangelie tot op zekere hoogte van die stad kan losmaken. Omgekeerd werkt de betekenis van Rome als hoofdstad der wereld er aan mee, om aan dit evangelie een universeel karakter te verlenen. In de Brief aan de Romeinen gaat het provinciale van zijn evangelieverkondiging geheel af. Heidenen en Joden worden, als ik het zo noemen mag, over één kam geschoren (Rom. 1 en 2); het christendom houdt hier op een Joodse weg of sekte (Hand. 9 : 2) te zijn. - Daarom kan Paulus hier ook rustig en objectief zijn opvattingen over zijn volk ten beste geven. In hoe hoge mate dit het geval is, blijkt wel allermeest hieruit, dat deze renegaat de hoofdstukken 9-11, over de betekenis en bestemming van Israël, niet in de vorm van een polemiek tegen de Joden, maar als een waarschuwing aan de heidenen heeft gegeven. Dit alles geldt nu ook van de hoofdlijn in de prediking van de apostel, de tegenstelling van vlees en Geest. In vorige meditaties hebben wij wel opgemerkt, hoe Paulus onderscheid maakt tussen Christus naar het vlees en naar de Geest (2 Kor. 5 : 16). Paulus' evangelie is meer dan een herhaling of voortzetting van de inhoud der latere evangeliën. Daardoor kwam het tot een doorgaande spanning tussen hem en de broer van Jezus, Jakobus. Deze vooral wilde Jezus blijven kennen naar het vlees. Hij wilde diens wetsbetrachting en tempelgang blijven volhouden, terwijl de Heer zelf, in de Geest, door Stefanus en door Paulus, bezig was die beide diensten af te breken. ⚑Zo kwam Paulus heel anders te staan tegenover de evangelische overlevering en tegenover de twaalf apostelen.
Welnu, ook deze tegenstelling van vlees en Geest, die in de Brief aan de Galaten en in die aan de Korinthiërs soms zulke concrete, vaak persoonlijke vormen kan aannemen (Gal. 2 : 11-14), komt in de Brief aan de Romeinen meer tot rust. Zij wordt minder historisch in de engere zin des woords. Zij wordt nu eindelijk vertolkt naar de mening des Geestes.
Op die vertolking komt alles aan. Want de hele godsdienstige wereld in Paulus' dagen kende diezelfde tegenstelling. Zij wist ook te spreken van een andere Vader en een ander vaderland. Wanneer de prediking van de apostel dus meer universeel wordt, dan komt hij daarmee in een gevaarlijk vaarwater. Vele oprecht zoekende christenen hebben daarin later schipbreuk geleden, als zij God te vanzelfsprekend hun Vader noemden of te zelfverzekerd tot Hem meenden te kunnen opklimmen. Er is naast de geest van slavernij ook een geest der gemeenzaamheid buiten Christus om, die de bijbel niet kent. Daaraan heeft de apostel geen tol betaald. Nu zijn prediking meer algemeen wordt, heeft hij, merkwaardigerwijze, tegelijk de behoefte gevoeld om op minder persoonlijke wijze over Israël te spreken. Nu de christelijke gemeente duidelijk gebleken was meer te zijn dan een Joodse 'weg', drong juist daarom het Joodse probleem zich onweerstaanbaar aan de apostel op. Men heeft wel eens gezegd, dat Romeinen 9-11 eigenlijk het hart van de brief uitmaakt, zodat deze in zijn geheel eigenlijk een theodicee zou zijn.
Paulus is niet los van zijn volk. Hij is geen ware renegaat. Al heeft hij de wet, de tempel, de vleselijke afstamming (Fil. 3 : 2-7) verworpen, toch is hij niet los van Mozes, David, Abraham. Zij figureren in zijn prediking meer wezenlijk dan Adam, de universele stamvader. Paulus heeft het Oude Testament voor de christenen gered. Daarvoor gaat hij terug op Israëls verkiezing (Rom. 11). Dit mag men niet vergeten, als er sprake is van de Geest van het zoonschap. De Vader die ons tot zijn kinderen aanneemt, is de Vader van onze Here Jezus Christus. Het is de Vader, die voor Jezus, aan het kruis, een ogenblik zo verborgen was, dat Hij Hem geen Vader meer dorst te noemen, maar alleen God. Het vaderschap komt tot ons langs het spoor van de Israëlitische Messias. En de Geest van het zoonschap moet zich een weg banen door al de vrezen, die Paulus in zijn leven (Rom. 7) en in zijn apostolaat is tegengekomen en die daaraan zulk een grote bewogenheid hebben gegeven.
Alleen wil de apostel met die Geest tot het einde voortvaren. Hij brengt de bijbelse geschiedenis in zijn apostolaat tot haar afsluiting. Hij bidt met de gemeente in haar liturgie het Onze Vader, dat Jezus ons geleerd heeft. Maar hij weet ook, dat alleen de Heilige Geest het voor ons bidden kan met onuitsprekelijke verzuchtingen (Rom. 8 : 26).