O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De bede om genadeGestalte en GeestOnderweg →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 1: Gods gestalte · p. 266–268

De levende God

Mattheüs 15 : 21-28

Onze perikoop geeft het bekende verhaal van Jezus' ontmoeting met de Kananese vrouw. Het staat hier iets uitvoeriger weergegeven dan bij Markus, die alleen het gesprek met de vrouw heeft en zwijgt over dat met de discipelen, dat er aan voorafgaat.

Jezus trekt zich tijdelijk terug van zijn zendingsveld in Galilea. Waarom hij dat deed en hoever hij daarmee ging, staat er niet bij. Alleen horen wij dat het een Kananese vrouw was, die zijn hulp inriep. Deze naam behoeft niet als een archaïsme beschouwd te worden. Augustinus vertelt ergens, dat in zijn dagen de boeren in de buurt van Hippo zich nog Kanaänieten noemden28. Dat waren kolonisten uit dezelfde streek, waar Jezus deze ontmoeting had.

Het gesprek met deze vrouw vormt een der meest treffende gedeelten uit de evangeliën. Het is een tegenhanger van datgene wat ons is medegedeeld in Mattheüs 8, waar de genezing van een knecht van de hoofdman te Kapernaüm is beschreven. Beide malen gaat het over de hulp, die Jezus biedt aan iemand buiten Israël en over een geloof, zo groot, dat Hij er zich over verwondert.

De Kananese vrouw had een dochter die bezeten was. Zij had van Jezus' komst gehoord en riep Hem aan met de woorden: "Here, gij Zone Davids, ontferm U mijner, mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten." Jezus echter antwoordde haar niet één woord. Als de vrouw dan achter Jezus aan blijft roepen, zeggen de discipelen: "Laat ze van U, want zij roept ons na." Zij bedoelen daarmee, dat de Heer haar maar moet helpen om van haar los te komen. Jezus echter antwoordt, dat Hij uitsluitend gezonden is tot de Israëlieten. Dan valt de Kananese Hem in haar wanhoop te voet, met de woorden: "Here, help mij", en geeft Jezus dat bewogene, eveneens wanhopig klinkende bescheid, dat reeds bijna als een uitvlucht klinkt: "Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en de hondekens voor te werpen." Wat onmiddellijk aanleiding geeft tot het tegenwoord, dat aan deze moeder als bij ingeving geschonken wordt: "Ja, Here, doch de hondekens eten ook van de brokskens, die daar vallen van de tafel hunner heren." Door deze woorden wordt Jezus' onwil gebroken en geeft Hij zich gewonnen, zeggende: "O vrouw, groot is uw geloof: u geschiede gelijk gij wilt." En haar dochter werd op datzelfde ogenblik gezond. Met deze woordenstrijd tussen Jezus en de Kananese zijn wij in het hart van het Evangelie. En hier verliest Jezus het duel. Er staan door de evangelisten ook talrijke gesprekken geboekt, die Jezus hield met de Farizeeën en schriftgeleerden; met de godsdienstige leidslieden der Joden. Daarin is Hij zozeer de meerdere, dat niemand Hem tenslotte meer iets dorst vragen (Luk. 20 : 40). Maar hier is nu een heidense vrouw, een Kananitische, die Hem vangt in zijn eigen woorden; wat die anderen juist zo vaak tevergeefs hadden beproefd.

Niets kan ons zo goed duidelijk maken, wat een verschil het maakt of het gaat om de buitenkant van de waarheid of om de zaak zelve. God is wijs genoeg om onze wetenschap te beschamen (1 Kor. 1 : 19). Maar Hij weet soms niet wat Hij antwoorden moet aan degenen, die dag en nacht tot Hem roepen (Luk. 18 : 7). Dan kan Hij hen soms laten wachten, alsof Hij probeert er aan te ontkomen. "Laat mij gaan", zegt Hij dan. Maar als de bidder ⚑antwoordt:"Ik zal U niet laten gaan", dan geeft Hij toe en zegt: "Gij hebt u vorstelijk gedragen... en hebt overmocht" (Gen. 32).

