O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De naam JezusGestalte en GeestVastheid →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 1: Gods gestalte · p. 247–249

Het gerucht uit de hemelen

En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea en zeggende: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

Mattheüs 3 : 1 (St.V.)

In den beginne schiep God de hemel en de aarde en sedert hangt het gedijen van Gods schepping af van de verhouding tussen deze beide sferen. Wij kunnen het hier beneden niet goed maken, zonder dat van boven het goede op ons nederdaalt. 'Selfsupporting', zoals de Engelsen het noemen, zullen wij wel nooit worden en daarin bestaat ons grootste geluk. Wanneer wij alles, wat wij nodig hebben, 'hier beneden' (Gez. 75)19⌫ konden vinden, zouden de verheffing en de aanbidding geen plaats hebben in ons leven. Nu en in de toekomst hangt het heil der mensheid van die richting naar boven af. Wie deze dimensie uit ons bestaan wegdenkt of praktisch verwaarloost, maakt een einde aan onze zaak. Het gaat hem als die kleine ambtenaar uit Kafka's Die Verwandlung, die zichzelf op een morgen in bed terugvond als een afgeplat schaaldier.20⌫ Toen zijn platheid volkomen was, werd hij met een bezem opgeruimd.

Dit alles is waar, maar het is toch niet meer dan een stukje filosofische moraal. De heidenen wisten en weten dat ook wel. Maar zij weten niet, dat wij de weg naar boven niet kunnen vinden, als God zelf niet eerst in zijn grote nederigheid uit de hemelen op aarde nederdaalt. Dat dit het geval is, is de blijde boodschap, het Evangelie, waarmee Johannes de Doper in Israël optrad. Hij is geen wijsgeer, maar een profeet. Hij dient, als een andere Mozes, als mond van God. Hem is het heilsgeheim toevertrouwd, de verborgenheid, dat het Koninkrijk der hemelen nabij gekomen is. Dat het uit de hemelen is neergedaald.

Nu kunnen de mensen anders gaan denken. Nu komt alles in een ander licht te staan. De toekomst is ineens helder geworden. De druk is van de zielen afgenomen. De harten kunnen nu naar boven. Het sursum corda wordt voorgoed in de liturgie des levens opgenomen. De vrees voor de afgrijselijke afplatting der zielen is weggenomen. Want God komt met 'zijn heerlijk Koninkrijk'.21⌫ De omkering, de bekering, die daarbij past, bestaat hierin, dat men de weg des Heren helpt bereiden en in de wildernis dezer wereld een baan recht maakt voor onze God (Jes. 40 : 3; Matth. 3 : 3). Men moet de bruidegom tegemoet gaan (Matth. 25 : 1).

Van deze prediking, die de onmiddellijke vertolking is van het kerstevangelie, moeten wij leven. Wanneer deze wind des Geestes op de een of andere wijze niet onder de vleugelen der ziel komt; als de profetie de nevelen der wereld niet voor ons doet opklaren, dan komt de infernale afplatting onverbiddelijk. Als bij een doorgeprikte blaas zakken de wanden des levens op elkaar.

Maar hoe zullen wij deze dingen zeker weten? Wie zal de prediking geloven (Jes. 53 : 1)? Welke tekenen kan de profeet aanbieden ter bekrachtiging van zijn woorden?

Daarop zijn twee schijnbaar tegenstrijdige antwoorden te geven. Het eerste is, dat de mens leeft bij een gerucht. Een lichter grond voor het geloof is er niet te noemen dan wanneer men zegt, dat het Evangelie een gerucht uit de hemel is. De prediking van Johannes de Doper kan zo genoemd worden. Straks zal hij zelf in zijn gevangenis nog gaan twijfelen, of het wel waar geweest is (Matth. 11). En toch is de gehele werkzaamheid van de doper niets anders dan de belichaming van dit gerucht. De kemelsharen mantel, die hij draagt; de sprinkhanen en de wilde honing, die hij eet; de doop der bekering, die hij toedient, zij roepen het alle uit, dat hij van niets wil weten dan alleen van dit gerucht uit de hemelen over de komst van het Koninkrijk.

En zoals met de voorloper, zo stond het ook met de eerste discipelen van Jezus. In de laatste vraag, die zij Hem stellen bij zijn hemelvaart: "Here, zult gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?" (Hand. 1 : 6), horen wij een terugslag op de prediking van Johannes en zij herinnert ons ook aan diens latere twijfel: was het tóch slechts een gerucht?

En nog steeds leeft het geloof van het gerucht, dat het Koninkrijk uit de hemelen nabij gekomen is. Nog altijd wordt het geloof daaraan door twijfel aangevochten.

Maar daar is nog een tweede antwoord op de vraag naar een grond voor het geloof aan de komst van het Koninkrijk der hemelen. En dat is de werkelijkheid zelve.

Wanneer wij Gods gerucht, het heilig Evangelie, logenstraffen, dan maken alle dingen ons tot leugenaars. Jezus verwijst zelf de discipelen van Johannes, die Hem namens hun meester komen vragen of de komst van het Rijk niet betwijfeld moet worden, naar de werkelijkheid.

Déze zal hun antwoorden; Jezus behoeft het niet te doen (Matth. 11 : 5), Toch is deze werkelijkheid niet zo, dat zij geheel geen tegenspraak zou scheppen met het geloven-op-gerucht. Jezus zegt zelf, dat ergernis ook dan nog mogelijk blijft. Degenen, die dan niet zullen geërgerd worden, spreekt Hij zalig (Matth. 11 : 6). Ook zó blijft het nog geloof. De herders, die Jezus in de kribbe zagen liggen, moesten evengoed geloven, als wij het moeten doen. Zij moesten aannemen, dat Hij degene was, die komen zou. Ook het teken der werkelijkheid is een verborgenheid.

Maar het dient God en ons op een andere wijze dan het gerucht. Dit laatste is de zwakke zijde van het Evangelie, het teken, dat door ons wedersproken zal worden (Luk. 2 : 34). De werkelijkheid echter is een teken, dat ons weerspreekt. Het is het laatste woord, dat het veld behoudt; de sterke zijde van het Evangelie. God heeft het zwakke der wereld uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen (1 Kor. 1 : 27). Hij heeft het Evangelie gegeven in de vorm van een gerucht, opdat de donder der wereldgebeurtenissen, het teken van de werkelijkheid, het zou kunnen bevestigen. En toch blijft Hij ook dan nog de God der armen van geest. Zijn Woord houdt het karakter van een gerucht. Niet door kracht en niet door geweld, maar door zijn Geest moet het geschieden. Dit gerucht in de wildernis, in de eenzame plaatsen, heeft een vastere greep op het leven dan alle officiële afkondigingen op de markten.

Eindnoten

  1. 19

    Naar Gez. 75 (bundel-1938): " 't Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet!" (Van Lodenstein).↩

  2. 20

    Franz Kafka, Die Verwandlung, in Ges. Schriften, uitg. M. Brod, New York 1946, dl. 1, p. 69, 126.↩

  3. 21

    Psalm 150 : 1, berijming- 1773.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De naam JezusGestalte en GeestVastheid →