O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De kribbeGestalte en GeestDe naam Jezus →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 1: Gods gestalte · p. 243–245

Het Woord is vlees geworden

En zij baarde haar eerstgeboren zoon en wikkelde hem in doeken en legde hem in een kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.

Lukas 2: 7 (Vert. NBG.)

Dit is het verhaal van wat een andere evangelist de vleeswording des Woords noemt (Joh. 1 : 14). Deze verborgenheid is hier op de eenvoudigste wijze beschreven, als het ware geheel van de buitenzijde gezien. Het is een gebeuren, dat in roerige tijden telkens voorkomt, als volksmenigten van hun woonplaatsen moeten wegtrekken. Wij kennen dat uit de oorlogsdagen. Het is dus geen idylle; geen poëtische schemer is er rondom de kribbe, geen vreedzaam tafereel mogen wij er van maken en Jezus, geboorte stofferen met een os en een ezel. De kribbe is een nood-wieg, omdat de herberg vol was. En de herberg was vol, omdat de mensen tijdelijk geëvacueerd werden.

Zo is Jezus op aarde gekomen; te midden van een evacuerende menigte. De nood van het volk is de poort geweest, waardoor Hij binnenkwam. Hij heeft ons vlees aangenomen met die nood er bij. De geboorte van dit kindeke was, om zo te zeggen, niet neutraal. Wij mogen niet zeggen dat Jezus geboren is, gewoonweg als alle andere mensen. Reeds van de buitenkant bezien, blijkt er iets van de aard van de vleeswording des Woords. Deze vleeswording is niet enkel menswording-zonder-meer. Neen, Jezus is zulk een mens geworden, die vermoeid en belast was (Matth. 11 :28). En wanneer men dan van ons kerstverhaal, van de buitenkant uit, met Johannes verder naar binnen gaat in deze heilige verborgenheid, dan komt er nog veel meer aan het licht. De diepste peiling daarvan vinden we bij Paulus, als hij schrijft, dat God hem tot zonde voor ons gemaakt heeft (2 Kor. 5 : 21). Dit kindeke heeft heel wat meer aangenomen dan een blote menselijkheid, die niets te maken zou hebben met de mensen-van-nu en met de toestanden, waarin de mensen zich nu bevinden. Het is geen tweede Adam in deze zin, dat het een herhaling zou zijn van de eerste. De tweede Adam is de mens, die het einde des mensen aanneemt, als alles wat met de mens gebeuren kan en hem kan worden toegerekend, gereed ligt.

Men moet over de vleeswording des Woords nooit zo in het afgetrokkene spreken. Men moet er toepasselijk over spreken. Jezus is dat geworden, wat gij nu zijt, met alles wat er in uw leven van alle kanten bij gekomen is. Het was Jezus er niet om te doen om mens te worden, alleen om tot onze soort te behoren, om dan te tonen, wat er van een mens te maken viel. Dat Hij het werd is geen compliment voor ons, alsof Hij ons daarmee boven de andere schepselen zou plaatsen. Hij is mens geworden, omdat wij de ellendigsten van alle schepselen zijn. Het Woord is vlees geworden en daarin ligt alles opgesloten. Een mens die geboren is, blijft niet wat hij is, zoals een dier blijft wat het is. Met een mens gebeurt zoveel; hij doet zoveel; er verandert zoveel. En dit alles wordt uitgedrukt, als men hem vlees noemt. Hij is dat in heel andere zin dan zijn medeschepselen. Het drukt niet uit wat hij is, maar wat hij geworden is: zijn zwakheid, zijn zonde, zijn nood, zijn dood. Om al die zwakheden, die zonden, die noden, die doden is Jezus mens geworden; Hij is vlees geworden en zo moet men dat kindeke in de kribbe zien. Hij is geboren onder de geëvacueerden. Onder degenen, die uit hun staat en stand en toestand zijn verdreven, zodat men zich afvraagt: zijn dit nog mensen? Al het menselijke is hun vreemd geworden. Zij hebben geen huis en hof, geen vrijheid en verantwoordelijkheid meer. Hun lot is sterker gebleken dan hun soort.

Dit alles wordt uitgedrukt door het woord vlees. En al dit bijkomstige is het eigenlijke doel van Jezus' geboorte. Hij ligt niet in de kribbe als een toonbeeld van menselijkheid, maar Hij ligt daar als een metgezel van allen, wier menselijkheid problematisch is geworden. Hij, die daar in de kribbe ligt, weet later ook niet, waar Hij zijn hoofd zal nederleggen (Matth. 8 : 20).

Zo is Jezus oorspronkelijk ook door de wereld aangenomen. "Niet vele machtigen, niet vele edelen", zegt Paulus (1 Kor. 1 : 26). Het was het christendom van de catacomben.

Maar dit is niet enkel het beginstadium van ons christelijk geloof, alsof uit het onedele zich het edele geleidelijk zou ontwikkelen. En alsof de menselijkheid zich uit haar bijkomstigheden, de zonde en de dood, zou losmaken, zodat Christus overbodig zou worden. Neen, onze soort kan zich aan haar lot niet ontworstelen. Wie ons wil helpen, moet iets aan ons lot doen. Hij kan niet volstaan met enkel mens-zonder-meer te worden. Hij moet vlees worden en dat heeft Christus gedaan. Dit evangelie, de verkondiging dat God zich ons lot aantrekt, wie wij verder ook mogen zijn, mens of geen mens, dat evangelie hebben wij nodig. Want zijn wij nog wel mensen in de zin van het klassieke humaniteits-ideaal? Wezens zonder eigen huis, voor het merendeel zonder persoonlijke vrijheid, bespioneerd en geëxploiteerd van alle kanten? Kunnen wij mensen heten, als waarheidsliefde, edelmoedigheid, barmhartigheid op de zwarte lijst worden geplaatst of met een glimlach worden geduld? Gaat Christus' komst ons nog wel aan?

Die komst gaat ons wel aan, want Christus is obscuur in de humaniteit, zoals God niet te vinden is in de natuur. Zijn ambt ligt in het werken aan wat deze wezens, mens of geen mens, overkomt; aan wat er van hen geworden is. Zij moeten niet aan zichzelf gemeten worden, maar aan God. Zondaren moeten zij daarom heten, veel eerder dan mensen. En om dezen zalig te maken is Jezus gekomen (Joh. 3 : 16). Hier zijn geen grenzen, die de menselijkheid wel schijnt te hebben. 'Nedergedaald ter helle', zegt ons Credo van Jezus Christus. Jezus heeft niet in een wieg gelegen, maar in een kribbe. Hij heeft zich veel dieper vernederd dan tot het mens-zijn, namelijk tot de dood, ja de dood des kruises (Fil. 2 : 5-11).

In deze wereld van het benedenmenselijke, waarin wij bezig zijn weg te zakken, klinkt het kerstevangelie. Laten wij het dan ook aannemen, niet met enkele daarvoor uitgezochte nette en humane eigenschappen, maar met de stukken rauwe werkelijkheid, die zich van alle kanten aan ons vasthechten. Met ons vlees.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De kribbeGestalte en GeestDe naam Jezus →