O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Eredienst en liefdedienstGestalte en GeestGod als gave →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 1: De vertolker van Gods gestalte · p. 365–367

De Geest op alle vlees

Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid.

Handelingen 6: 3 (Vert. NBG.)

Het eerste gedeelte van Handelingen 6 vertelt ons, hoe er in de Jeruzalemse gemeente klachten gehoord werden over de armenzorg voor de christenen, die uit het buitenland afkomstig waren. Dit waren van huis uit Grieks sprekende Joden, die hun Oude Testament in de Griekse vertaling lazen, in de Septuagint. Deze Joden hadden hun eigen synagogen te Jeruzalem. Degenen, die daaruit tot de christelijke broederschap overgingen, waren onder de Hebreeuwse christenen min of meer vreemdelingen en zij schijnen daardoor enigszins achtergestaan te hebben bij andere huisgenoten des geloofs.

Maar niet alleen hun taal gaf daartoe aanleiding, ook hun geloofsbelijdenis deed dat. Het verkeer in het buitenland en de lezing der schriften in de Griekse vertaling had op deze kringen een bijzonder stempel gezet. Hun voorstelling van God was minder mensvormig en hun kerkbegrip meer katholiek dan dat van de Hebreeuwse Joden. Zij wisten reeds wat Augustinus later zou zeggen, dat de kerk niet van één volk is. Er zat al iets van Paulus in hen.81

Wanneer deze mensen christenen werden, namen zij deze bijzonderheden mee in de gemeente. Na de belijdenis: Het Woord is vlees geworden legden zij bijzondere nadruk op die andere: De Geest is uitgestort op alle vlees. En dit zal in de eerste gemeente al vroeg enige spanning gegeven hebben.

Deze christenen klaagden nu over een zekere veronachtzaming, die hun ten deel viel bij de armenzorg, en de apostelen gingen op die klacht in en droegen aan de gemeente op, om te zien naar zeven mannen en deze aan de apostelen voor te stellen; de taak der apostelen zou daardoor verlicht worden. Aldus geschiedde en de apostelen legden hun de handen op. Volgens de kerkelijke overlevering, waaraan de reformatoren zich ook nog hebben gehouden, zouden dit de eerste diakenen zijn geweest. Hedendaagse uitleggers hebben met deze overlevering gebroken. Wat deze zeven mannen dan wel geweest zouden zijn, daarover bestaat veel verschil. Mij komt die veronderstelling het aannemelijkst voor, waarbij wordt aangenomen dat wij hier te doen hebben met een splitsing van het apostolaat en daarmee van de gemeente. De zeven mannen zouden dan een soort Griekse apostelen geweest zijn. Weliswaar met geringer gezag dan de Twaalve, maar toch ook in de eerste plaats met de opdracht om te leren. De verlichting van de taak der Twaalve bestond dan hierin, dat zij van de hele zorg voor de Griekse christenen ontheven waren.

Ons boezemt hier vooral belang in, welke betekenis deze splitsing heeft voor de Godsopenbaring, zoals die ons wordt medegedeeld in de Handelingen der Apostelen. En dan valt het ons al dadelijk op, dat voor de keuze dezer mannen de voorwaarde wordt gesteld, dat zij "vol van Geest en wijsheid" moeten zijn (vs. 3). Dat is een andere voorwaarde dan die, welke gesteld werd bij de keuze van een van de Twaalve. Deze moest getuige zijn van Jezus' opstanding (Hand. 1 : 22). Bij deze zeven wordt dat niet vereist. Wanneer zij ook apostelen zullen zijn, dan is dat een apostolaat van andere aard, dat geen inbreuk maakt op het twaalftal. Zij zullen de evangeliën niet voortzetten, maar er in zekere zin mee breken. Zij zullen apostelen zijn bij de gratie van de Heilige Geest. Laten wij - om helemaal duidelijk te zijn - zeggen, dat wij hier het apostolaat van Paulus zien geboren worden.

Dat de dingen zo staan, bewijst heel het beloop van de eerste twaalf hoofdstukken van de Handelingen der Apostelen. Daaraan is nooit voldoende aandacht geschonken. Men zou daarboven kunnen zetten: van Jeruzalem naar Antiochië. De eerste en de tweede helft van Lukas' tweede boek staan niet neutraal tegenover elkaar; er is voortgang van de eerste naar de tweede. Van Petrus naar Paulus. Van de getuigen der opstanding naar de getuigen van het staan ter rechterhand Gods (Hand. 7 : 56). Van de Twaalve naar de 'zeven mannen'. Van de twaalf stammen naar de zeven gemeenten, die de wereldkerk vertegenwoordigen (Openb. 1 : 4).

Wij hebben boven geschreven, dat de 'zeven mannen' apostelen zouden zijn geweest met geringer gezag. Zuiver historisch is dat ook het geval geweest. Men leze daarover Handelingen 8. Maar in de heilsgeschiedenis blijken de rollen zich om te keren. Paulus' apostolaat is van groter betekenis geweest dan dat van de Twaalve (1 Kor. 15 : 10).

Het geheim van deze voortgang ligt in Gods openbaring zelf. In de uitgang des Geestes uit de Vader en de Zoon. Als een protuberantie uit de zon, zo verlaat de Heilige Geest het goddelijk wezen. En dit nieuwe apostolaat van de zeven mannen vertoont de kenmerken er van dat het, in onderscheiding van dat der evangeliën, een apostolaat des Geestes is.

Stefanus, de eerste der zeven, wiens naam ons in het bijzonder bekend is met de bijstelling, dat hij vol des Heiligen Geestes was (Hand. 6 : 5; 6 : 8; 7 : 55), wordt ons in Handelingen 6 en 7 met opmerkelijke uitvoerigheid getekend als zulk een vuurvlam, waardoor in harde harten een opening werd gebrand voor de liefde van Christus. Eén van die harten was dat van Paulus.

Eindnoten

  1. 81

    Bij herhaling en in den brede in Civ. Dei, bijv. 10, 32 (CChrSL. 47,311 v.); 19,17 (CChrSL. 48, 685).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Eredienst en liefdedienstGestalte en GeestGod als gave →