O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De broodvraagGestalte en GeestEenvoud des harten →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 1: Gods gestalte · p. 278–279

God verzoeken

Gij zult de Here, uw God, niet verzoeken.

Lukas 4: 12b (Vert. NBG.)

Bij Lukas is de volgorde van de verzoekingen een andere dan bij Mattheüs. In de overlevering, die hij volgt, is de aansporing van de duivel aan Jezus om zich van de rand van het dak des tempels naar beneden te werpen, de laatste. Er is veel voor om aan deze traditie de voorkeur te geven. Allereerst is daar de overeenkomst met de laatste drie beden van het Onze Vader, waarop ik in de vorige meditatie reeds gewezen heb. De bede: "Leid ons niet in verzoeking" staat ook daar in de derde plaats. - En dat staat weer in verband met de inwendige gronden, die er voor deze volgorde zijn aan te voeren. Bij de eerste verzoeking gaat het om de spijze; bij de tweede om de macht en bij de derde om de weg tot de macht.

De eerste is uitsluitend een verzoeking voor een mens. Jezus zegt ook, dat de mens bij brood-alleen niet zal leven. Bij de laatste is er sprake van God verzoeken. De vraag 'God of duivel?' is dan al beslist bij de tweede verzoeking. Na het menselijke en het demonische komt nu het goddelijke aan de beurt. De vraag wordt nu, of Jezus, als Hij zijn ambt aanvaardt, God zal mogen uittarten om Hem te helpen. Want dat is hier de betekenis van het woord verzoeken. - Men vindt het Schriftwoord, dat Jezus hier aanhaalt, in Deuteronomium 6 : 16. Het bevat een toespeling op Exodus 17 : 1-7, waar verhaald wordt hoe de Israëlieten de Here op de proef gesteld hebben door te zeggen: "Is de Here in ons midden of niet?"

Jezus bezwijkt niet voor de verleiding om God op die wijze te dwingen Hem in zijn ambt te bevestigen, door Hem voor de keus te stellen, Hem te pletter te laten vallen of het woord uit Psalm 91, dat de duivel Hem inblaast, waar te maken. De engelen zouden dan moeten komen om Hem op te vangen. - Er is ook een verhouding tussen de drie verzoekingen en de eerste drie beden van het Onze Vader. De derde verzoeking schuilt achter de derde bede: Uw wil geschiede!

Jezus doet er bij zijn ambtsaanvaarding afstand van, de weg die Hij gaan moet zelf te bepalen. Wanneer er iets is dat de aard van Jezus' ambtsvervulling bepaald heeft, dan is het wel zijn afweer van de derde verzoeking. Want hier werd God zelf verzocht. Hier ging het er om, hoe lief God de zondaren heeft. Of Hij, wanneer Hij daaromtrent op de proef gesteld werd, zijn Zoon meer lief zou hebben dan dezen. Of Hij Hem de kruisweg zou willen besparen door reeds op het begin van zijn loopbaan de engelen in zijn dienst te stellen. Dan zou dit éne psalmwoord Jezus voorgoed ontslagen hebben van de vervulling van al die andere psalmwoorden, waarlangs de lijdensweg Hem moest leiden en die aan het kruis in zijn mond zouden zijn. Wat zou God doen, als Hij plotseling voor deze keuze werd gesteld? Deze vreselijke verzoeking van de Here onze God heeft Jezus afgewezen. En daarmee is de weg van het Evangelie Hem gewezen. Ofschoon de Vader Hem pas, bij de doop in de Jordaan, zijn geliefde Zoon heeft genoemd, heeft Hij toch het heil van zondaren gesteld boven het wegnemen van de lijdensbeker voor die Zoon. In Gethsemané en op Golgotha zal dat ten volle duidelijk worden. Ook in Gethsemané heeft Jezus de Vader niet willen bidden om de hulp der engelen (Matth. 26 : 53). Ook daar bad Hij: "Uw wil geschiede!" Deze laatste verzoeking hangt ten nauwste samen met het wezen van alle geloof. Zij raakt de verhouding van God en mens op het allergevoeligst. Op de tinne des tempels ging het om het 'to be or not to be' van het Evangelie; om de mogelijkheid van het koninkrijk Gods. De Israëlieten uit Exodus 17, die ik sprekende invoerde, hadden het reeds zo scherp gesteld, toen zij God verzochten: "Is de Here in ons midden of niet?"

Wanneer onze wil zou geschieden, dan zou God op die laatste pertinente vraag een voor ons en voor anderen afdoend antwoord moeten geven. Hij zou ons moeten bewijzen dat Hij er is. En Hij zou voor ons moeten doen, wat wij redelijkerwijze van God mogen vergen, dwz. wat een mens vraagt van 'n god. Maar God is niet een god. Dan zou Hij een afgod zijn. Hij is God zonder meer.

Hij laat niet met zich doen, wat een Siciliaan doet met zijn Madonnabeeld, dat hem dekking moet verschaffen, als hij een vete gaat uitvechten. Voor zulk een god is iedere bede een verzoeking. Altijd weer moet hij bewijzen dat hij er is.

De Vader van onze Here Jezus Christus is een geheel andere. In de beslissende ure op Golgotha moet Jezus klagen: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" En diezelfde klacht komt men in het Oude Testament ook meermalen tegen. Maar de profeten en Jezus en de apostelen nemen dit kruis op zich, omdat zij weten, dat dit de weg is van de enige ware God. Hij mag niet verzocht worden. Men mag niet van Hem vragen, dat Hij zijn bestaan en zijn tegenwoordigheid bewijst op het ogenblik en op de wijze die ons gelegen komen. Bewijzen voor het bestaan van God, theoretisch of praktisch, zijn er niet. De zekerheid die het geloof verkrijgt, ontstaat op een heel andere wijze. Luther had dat verstaan, toen hij sprak van een getrooste vertwijfeling.33⌫ God kent zelf de wegen, waarlangs Hij een verborgen omgang houdt met zijn vrinden (Ps. 25 : 7).34⌫ De pertinente vragen, die de Boze ons zou willen aanraden aan Hem te stellen, beantwoordt Hij niet. De bewijzen, die wij op die wijze krijgen, leveren ons een afgod. "Gij zult de Here, uw God, niet verzoeken."

Eindnoten

  1. 33

    'Evangelica desparatio', vgl. WA. 39 1, 430.↩

  2. 34

    Berijming-1773.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De broodvraagGestalte en GeestEenvoud des harten →