O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De wetGestalte en GeestDe Geest des Vaders →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 2: De apostel des Geestes · p. 414–417

De tempel

Ik vermaan u dan, broeders, bij de barmhartigheden Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer; dit is uw redelijke eredienst.

Romeinen 12: 1 (Vert. NBG.)

De tekstwoorden behoren tot de zeer bekende gedeelten van het Nieuwe Testament. Vooral de beide laatste woorden hebben altijd zeer de aandacht getrokken. Wij lezen daarvoor nu in de Nieuwe Vertaling: "redelijke eredienst". In de Statenvertaling staat: "redelijke godsdienst".

Het verschil is niet zo groot als men op de klank af zou kunnen menen. Godsdienst betekende vroeger ook kerkdienst. En zo staat het hier nu nog in onze Statenvertaling; het is hier een archaïsme. Of het nu juist is om in plaats daarvan eredienst te lezen, zoals men tegenwoordig meestal doet, laat ik nog even in het midden.

Een tweede vraag is, wat hier dat 'redelijk' wil zeggen en of de bedoeling van Paulus daarmee juist is weergegeven. Brouwer heeft het Griekse woord met 'geestelijk' vertaald en dat lijkt mij, ofschoon een minder letterlijke, toch een betere overzetting. Het woord 'redelijk' kwam in een soortgelijke verbinding - met offer - reeds voor, eer Paulus het gebruikte. Het betekent dan hetzelfde als 'geestelijk'. 1 Petrus 2 : 5 lijkt heel veel op Romeinen 12 : 1 en daar is sprake van geestelijke offers, ook in de grondtekst.

Daarentegen is in 1 Petrus 2 : 2 in de grondtekst sprake van redelijke melk, zoals men in de Statenvertaling nog kan zien. De Canisius-vertaling geeft dit weer met geestelijke. Men ziet dat beide woorden op elkaar ingesteld zijn.

Maar nu dat eredienst in de Nieuwe Vertaling. Zouden wij daar niet liever tempeldienst zetten? Men leze nog eens de parallelle plaats die ik noemde: 1 Petrus 2 : 5. Daar is sprake van een levende steen als hoeksteen, Jezus Christus, en van levende stenen, de gelovigen; en van een geestelijk huis en van een heilige priesterschap en van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn. Dat is toch zeer duidelijk de beschrijving van een tempel, maar dan een geestelijke tempel. Welnu, in ons tekstwoord gaat het precies om dezelfde dingen. Dezelfde woorden komen er in voor: levend, heilig, Gode-welgevallig, redelijk als synoniem van geestelijk.

Alleen is hier bij Paulus de aandacht nog meer op de handeling in de tempel gericht, op het offer. Maar dan treft het toch zijn bedoeling beter, als men vertaalt: "dit is uw geestelijke tempeldienst." Die gedachte van een tempel als woonstede des Geestes treft men trouwens bij de apostel ook elders aan, bijv. 1 Korinthe 6 : 19 en Efesiërs 2 : 22.

