De tolk
Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen.
Johannes 16 : 14 (Vert. NBG.)
Een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is.
1 Korinthiërs 2 : 14 (Vert. NBG.)
Vertolken is nog weer iets anders dan vertalen. Het is persoonlijker en daardoor vrijer. De tolk staat in levenden lijve mee in de zaak en is daarom minder aan de letter gebonden dan de overzetter.
Er is in onze tijd veel sprake van het vertalen van de boodschap der kerk in de taal van de moderne mens. Men bedoelt dan eigenlijk wat ik zo even een vertolking noemde. Een min of meer vrije, aan de zaak zelve georiënteerde en aan de situatie aangepaste overbrenging, die in een persoonlijke sfeer gehouden wordt. De vertolker gaat er niet van uit, dat voor iedere oude letter een andere in de taal der modernen zou gereed liggen. Dan zou hij inderdaad kunnen volstaan met een vertaling.
Neen, hij hoopt en bidt, dat de Geest zijn verkondiging moge levend maken, zodat zij ook werkelijk open komt te liggen voor de harten en de harten voor haar. En toch moet en zal hij tolk blijven. Hij mag het zijne niet spreken. Dat is ongeestelijk en dat aanvaardt de ongeestelijke mens wél. Hij mag er niet van uitgaan, dat de moderne mens zulk een ongeestelijk mens is, die wel het zijne aanvaardt, doch niet hetgeen van de Geest Gods is. Daarom is zijn vrijheid als tolk een gebonden vrijheid. De Heilige Geest zelf althans zal nooit het zijne prediken, maar Hij zal, zegt Jezus in ons eerste tekstwoord, het uit het mijne nemen.
Deze verhouding van het goddelijk 'mijn en dijn' regeert overal in de bijbel. Wij vinden haar niet alleen in het Nieuwe Testament bij Jezus en zijn tolk, de Heilige Geest, maar ook reeds in het Oude, tussen wet en profeten. Wat de profetie gaf, was niet iets geheel nieuws, maar het was ontvouwing van hetgeen God in de vorm van wet reeds had bekendgemaakt. De wet is de zedelijke en ceremoniële, de staatkundige en kerkelijke regeling van de betrekking tussen God en zijn volk. De profetie laat door historische beschrijving en door prediking zien, wat er in verleden en toekomst uit die betrekking gevolgd is en volgen moet of zal.
De wet is dus meer blijvend en zakelijk; de profetie bewegelijk en geestelijk. De profetie zou geen grond hebben, zij zou een slag in de lucht zijn, als zij niet uit de wet kon spreken. Maar de wet zou dood zijn en zij zou de mens ook doden, als zij niet telkens door de profetie levendmakende kracht ontving. "De letter doodt, maar de Geest maakt levend" (2 Kor. 3 : 6).
De wet mag dus haar kracht niet zoeken in haar zakelijke aard. Als zij die daarin zoekt dat zij blijvend is, sticht zij onheil. Heel de bijbelse geschiedenis is daar, om dat te bewijzen. Paulus bestrijdt later de wet wegens de dodende kracht, die zij in Israël heeft gekregen (Rom. 7 : 11). En volgens Stefanus was de grote zonde van de Joden deze, dat zij de Heilige Geest, de profetie, altijd weerstonden (Hand. 7 : 51). Zij waren te ongeestelijk om zulk een vertolking te kunnen aanvaarden.
Ons eerste tekstwoord, waarin Jezus zegt, dat ook zijn Evangelie een tolk nodig heeft en die in de Heilige Geest ook zal vinden, brengt deze dingen tot herhaling, maar onder nog veel hogere spanning en met voor mensen schier ondragelijke risico's.
Misschien zou men mogen zeggen, dat wij pas beginnen de kracht van die spanning en de mate van die risico's te ontdekken. Het ingrijpende van deze dingen staart ons vlak in het gelaat, als wij elkaar afvragen: In hoeverre doet de Heilige Geest iets af aan het zakelijke en het blijvende van Jezus' leer en werk? Deze vragen zijn voor ons zó precair, dat wij ze nauwelijks durven stellen. Maar wij zullen er niet aan kunnen ontkomen, omdat Jezus ze zelf gesteld heeft en omdat de Heilige Geest er een antwoord op heeft gegeven. Jezus maakt gebruik van die Tolk. En de kwestie van het Mijn en Dijn tussen Zich en die Geest heeft Hij zelf opgelost. Hij maakt onderscheid tussen 'uit het mijne nemen' en 'u verkondigen'. In de verkondiging gebeurt er iets met het genomene. Iets heel belangrijks. Het verschil is zo groot, dat alleen een geestelijk mens zien kan, dat het genomen is uit dat, wat van Jezus was. Wij leven dus onder de bedéling des Heiligen Geestes in een voortdurend en waarlijk dodelijk gevaar. Het gevaar dat Israël liep en loopt onder de wet. Het gevaar van, met een beroep op Jezus, te zondigen tegen de Heilige Geest en diens vertolking niet te aanvaarden. Paulus zag dat gevaar, toen hij de laatste Adam als een levendmakende Geest stelde tegenover de eerste Adam, die slechts een levende ziel was (1 Kor. 15 : 45). Met dat onderscheid moeten wij steeds rekening houden. De levende ziel is bedacht op blijven, op duren. Zij is zakelijk gehecht aan haar eigen identiteit; zij wil vandaag en morgen en tot in eeuwigheid dezelfde blijven. De levendmakende, de scheppende Geest kent zulke overwegingen niet. Hij projecteert al het zijne in de toekomst, in het rijk der oneindige risico's, in het Koninkrijk der hemelen.
Dat de kerk steeds gevaar loopt de tweede Adam weer tot een levende ziel te maken, blijkt uit velerlei. Wie na de brieven van Paulus de eerste kerkelijke schrijvers gaat lezen, valt als 't ware uit de wolken naar beneden. Eén van de meest opvallende dingen in de oude kerk is, dat zij er mee begint aan sommige hoofdpunten van het Evangelie een zakelijke duur toe te schrijven. De vleeswording van Jezus wordt als menswording blijvend geacht; de figuur van Jezus met de apostelen om zich heen, wil men voortzetten; het primaat van Petrus herhaalt zich steeds; het offer op Golgotha verlengt zich in de kerk; zelfs aan de opstanding wordt een opmerkelijke zakelijke duurzaamheid in de gelovigen toegeschreven. Al deze dingen betekenen een zekere afstamming van Jezus bij de gelovigen. Zij houden niet voldoende rekening met de vertolking van het Evangelie door de Heilige Geest. Wie ze heeft afgedaan, neme ze niet weer op.