Eenvoud des harten
Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Mattheüs 5 : 8 (Vert. NBG.)
Op het eerste gezicht kan deze spreuk een uitzondering in de reeks lijken. En wel, omdat hier de gesteldheid des harten regelrecht op God schijnt betrokken te worden en niet, zoals bij de andere zaligsprekingen, op de dingen van zijn Koninkrijk. Tussen armoede, treurigheid, zachtmoedigheid, honger en dorst, barmhartigheid en vredelievendheid komt ons de reinheid van hart min of meer voor als een vreemdelinge. Daarginds ontdekken wij een praktische zijde, een betrekking op de naaste, de medemens; hier vinden wij licht een mystische strekking, vooral ook, omdat als loon der reinheid het zien van God genoemd wordt. Wij komen dan in verleiding om de spreuk aldus te vertalen: "Zalig zijn de reinen van hart, want dan kan God zich daarin spiegelen."
Voor deze verleiding mogen wij echter niet bezwijken. Al deze zaligsprekingen hebben betrekking op het Koninkrijk der hemelen. Ook onze spreuk staat in de toekomende tijd, evengoed als de andere. En zij staat juist midden tussen twee andere, die van alle het meest praktisch zijn; die van de barmhartigheid en die van de vredelievendheid. Deze beide laatste hebben bijzonder duidelijk met de naaste te doen en pas daardoor met God. Zo behoren wij dus ook de zesde zaligspreking te verstaan.
Het Griekse woord voor rein in de grondtekst is dan ook synoniem met een ander, dat met oprecht vertaald wordt. In de psalmen wisselen ze elkaar af. Reinen van hart zijn dezelfden als oprechten van hart. In Psalm 73 : 1 vertaalt de Septuagint 'rein' dan ook vrij met 'oprecht'. Daarbij sluit het Nieuwe Testament zich aan. Rein komt daar gelijk te staan met eenvoudig, rechtuit, op de man af, zonder voorbehoud. Eenvoudig wordt het goede oog genoemd (Matth. 6 : 22 St.V.). De Nieuwe Vertaling heeft daarvoor 'zuiver' staan. Een eenvoudig, zuiver oog wordt niet gehinderd door iets bijkomstigs; er zit niet ergens in een hoekje een zandkorrel. Zo ook het zuivere, eenvoudige hart; er zit niet ergens in een hoekje een bijgedachte. Ja betekent ja en neen wil zeggen: neen (Matth. 5 : 37).
Ik ga deze zaligspreking illustreren met een herinnering uit mijn ouderlijk huis. Op een vroege herfstdag hield daarnevens jaarlijks een vrachtwagen stil, die bij gelegenheid ook personen vervoerde. Dan ontstond er een eigenaardig gestommel en gerommel. Er werd iets of iemand - dat bleef voorlopig in het midden - uitgeladen of uitgetakeld. Was het een soort dier? Inderdaad, maar het viel mee; het was een animal rationale, een met rede begaafd wezen. - Als het gestommel opgehouden was, stond het op zijn voeten. Daarboven een ronde rug, waarvan het midden de top van de figuur uitmaakte. Lager zag men dan het hoofd, gedekt met een bolhoed, een Garibaldi. Achter de rand daarvan ging het aangezicht schuil. Als de wagen verder reed, ging de verschijning lopen. Dat was eigenlijk een anomalie. Zij had moeten blijven staan, zoals een stenen beeldje, dat zijn bestemde en vrome vorm heeft gekregen, blijft staan, als het ergens neergezet is. - Maar deze figuur ging zich in de richting van onze woning bewegen. Toch was het geen echte beweging, dit op een stokje leunen en voetje voor voetje verzetten. Het was een zich verplaatsende rust. Want alles aan deze gestalte riep de gedachte op aan gedane arbeid. De buiging over de spade op de akker en de kromming over de zeis op het maaiveld waren definitief geworden en een zich-weer-oprichten tot een nieuwe taak was uitgesloten. Het wachten was nu op de sabbat. - Zo moet God er uitgezien hebben, toen Hij de wereld geschapen had en ging rusten op de zevende dag. In die toestand en in die gedaante heeft Hij, op het eind van de zesde dag, de mens naar zijn beeld geschapen. Men moet in dat beeld niet steeds de serafijnse trekken zoeken of de demonische. Dat beeld is een eindprodukt en de mens is het ook. O, Douwe, wat was uw figuur menselijk en hoe sprekend geleekt gij dan op God. Om u moet Diogenes gezocht hebben met zijn lantaarn. Naarmate het u minder mogelijk werd rechtop te gaan, was uw hart oprecht geworden.
