O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← DoorbraakGestalte en GeestDe tolk →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 1: De vertolker van Gods gestalte · p. 357–359

Het realisme des Geestes

De Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods.

1 Korinthiërs 2 : 10 (Vert. NBG.)

Dat de geest kritiek oefent op de letter, wordt door ieder onzer steeds erkend. De tegenstelling van letter en geest is zelfs spreekwoordelijk geworden. Vooral als er sprake is van de interpretatie van een wetsartikel. Maar voornamelijk ook in verband met ons christelijk geloof, waarin de Geest Gods als een levendmakende macht gesteld wordt tegenover "de wet der geboden, in inzettingen bestaande" (Ef. 2 : 15), heeft die kritiek voor ons betekenis. Zij is ons heel bekend uit de brieven van Paulus.

Dat de Geest des Heren niet alleen de letter, maar ook de zaak doorzoekt en beoordeelt, daarvan zijn wij niet altijd zo diep doordrongen. Onbegrijpelijk is dat op zichzelf niet. Immers, de zaak is de vervulling van de letter. Als de profetie, dwz. de Geest Gods, zich met die laatste gaat bezighouden, dan blijft de letter niet wat zij was. Neen, zij gaat leven, zij gaat zich bewegen, evenals de staf van Mozes, die in een slang veranderde, toen de godsman haar aangreep (Exodus 4). De profetie doet het in de letter afgebeelde of gebodene of beloofde komen. Het komt steeds naderbij. Het wordt veranderd in historie, totdat de zaak er is, zodat er sprake kan zijn van een nieuwe staat des Geestes tegenover de oude staat der letter (Rom. 7 : 6 Vert. NBG.). Dat is het Nieuwe Testament. "Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en oud wordt, is niet ver van de verdwijning" (Hebr. 8 : 13 Vert. NBG.).

Wij verstaan het, als een christenmens nu de doorzoeking en de kritiek des Geestes wil laten ophouden. Wat tegenover de letter vanzelfsprekend, althans naar Gods bedoeling was, dat zou nu tegenover de vervulling, tegenover de zaak, niet meer op zijn plaats zijn. Nu dat alles gebeurd is, wat de profeten hadden voorspeld; nu alles waarheid geworden is, wat in de ceremoniën was afgebeeld; nu alles gedaan is wat in de wet bevolen was, nu zou er geen ruimte meer zijn voor een voortzetting van de heilsgeschiedenis. Een tegenstelling van zaak en Geest, zoals die bestond tussen letter en Geest, ware ondenkbaar voor de kerk. Van een veroudering der zaak, zoals die bestond bij de letter, mocht men nimmer spreken. Het enige wat ten opzichte van de zaak mogelijk ware, zou een voortzetting moeten zijn. Nu Jezus eenmaal geboren is; nu Hij heeft geleden; is gekruisigd, gestorven en begraven; nu Hij is opgestaan uit de doden ten derden dage; opgevaren ten hemel en zit aan de rechterhand Gods, nu liggen deze heilsfeiten er voorgoed, met al de hardheid en de weerstand, die aan feiten reeds in het algemeen eigen zijn, maar die dan ook nog weer zeer in het bijzonder toekomen aan deze grote dingen uit het Evangelie.

En toch kan het Gods bedoeling niet zijn, dat deze heilsfeiten een duurzaamheid zouden bezitten, waardoor de voortzetting der heilsgeschiedenis op Pinksteren onmogelijk zou zijn gemaakt. Onze tekstwoorden leren het ons ook anders: De Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods. De Geest dringt niet alleen in de letter door, om die tot leven te wekken, maar ook in de zaak, in het feit. Ook het heilsfeit, zonder de Geest, kan even dood komen te liggen als de letter. De Geest heeft ook achter deze zaken nog iets te doen. Hij moet de diepten Gods nog onderzoeken. Hij moet weten wat God met deze feiten bedoelt. Anders kan de Geest ook geen mening (Rom. 8 : 27) hebben en ons daarmee niet onderwijzen.

Wij worden met de feiten, die het Evangelie ons verkondigt, niet alleen gelaten. De Geest, die de diepten Gods onderzoekt, heeft er een mening over. Hij weet, dat wij altijd weer verijdeld worden in onze overleggingen, ook als het gaat over goddelijke dingen en juist vaak het meest, als het daarover gaat. Met de wijsheid dezer wereld is het niets gedaan. De Geest is het er om te doen, de dwaasheid Gods (1 Kor. 1 : 25) te leren kennen. Daarvoor onderzoekt Hij de diepten Gods.

Die dwaasheid Gods moet er zijn in het hele Evangelie en zij moet er zijn in elk onderdeel daarvan. Zij is er ook. Of is het niet een verrukkelijke dwaasheid, als Jezus voor financiën Zacheüs als model stelt, omdat Hij zijn goed met de armen wilde delen; een zoon Abrahams, welke aartsvader ook zo royaal kon zijn? - Of als Jezus voor de samenleving volgens zijn evangelie die vrouw zo geschikt achtte, die een kostelijke zalf gebruikte om voeten te wassen?

Daarom moet men in zijn incarnatie, zijn vleeswording, ook geen wijsheid dezer wereld zoeken. Hij neemt daarin geen model-mens aan, die voortaan als voorbeeld in de kerk zou kunnen staan en in welke vereniging ook de cultuur dezer wereld haar verborgen wortels zou hebben. Als de Heilige Geest de diepten Gods doorzoekt, vindt Hij zulke verstandige dingen niet. Hij vindt weer de zoete dwaasheid, die Paulus noemt, als hij schrijft, dat Jezus voor ons tot zonde gemaakt is (2 Kor. 5 : 21).

Dat is een kennis van de zaak, van het feit der menswording, die men uit Lukas 2 zo maar niet kan aflezen. Daarvoor moet deze zaak eerst worden doorzocht. En dat kan alleen geschieden, als de Heilige Geest Gods hart doorzoekt; de diepten van zijn overleggingen. Dan heeft die Geest ook een mening over dit feit en van die mening heeft Paulus kennis gekregen. En zo gaat het met al het andere uit het Evangelie. De Geest maakt ook de zaak, de vervulde letter, levend. Als dat niet gebeurt, blijven wij alleen met de heilsfeiten, als met de dode dingen.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← DoorbraakGestalte en GeestDe tolk →