Dit alles zou minder belangrijk zijn, als het daarbij niet ging over een van de beide hoofdzaken in het Nieuwe Testament. Ik heb er in een der vorige meditaties op gewezen, dat Jezus na Pinksteren tweemaal ingrijpt. Door Stefanus tegen de tempel (Hand. 7) en door Paulus tegen de wet (Hand. 9). Het tweede ingrijpen is door de christenheid beter ter harte genomen dan het eerste. De tegenstelling van Wet en Evangelie is op sommige tijden in de kerk wel duidelijk en scherp geponeerd; denk maar aan Augustinus en aan Luther. Maar ten opzichte van de tempeldienst is men veel minder tot zulk een klaar inzicht gekomen. Men heeft er in ieder geval niet zo'n treffende uitdrukking aan kunnen geven. Voor die geestelijke tempeldienst, die Paulus in ons tekstwoord noemt, wist men geen naam te vinden. Deze dienst moet anoniem door de eeuwen gaan en dat brengt groot nadeel en gevaar mee. Als wij bijv. tegenover de wet niet de genade te noemen hadden, maar alleen maar hadden kunnen spreken van een geestelijke wet, dan zou de kerk op dit stuk veel achterlijker gebleven zijn. Welnu, zo'n woord als genade tegenover wet, missen wij nu tegenover de tempeldienst. De kerk heeft het niet kunnen vinden. Heeft zij de zaak zelve dan wel radicaal genoeg beoefend, als zij zo'n moeite had met de naam? In ieder geval komt de tempel daardoor zeer in het voordeel. Hij doet zijn winst met de anonimiteit van de geestelijke dienst, waarin de gelovigen zelf met Christus het levend, heilig, Gode welbehagelijk offer zijn. Hij probeert, onder vermomming, zijn eigen naam weer binnen te smokkelen en onder die naam een hele lading uit een tempel die wél 'met handen gemaakt' (Hand. 7: 48) is. Eén van die trucs schuilt in het woord eredienst. Wanneer men het woord hier in Romeinen 12 : 1 gebruikt, dan betekent het - dat is duidelijk - tempeldienst. Anders had Paulus niet behoeven te spreken van een geestelijke dienst; die stelt hij er tegenover. Het huis is nu niet met handen gemaakt; de gelovigen vormen dat huis. Schrijft men nu 'eredienst' in plaats van 'tempeldienst', dan is dat een soort mystificatie. Het lijkt dan alsof Paulus de christelijke dienst eredienst zou hebben gedoopt, in onderscheiding van de Joodse tempeldienst. De bepaling 'geestelijke' zou dan eigenlijk weg kunnen vallen, want die lag dan al in 'eredienst' opgesloten. - Maar dan kan de tempel gaan lachen, omdat hij de christenen een synoniem van zijn eigen naam in handen heeft gespeeld en zij daar blij mee zijn. Paulus is wijzer. Hij verkiest de anonimiteit boven het bezit van dit gevaarlijke synoniem. Hoe de dienst in die geestelijke tempel toegaat, daarvan heeft Augustinus een treffende beschrijving gegeven: "Hem (God) zijn wij de dienst schuldig, die in de Griekse taal latreia (offerdienst) genoemd wordt; hetzij in de sacramenten of in onszelf. Want wij zijn allen samen zijn tempel en elk voor zich zijn tempel." "Ons hart is, als wij het tot Hem opwaarts heffen, zijn altaar; met zijn Eniggeborene verzoenen wij Hem door de priester; wij slachten Hem bloedige slachtoffers, als wij ten bloede toe voor zijn waarheid strijden; wij branden Hem reukoffers met de zoetste wierook, als wij voor zijn aangezicht in vrome en heilige liefde ontvlamd zijn."97

Het geestelijke van deze dienst ligt al dadelijk hierin, dat wij 'elk voor zich' ook Gods tempel genoemd worden. Paulus heeft dat ook in Romeinen 12. Die lichamen uit vers 1 moet men lezen in verband met één lichaam in vers 4. Ieder heeft zijn eigen genadegave. Wij zijn ook elkanders leden. Wij brengen dagelijks offers, door daarmee te rekenen. Profeteren, dienen, onderwijzen, vermanen, uitdelen, leiding geven, barmhartigheid bewijzen, deze charismata vormen samen de geestelijke tempeldienst (Rom. 12 : 6 vv.). Paulus is in zijn brieven altijd bezig er toe te vermanen, dat deze diensten het karakter van een offer moeten behouden. - Er blijft ook wel verband; wij zijn elkanders leden. Er is een templum, een door de geestelijke ploeg van Gods Woord afgepaalde ruimte. Bij de apostel is die gemeentelijk van aard; in de aangehaalde woorden uit Romeinen 12 : 6 vv. denkt hij aan de samenkomsten der gemeente. Augustinus doet dat in ons citaat ook wel, maar hij denkt blijkbaar ook iets meer aan het persoonlijke leven, aan het 'elk voor zich'. Bij beiden licht Christus' kruisdood door alles heen; het grote offer.

Welke naam zou men nu aan deze geestelijke tempeldienst kunnen geven, om hem te beschermen tegen het lijden van schade? Zou men er een kunnen bedenken, waaronder alles is begrepen wat Paulus en Augustinus hier genoemd hebben, tot het martelaarschap toe? Alle diensten, samen en elk voor zich, in één lichaam en in vele leden met elk een lichaam, allen één tempel en ieder en elk een tempel? Tot nog toe is men daar niet in geslaagd.

Men zou in de richting, niet van de ere, maar van de schande moeten zoeken. In de richting van het kruis. Deze schande heeft de ere overwonnen, toen het voorhangsel des tempels scheurde (Matth. 27 : 51).

Eindnoten

  1. 97

    Civ. Dei X, 3 (MPL. 41, 280): "Huic nos servitutem, quae Aarptia gracce dicitur, sive in quibusque sacramentis, sive in nobis ipsis debemus. Huius enim templum simul omnes, et singuli templa sumus." "Cum ad illum sursum est, eius est altare cor nostrum; eius Unigenito eum sacerdote placamus: ei cruentas victimas caedimus, quando usque ad sanguinem pro eius veritate eertamus: ei suavissimum adolemus incensum, cum in cius conspectu pio sanctoque amore flagramus."↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De wetGestalte en GeestDe Geest des Vaders →