De gelijkenis van een heiden
Mattheüs 8 : 5-13
Er komen een paar plaatsen in de evangeliën voor, waar wij het heil der wereld als 't ware voor onze ogen zien ontstaan. Dat is hier het geval en in Mattheüs 15 : 21-28, waar verhaald wordt hoe Jezus het dochtertje van een heidense vrouw geneest. Om de overeenkomst duidelijk te zien, moet men wel, met de nieuwe en sommige andere vertalingen - zoals die in Tekst en uitleg39⌫ - en met Zahn's commentaar, in vers 7 een verwonderde vraag lezen met de nadruk op 'ik'.40⌫ Dit laatste wordt door de Griekse tekst ook zeer bepaald geëist. - Het verhaal loopt dan ongeveer zo. Een heiden, hoofdman over honderd, komt tot Jezus en deelt hem mee, dat zijn knecht thuis met hevige pijn te bed ligt en zich niet roeren of bewegen kan. In die mededeling ligt een onuitgesproken verzoek om hem te komen genezen. Dat het niet uitgesproken werd, wijst op het bestaan van bezwaren. Dat die er wel degelijk waren, blijkt ook uit hetzelfde verhaal bij Lukas (7 : 1-10). Daar neemt de hoofdman de Joden in de arm om Jezus over te halen. Alles wijst er op, dat het bezwaar hierin gelegen was, dat de man een heiden was, evenals in het andere verhaal - uit Mattheüs 15 - de hindernis lag in het feit, dat de vrouw een heidin was. - De volle zwaarte nu van dit beletsel komt uit, als wij in vers 7 een vraag lezen en Jezus horen zeggen: "Ik zou dus in uw huis moeten komen en hem daar genezen?" Dat was immers voor een Israëliet een onreine plaats!
Wanneer Jezus dat gezegd heeft, gebeurt het. Dan spreekt die heiden de geweldige woorden die door het hele Koninkrijk der hemelen klinken en dragen tot aan de einden der aarde. Woorden, waardoor de palen van dat Rijk worden verzet en het heil aan de heidenen gegeven. Woorden, waarvoor Jezus zwicht, zoals Hij dat ook gedaan heeft voor die van de Kananese vrouw. - De hoofdman geeft het bezwaar toe; hij weet het wel; hij is ook een beetje met de Joden. Hij heeft zelfs een synagoge voor hen gebouwd (Luk. 7 : 5). Deze soldaat zit hier gevangen in zijn eigen Joodse geloof. Hij is niet waard dat Jezus onder zijn dak komt; hij is maar een heiden. Maar Jezus kan er toch geen bezwaar tegen hebben, dat hij een korte gelijkenis spreekt. Dat doet Jezus toch zelf ook tegenover buitenstaanders (Matth. 13 : 11). Jezus neemt ze ook maar uit het profane, heidense leven: een tollenaar, een rentmeester. En toch zit daar iets in en achter van het Koninkrijk der hemelen. - Nu, laat hij zichzelf tot voorbeeld nemen; op één lijn dan maar met zo'n tollenaar en zo'n rentmeester. Hij zelf commandeert zijn manschappen. 'Kom!' zegt hij tegen de een en 'ga!' tegen de ander en 'doe dat!' tegen een derde, en dat gebeurt dan dadelijk. Zo gaat dat toe in het leger. Daar behoeft men niet binnen te komen bij z'n ondergeschikten. Men spreekt slechts een woord. Laat Jezus het ook doen. Als het volgens de Joodse wet niet kan, dan maar op die manier.
Zonder het te weten is de hoofdman hier ineens een groot theoloog. Hij verslaat Jezus op diens eigen terrein, dat van de gelijkenissen. En Jezus erkent zijn nederlaag. Hij doet wat de hoofdman wil. Hij spreekt het gevraagde woord en op datzelfde ogenblik wordt de dienstknecht genezen.
Een gelijkenis is een beroep van God op God. Van de kerk op het Koninkrijk. De kerk is ook van God, maar zij is niet als gevangenis bedoeld. Zij moet naar alle kanten open blijven liggen naar God toe. Er is geen waarheid, geen gewoonte, geen toestand, geen toekomst, waarvan dat niet geldt in de kerk. En om dat besef levend te houden, dienen de gelijkenissen. Jezus heeft er het Joodse geloof mee ontgrendeld. Naar alle zijden opende Hij daarin een venster naar God toe. Het Evangelie was wel hetzelfde geloof, maar met eindeloze perspectieven.
Vandaar de verbazing van de Heer, nu deze heiden dit middel ook op het Evangelie toepast. Dat schijnt gesloten te zijn voor een heiden. En nu opent deze man het ook met een korte gelijkenis naar die zijde. En als bij bliksemlicht ziet de Heer velen van oost en west aanzitten in het Koninkrijk der hemelen en de Joden buitengesloten (vs. 11 v.).
Het leven is geen gevangenis. Als de deur des heils niet draaien wil, moet men doen als Simson, die in een vijandige stad was opgesloten. De poort was gegrendeld. Toen greep hij de poort met de posten, rukte ze los en droeg ze op een berg (Richt. 16 : 1 vv.).