Zo is de Vader van onze Here Jezus Christus. En dat Jezus is de Christus, de Zoon des levenden Gods (Matth. 16 : 16), daarvan is de geschiedenis uit onze perikoop, de ontmoeting met de Kananese, een overtuigend bewijs. Door zulke ervaringen heeft Petrus, wiens woorden ik zopas uit Matth. 16 aanhaalde, zijn belijdenis geleerd.

Wie de Christus zou zijn en of Hij Davids zoon zou wezen, daarover hebben de Farizeeërs ook met Jezus getwist. En het antwoord dat Jezus toen gaf, maakte juist dat niemand Hem meer iets durfde vragen (Matth. 22 : 41-46). Ofschoon zijn tegenpartij overwonnen was, overtuigde Hij hen toch niet. Deze vrouw echter, die Hem ook als 'Zone Davids' aanroept (vs. 22), had kennis aan de zaak. Zij gedroeg zich vorstelijk en wist hoe men met de Zone Gods moest omgaan. Zij wist de argumenten te vinden die Hem overmochten en ving Hem in zijn eigen rede. Zij overtuigde Hem van de zin en de betekenis van zijn eigen Evangelie. Zo deed deze Kananitische vrouw en zij werd geholpen.

Het Evangelie schijnt heel moeilijk te zijn en zwaar om te verstaan. Er zijn van die lastige vragen als van Davids zoon en Davids Heer, van Gods Zoon en Adams zoon (Matth. 1 en Luk. 3). Wij zagen reeds, hoe de Farizeeërs er met Jezus over twistten, en dat gaat nog altijd door. De antwoorden zijn niet altijd overtuigend en de hulp en de zegen blijven dikwijls uit. Wij gedragen ons als lastige disputanten en geven ons niet gemakkelijk gewonnen. Wij willen dat God ons zal overtuigen en wensen dat Hij daartoe hemel en aarde in beweging zal zetten. En dan spreken wij liefst nog tegen. Wij doen alsof God er belang bij heeft en bedroeven de Heilige Geest (Ef. 4 : 30).

Er is ook een kortere en een betere weg om tot het geloof in het Evangelie te komen. Dat is de weg van de Kananese vrouw. Zij doet andersom. Zij overtuigt de Zone Gods; zij overreedt Jezus. Zij laat Hem niet gaan. Haar geloof is zelf een bewijs, waarvoor God zwicht. Het komt tot uitdrukking in dat "Here, help mij" en in de redenen, waarmee zij Hem tot andere gedachten brengt. Zij leert Hem, hoe een Israëliet tegenover een Kanaäniet moet staan en Hij gedraagt zich daarnaar. Dan begrijpt Hij ook het "Zone Davids", dat Hij uit haar mond vernomen heeft.

Wie zo tot de Christus-belijdenis komt, heeft het niet moeilijk, uit welke nood zijn roep ook geboren wordt. Wat hij zeggen moet wordt hem evenals aan deze vrouw, in die ure gegeven. God heeft het moeilijk, als het Hem berouwen moet over zijn knechten (Deut. 32 : 36) en als Hij de conclusie moet trekken uit zijn eigen woorden en zijn eigen Zoon moet loslaten voor de wereld. Jezus' hulp aan de Kananese vrouw is daarvan een teken, als Hij Israël loslaat om een Kananitische te helpen.

Machtig en geweldig is het slot, het laatste woord van Jezus: "O vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt." In de schaduw van het "Uw wil geschiede" uit het Onze Vader staat ook dit woord van Jezus tot de Kananese. Het is het omgekeerde. Het staat ook in het Evangelie.

Deze God mogen wij aanbidden. Deze Vader, wiens wil geschiedt als het Hem berouwt, zodat Hij zijn Zoon geeft. Deze Zoon, die zich laat overreden en tot ons zegt: "U geschiede gelijk gij wilt." En deze Heilige Geest, die zulke sterke gebeden uit het mensenhart weet te persen, dat God zijn raad daarnaar verandert. - Gij zult geen andere goden voor zijn aangezicht hebben (Ex. 20 : 3).

Eindnoten

  1. 28

    Augustinus, Inchoata Expositio Epistolae ad Romanos, 13 (MPL. 35, 2096).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De bede om genadeGestalte en GeestOnderweg →