De verhouding tussen lichaam en ziel is niet zo harmonisch als onze anti-ascetische tijd dat met alle geweld wil hebben. Zij is dialectisch. Wat het lichaam bevestigt, ontkent de ziel bijwijlen pertinent; en omgekeerd. Het was niet zo dwaas als men meent, wanneer de middeleeuwer het lichaam soms met 'broeder ezel' betitelde.35⌫ En in de twintigste eeuw is men nog niet klaar met het scheppen van een mens, als men een ezelskop bovenop een geest plaatst. Er zit meer aan vast. Ook in de kerk is er tweeërlei akoestiek. Die van de ezel en die des Geestes.
Maar ons figuurtje wordt ontvangen in de huiskamer. In mijn herinnering blijft die ontvangst bewaard als een soort feest. Ik hoor een roep: "Douwe!" En die naam vervulde dan het gehele huis waar wij zaten. Die naam was meer dan het gebogen figuurtje. Hij omringde en omhulde dat als een wolk. Terwijl de kleine gestalte werd opgeborgen in een voor haar geschikte leunstoel, waarin de zittende houding haar enigszins oprichtte, schiep de naam een sfeer van eenvoud en zuiverheid, van klaarheid en rechtheid, waarin het ons goed was te ademen. Die naam was het wezen van deze mens geworden; hij droeg hem enigszins op de wijze, waarop God dat doet; bij uitsluiting. Voor ons was er eigenlijk slechts één Douwe. Naarmate z'n figuur was ineengeschrompeld, was die naam uitgedijd. Hij was niet meer een nauwsluitend kleed voor één mens, maar omsloot ook de medemens. Hij was geworden tot een eenvoudig wezen. Het beeld en de gelijkenis van Gods eenvoudigheid waren er in aan de dag getreden.
Ons, jongeren, was het een voldoening hier te mogen dienen. Als wij ons bukten om hem in de laagte het kooltje vuur voor te houden voor het aansteken van zijn gouwenaar, dan was ons dat een soort 'exercitium pietatis', een oefening in eerbied, die ons goed deed. - Intussen werd dan tussen de gastheer en de gast niet alleen de rook, maar ook de waarheid Gods recht gesneden tot een spijze voor de ziel. De gast vertelde dan soms van zijn ervaringen op het maaiveld, als hij, gezeten achter een windschutting, in de middagpauze met zijn makker het brood zegende. Dan werden de evangeliebladen opgeslagen en in de wind des daags, die hen omspeelde, leerde hen daaruit de tegenwoordigheid Gods en des Geestes, zodat zij een rust, een sabbat hadden, reeds in het midden van de werkdag.
Het was een schoon gezicht, op zulke dagen, evenals in Matth. 5 : 7 vv., de eenvoud tussen de barmhartigheid en de vrede te zien wandelen. Als ja en neen, zoals Jezus dat wil in zijn Koninkrijk (Matth. 5 : 37), nog harde valuta's waren. - De herinnering daaraan is mij bijgebleven als aan een aanschouwelijke opvoering van de bergrede; aan een huiselijke communie en aan de beoefening van een liturgie des levens.