Herkenning
Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb.
Lukas 24: 39 (Vert. NBG.)
Wat Jezus hier tot zijn discipelen zegt, over zijn handen en voeten, over vlees en beenderen, dient om hen gerust te stellen. Ontzet en verschrikt als zij waren, nu Jezus ineens midden onder hen stond en zij meenden een geest of spooksel te aanschouwen, doet Hij alles wat Hij kan om hen tot bezinning te brengen. Zij moeten gewennen aan een andere omgang met de Heer dan zij voor zijn dood gewend waren. Dat brengt moeilijkheden mee, die niet geheel weggenomen kunnen worden, voordat de Trooster, die Hij beloofd heeft hun te zullen zenden, gekomen is (Joh. 14 : 25 v.). - Maar één ding wil Jezus toch beproeven. Hij wil hun de overtuiging geven dat Hij het zelf is. Daarvoor wil Hij alles wat in en aan hen is te hulp roepen. Hun zin en ziel, hun tasten en turen, hun raden en redeneren, alles moet meewerken om hun die vastigheid te schenken. Bij Jezus moeten de doornagelde handen en voeten en de doorstoken zijde als herkenningstekenen gelden. Dat is geen eis van Thomas, later, maar een aanbieding op het moment van Jezus zelve. En zelfs zijn vlees en beenderen moeten tot argumenten worden voor de werkelijkheid van zijn eigen aanwezigheid.
Dat is wel een zeer bijzondere onderwijzing van Jezus, deze identificatie van zijn eigen persoon. Want dit alles, deze handen en voeten, deze zijde, dit vlees en die beenderen, dat is zijn persoon. Dat betekent: Ik ben het zelf. Jezus geeft hier geen beschouwing over vlees en geest om de gedachten der discipelen over opstanding-in-'t-algemeen op te klaren. Het is enkel om zijn eigen opstanding te doen. -
Zij hebben zoveel van Hem gehoord, zoveel met Hem beleefd! Zij zullen ook nog veel van Hem horen en veel met Hem beleven. Maar op een heel andere manier; zij zullen Hem niet meer naar het vlees, maar naar de Geest kennen.
En nu is er alles aan gelegen dat zij zullen weten, dat zij dan met dezelfde Jezus te doen hebben, die zij aan de zee van Tiberias de bergrede hebben horen uitspreken; die met hen op het schip voer; die zijn gelijkenissen vertelde; die de kranken genas. Dezelfde ook, die geleden had, gekruisigd werd en begraven. Met het oog op de toekomst was hun eerste en voornaamste behoefte, te weten dat diezelfde Jezus nog bij hen was en bij hen zou blijven. Wat er ook veranderd was en hoe die verandering hen ook verwarde, dit moesten zij weten. Zijn dood had daarin geen verandering kunnen brengen. Deze handen en voeten, deze zijde en dit lichaam waren er nog, waren er weer; daar had God voor gezorgd. De dood kon wel veel, maar hij kon niet alles. God alleen kon alles; Hij kon ook de doden levend maken. Men moest nu kiezen, of men de dood of God perken zou stellen. Nu, bij deze gelegenheid, bij de verschijning van Jezus.
Voor deze vragen heeft Jezus zijn discipelen gesteld. Hij gebruikte het argument dat het meest ad hominem - op de man af - was. Hij toonde zijn handen en voeten, zijn zijde en zijn hele lichaam; maw.: Hier ben Ik zelf. Jezus zegt het later precies zo tegen Paulus op de weg naar Damascus: "Ik ben Jezus die gij vervolgt." - Evenzeer op de man af. Paulus was de man die Stefanus stenigde, de goede getuige van Jezus. Welnu, hier is dezelfde Heer, die Paulus vervolgt. Jezus heeft identificatiebewijzen voor iedereen. Niet allen beleven Pasen op dezelfde wijze. Niet ieder heeft gelegenheid om, evenals Petrus en Johannes, een poos bij het graf te staan aarzelen (Joh. 20 : 3-10). Wanneer Jezus werkelijk komt - bij Petrus en Johannes ook (Joh. 21) - dan heeft er een herkenningsproces plaats, zoals in onze tekstwoorden. Dan komt aan beide zijden alles in het geweer. Op een diatribe, een wijsgerige verhandeling over vlees en geest, lijkt dat even weinig als een bliksemstraal op een nevel. Paulus valt ter aarde en wordt blind, als het God behaagt zijn Zoon in hem te openbaren (Gal. 1 : 15 v.). Maar hoe dan ook en welke weg Jezus ook kiest, altijd zal Pasen herkenning moeten betekenen. Midden in de onzekerheid zullen wij het: 'Ik ben het zelf' moeten horen. Met andere en mindere argumenten komen wij tegenover onze "laatste vijand" (1 Kor. 15 : 26) niet uit.
Dat het op Pasen niet over vlees en geest of dood en leven in het algemeen gaat, maar over Jezus' dood en opstanding, dat is ons behoud. Let maar op die discipelen van Jezus. Bij hen is alles onzekerheid, twijfel, verstrooiing. Onze dood, ergens in een hoek van de wereld, levert op zichzelf geen gronden op voor de opstanding. Om die te hebben moeten wij ons dicht bij het kruis en de hof der verrijzenis houden. De wereld is een groot en indrukwekkend gebouw; maar zij is een kerk zonder koor. Wie daarin gaat zwerven, ondervindt het tegendeel van een herkenning; hij verdwaalt en vervreemdt; de vastigheden rafelen los. En dat neemt toe met iedere schrede, die men zich van het kruis en de hof verwijdert. Pascal, die de kosmische dimensies in zijn geest droeg, beleed dat hij zich daarin niet te ver dorst te wagen.62 Wij kunnen niet zonder de herkenning; zonder in de nevelen van het leven telkens dat 'Ik ben het zelf' van Jezus te horen. Niet zonder de identificatie, waardoor wij midden in de dood zeker zijn van het leven.