God gevangen
Toen namen de Filistijnen de ark Gods, brachten haar in de tempel van Dagon en zetten haar neer naast Dagon.
1 Samuël 5: 2 (Vert. NBG.)
Boven deze meditatie had ik ook kunnen zetten: 'De gevangen God'. Dan was het overdenken van de tekst veel gemakkelijker geworden. Dan had ik op de romantiek van het geval kunnen wijzen. Hoe daar in Palestina twee goden, Jahwe en Dagon, die elkaars buren waren, met elkaar in oorlog raakten en hoe de laatste de eerste in zijn huis opsloot. Een volgende keer kon het net andersom gaan, zoals later Achab, de koning van Israël, Benhadad, de koning van Syrië, naast zich in zijn wagen deed rijden.
Nu de titel luidt, zoals hij er staat, is zulk een behandeling uitgesloten. Hier is maar sprake van één God, de ware God. De Schepper van hemel en aarde; de Vader van onze Here Jezus Christus. Wij mogen Hem niet uitleveren aan de primitiviteit, zodat Hij ook één van de poppetjes wordt, waarmee men kan gaan spelen. Als wij daarmee misschien toch bezig zijn, staat Hij intussen als onze Vader achter onze rug en glimlacht om het spel. Hij weet, dat wij er moeite mee hebben Hem naar zijn majesteit, Godheid, genade en Geest te bevatten en dat wij ook graag een beeld van Hem willen maken, zoals de heidenen. Wij weten dan wel, dat zulks in Israël verboden was; dat op de ark geen beeld stond; dat de plaats tussen de cherubim leeg was voor het oog, maar wij doen dan toch, alsof die onzichtbare God in elk ander opzicht op zijn buren geleek. Om te weten wie Hij was, kijkt men dan naar Dagon of Baäl. En men kan zich niet verklaren, hoe achter de oudtestamentische oorlogsgod de koning des vredes, Jezus Christus, vandaan kon komen en hoe uit het stenen hart van de ark ooit de Heilige Geest kon ontwaken. Men merkt niet de storm van openbaring, die op de ark stond en die de pennen der profeten in de boeken Samuël en Koningen nauwelijks bij konden houden.
Neen, de bijbel geeft ons geen roman. Het is een echte geschiedenis, waarin wij ook nog leven. Dezelfde God komt er in voor, waarin wij ook geloven. Ons geloof is geen gras, dat overal groeit en dat verdort en afvalt, zoals het geloof aan Dagon; het houdt eeuwig stand. Wanneer wij willen weten, wat het betekende dat de Here die nacht en de volgende naast Dagon als een gevangene stond, dan moeten wij dat op de een of andere wijze van Hemzelf te weten komen. Er is toen iets met onze God gebeurd. Wij kunnen bij dit bijbels verhaal niet naar een fenomenologisch handboek grijpen en het trefwoord 'een gevangen god' opzoeken. Op zo'n manier gaat men soms met het Oude Testament om. De zin der openbaring zoekt men dan meer bij Israëls buren dan bij dat volk zelf. Israëls God blijft dan een afgod, tot men Hem bij Jezus plotseling tot de enige, ware God laat worden. Het spelen met het poppetje houdt dan ineens op en de God der Joden ontpopt zich tot een Vader en een Geest.
Zo hebben de profeten deze verhalen niet bedoeld. Zij schrijven de geschiedenis van de Vader van onze Here Jezus Christus. Als Jezus later gevangen genomen wordt en ook Petrus of Paulus of een Jood onder Hitler of een bisschop in Hongarije, dan weet de Vader wat het betekent, gevangen genomen te worden. Het is Hemzelf ook gebeurd. Hij weet welke macht sommige van die poppetjes (Jes. 44 : 9-20) kunnen krijgen. Paulus zegt, dat er geen afgod in de wereld bestaat (1 Kor. 8 : 4), maar hij weet toch ook te spreken van een ontwapenen van zulke machten (Kol. 2 : 15).
Wat er van onze God te weten valt dat vrage men niet aan die wereldgeesten (Gal. 4 : 3, 9; Kol. 2 : 8, 20), die overal huizen. Het ligt niet in de breedte uitgespreid over de wereld, overal. Godsdienst kan misschien ontstaan door spontane generatie, maar God niet. God is een enig Heer, naar het grote sjema van Israël. De kennis van Hem ligt in de geschiedenis in de lengte naar ons toegeworpen door de profetie. Wij moeten de lijn van achteren naar voren inpalmen. Zo heeft de christelijke kerk gedaan, toen zij van Jezus op de profeten terugging.
Op die wijze verdrinkt ons tekstverhaal niet in de primitiviteit of in de fenomenologie. Wij worden dan niet uitgeleverd aan de wereldgeesten, maar horen de uitlegger, de Heilige Geest. Dat er enig onderscheid was tussen de God Israëls en de afgod der Filistijnen, dat leert ons dat sobere verhaal van het boek Samuël. God stond in de nacht als gevangene naast Dagon. Toch bleek Dagon de volgende morgen "op zijn gezicht ter aarde gevallen vóór de ark des Heren". De volgende nacht herhaalde zich dit: "en zie, Dagon was op zijn gezicht ter aarde gevallen vóór de ark des Heren, maar het hoofd van Dagon en zijn beide handen lagen afgehouwen op de drempel, slechts de romp was nog over." En toch is onze God maar een Geest zonder romp en zonder hoofd en handen. "Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte" (Ex. 20 : 4).