O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← HerkenningGestalte en GeestGods venster →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 2: De getuigen van Gods gestalte · p. 319–321

Twijfel

Johannes 20 : 24-29

Thomas is een raadselachtige figuur in de evangeliën. Men raakt over dat raadsel nooit uitgedacht. En men weet tenslotte nooit goed of men het geraden heeft of niet.

Zijn naam komt, behalve bij Johannes, ook voor in de andere evangeliën. Maar alleen in het vierde evangelie vinden wij enkele bijzonderheden over hem en zo ook het verhaal, dat in onze perikoop staat opgetekend. Behalve daar, komt hij ook voor in de geschiedenis van Lazarus' opwekking (Joh. 11 : 16). Hij heeft dan geen vertrouwen in die opwekking, evenmin als hij nu de opstanding van Jezus wil aannemen. Op beide plaatsen wordt zijn naam vertaald met het Griekse Didymus, dat, behalve tweeling, ook twijfelaar kan betekenen. - Zulk een speling met de betekenis van een naam is wel in overeenstemming met het karakter van het evangelie van Johannes, dat, in onderscheiding van de synoptici, die meer historisch zijn, ook wel eens een geestelijk evangelie is genoemd.

In dat opzicht is Thomas meer johanneïsch dan Petrus en Judas, waar hij overigens, onder een zekere gezichtshoek, naast kan worden geplaatst. Petrus heeft Jezus verloochend; Judas heeft Hem verraden en Thomas heeft Hem betwijfeld. Alle drie hebben - elk op zijn eigen manier - ergernis genomen aan het lijden van Jezus. Maar de psychologische benadering van die ergernis is bij Thomas het moeilijkst. Zoals ik reeds opmerkte, men komt er niet goed mee klaar. Men blijft twijfelen ten opzichte van zijn twijfel. Het is alsof hij niet helemaal historisch is, althans minder dan Petrus en Judas. Zijn figuur in het evangelie van Johannes blijft min of meer doorschijnend, alsof hij meer een les dan een leven vertegenwoordigt. Zo is het o.a. een kwestie, door de exegeten behandeld, of de verschijning van Jezus uit onze perikoop in Jeruzalem heeft plaatsgehad - zoals die van acht dagen tevoren - of dat Jezus in die acht dagen de discipelen was voorgegaan naar Galilea en zij Hem waren gevolgd, zodat de verschijning daar zou zijn geschied63. - Ik geloof niet, dat de vierde evangelist deze geografische vraag in zijn overwegingen heeft overgenomen. Ook al heeft de overlevering, waaruit Johannes heeft geput, dat wel gedaan - hij zelf vermoedelijk niet. Wat maakte dat uit ten opzichte van de les: niet zien en toch geloven (vs. 29)?

Er is een andere vraag, ook vlijtig door de uitleggers besproken, die meer met de strekking van dit evangelie heeft te maken. Heeft Thomas werkelijk aan de uitnodiging van Jezus voldaan? Heeft hij zijn vinger en zijn hand in of bij Jezus' wonden gebracht? Oude uitleggers, zoals Calvijn en Hugo de Groot, menen dat dit wel het geval is geweest en dat Thomas daardoor overtuigd is geworden. Vele nieuweren denken anders.64 Nu zou men kunnen menen, dat het ook hier weer de evangelist vooral om de les te doen is en dat hij, in de persoon van Thomas, zien en tasten nog eens op aanschouwelijke wijze scherp tegenover niet-zien en geloven heeft willen plaatsen. Of Thomas dan werkelijk getast zou hebben, zou dan in het midden kunnen blijven. Het onderscheid tussen die beide werd daarbij niet groter of kleiner dan het reeds was. Wij lezen echter in de brieven van Johannes (1 Joh. 1 : 1-4) een merkwaardige uitspraak, die ons tot andere gedachten brengt. Zij luidt als volgt: "Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze (eigen) ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens, - hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u." Deze woorden slaan heel duidelijk terug op de proloog van het evangelie van Johannes, die ook aanvangt met een 'in den beginne' en die ook handelt over het Woord. Maar zij herinneren even sterk aan de slotperikoop van dat evangelie, die boven deze meditatie staat aangegeven. In beide plaatsen is er zeer nadrukkelijk sprake van een zien en een tasten van het Woord. En dan niet als van iets, waarover de apostelen zich behoefden te schamen, maar als van een ambt, dat van God gewild was en door Jezus hun geschonken ten dienste dergenen, die niet zouden kunnen zien en tasten en toch zouden mogen geloven.

Het begin en het slot van het evangelie van Johannes worden verbonden door het thema van dit evangelie: "Het Woord is vlees geworden ... en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd" (Joh. 1 : 14). Met volle aanschouwelijkheid heeft de evangelist dit nog eens uitgebeeld in de verschijning van Jezus aan Thomas. Het Woord is in de christelijke prediking geen wijsgerige idee, zoals in de joods-heidense filosofie van die dagen; ook geen 'geest' (Luk. 24 : 37). Jezus spoort zelf de discipelen aan Hem te betasten (vs. 39). Het Woord is Jezus, die vele tekenen gedaan heeft voor hun ogen (Joh. 20: 30) en die onder hen gewoond heeft.

De twijfel van Thomas betrof dit kardinale punt uit het hele evangelie van Johannes. Het was dezelfde twijfel, waaraan Judas was te gronde gegaan, maar waaruit de Heer Thomas heeft gered. Er is maar één Naam onder de hemel genoemd, door welke wij kunnen zalig worden. Thomas herkent Hem aan zijn wonden en belijdt Hem als zijn Heer en zijn God.

Maar dadelijk daarop zegt Jezus dat er velen zullen zijn, voor wie die tekenen niet zulk een persoonlijke betekenis zullen kunnen hebben en die toch ook zalig zullen worden (vs. 29). Zij zullen Jezus herkennen op het getuigenis der apostelen door de Heilige Geest.

Eindnoten

  1. 63

    Vgl. bijv. Th. Zahn - die Noordmans blijkbaar herhaaldelijk en ook hier raadpleegt -, Johannes, p. 672 v. Zahn wijst er op dat voor veel moderne exegeten de plaats Jeruzalem hier vanzelfsprekend is, terwijl de uitleggers van de Oudheid veronderstellen dat de discipelen naar Galilea zouden zijn teruggekeerd. Zahn sluit zich hierbij aan, in een uitvoerige, tamelijk psychologisch gekleurde argumentatie.↩

  2. 64

    Voor Calvijn, vgl. Comm. in Evangelicum Joannis CR. 75, 443; voor Grotius, Annotationes, dl. 4, p. 277. Voor de 'nieuweren' vgl. bijv. Th. Zahn, Johannes, p. 673 v. en W. Bauer, Das Johannesevangelium, Tübingen 19252 (HNT. 6), p. 227.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← HerkenningGestalte en GeestGods venster →