Eredienst en liefdedienst
Gij hebt niet tegen de mensen gelogen, maar tegen God.
Handelingen 5 : 4 (Vert. NBG.)
Onze tekstwoorden staan in het bekende verhaal van Ananias en Saffira, waarin ons een indruk wordt bijgebracht van de sfeer der heiligheid, die heerste onder de eerste christenen. De Heilige Geest verbond hen tot zulk een volkomen gemeenschap, dat ook het onderscheid tussen rijk en arm bijna verdween. Calvijn, die het nemen van rente wel oorbaar vond, merkt op, dat de mensen niet alleen de rente van hun goederen gaven, maar ook die goederen zelf.80 Aan het slot van hoofdstuk 4 wordt er iemand met name genoemd, die zo handelde. Het was Barnabas, de latere metgezel van Paulus.
Daarop volgt dan dadelijk in ons teksthoofdstuk het relaas van de dood van het genoemde echtpaar. Zij wilden ook meedoen aan deze nieuwe offerdienst, waarbij de opbrengst van land of huis gebracht werd aan de voeten der apostelen (vs. 2). Door die handeling werd hun gave gewijd aan het "geestelijk huis", de tempel der christenen, waarin ook "geestelijke offers" werden gebracht (1 Petr. 2 : 5). Dat geestelijke of redelijke, zoals het ook wel genoemd wordt (Rom. 12 : 1), bestond hierin, dat het offer niet meer bloedig was. De gedachte, dat God zelf de gave nuttigde, was losgelaten. Voor Hem waren de armen in de plaats gekomen. Bona Dei, goederen Gods, heeft in de kerk steeds gelijk gestaan met bona pauperum, goederen der armen.
De betrekking van het offer tot God werd minder regelrecht, meer geestelijk. De eredienst werd tot liefdedienst. Het woord van Jezus, dat wat iemand aan één van zijn minste broeders had gedaan, als aan Hemzelf gedaan zou gelden (Matth. 25 : 40), was nu in toepassing gebracht.
Door deze verschuiving in de verhouding tot God bij offer en eredienst kwam het oordeel echter meer naar voren. Wat Jezus zegt op de zoëven aangehaalde plaats in het evangelie, komt dan ook voor in een rede over de wederkomst van Christus. In de eredienst wordt een zekere natuurlijke tegenwoordigheid van God aangenomen en wanneer christenen naar zulk een offerdienst, waarbij men God regelrecht iets kan aanbieden, gaan terugverlangen, stellen zij zich God altijd ook weer op de een of andere wijze voor met een praesentia realis, zoals de theologische term daarvoor luidt. Dwz. dat Hij aanwezig is, vooral ook met zijn Wezen, meer nog dan met zijn Woord. - In de liefdedienst, waarin men zijn gaven niet regelrecht aan God brengt, maar aan de naaste, staan de dingen anders. Als Gods goed het goed der armen heet, dan wil dat zeggen, dat God zich in zulk een dienst niet op de voorgrond stelt, maar zich terugtrekt. Degenen, die bij Christus' wederkomst aan zijn rechterhand mogen staan (Matth. 25), zullen ook niet weten, waaraan zij dat te danken hebben. Voor zover zij wisten, hebben zij aan de armen geofferd en niet Gode. Gods praesentia realis, zijn natuurlijke aanwezigheid, was daarbij naar het einde verschoven, naar het oordeel. Alleen de arme was in zulk een zin present.
Dit oordeel nu hangt als een nieuwe hemel boven de eerste christelijke gemeenten (Hand. 5 : 1 -11; 8 : 20). Onder het licht daarvan moeten wij onze perikoop lezen.
Akkers, die onder de oude bedéling aan God gewijd waren, mochten aan die wijding niet meer worden onttrokken, tenzij dan onder verzwarende voorwaarden (Lev. 27 : 19). Men moest er een vijfde van de waarde bijvoegen om ze terug te krijgen.
Ananias en Saffira nu dachten, dat de nieuwe offerdienst in de geestelijke tempel een mindere graad van heiligheid bezat dan die, welke Mozes had ingesteld. Zij hadden bij het brengen van hun gave niet dat gevoel van huivering voor de tegenwoordigheid van Gods wezen, dat de vrome Israëliet beving, als hij in de tempel iets bracht aan de voeten der priesters. Zij brachten die gave nu slechts aan de voeten van gewone visserslieden, een Petrus, Jakobus of Johannes. En zij deden dat op een heel gewone plaats, waar geen rook ten hemel steeg en geen wierook brandde. Zij dachten er niet aan, dat in deze nieuwe, eenvoudige dienst de wet van Mozes niet ontbonden, maar vervuld was. Zij dachten dat zij hier gerust iets aan de prijs van het verkochte goed konden onttrekken. Het gold de armen maar, en niet God. Zij dachten er niet aan, dat met de komst van de Heilige Geest, nadat ook Jezus na zijn natuurlijke tegenwoordigheid weer van de aarde was heengegaan, het leven geheel onder het oordeel was komen te staan. Dat liefdedienst nog heiliger is dan eredienst. Dat een leugen tegenover de armen in nog strikter zin een zonde tegen God is dan het onttrekken van een gave aan de tempel. Had Jezus niet reeds gezegd, dat de zorg voor ouders een hypotheek bleef op een wijding aan de tempel (Mark. 7 : 11 vv.)?
Aan dit alles dachten Ananias en Saffira niet. En zo kwam het dat zij probeerden de Heilige Geest te bedriegen, terwijl de zonde, wanneer zij direct tegen de Geest bedreven wordt, overal in de Schrift als de allerergste wordt genoemd (Matth. 12 : 32; Hand. 7 : 51). Toen daalde dan ook uit de hemel des oordeels boven de eerste christelijke gemeente het vuur neder en verteerde deze beiden. Een waarschuwing voor allen, die "de boze dag ver weg stellen" (Amos 6 : 3), omdat Christus na zijn hemelvaart, wat zijn koningschap betreft, lijkt op een mens, die "naar het buitenland" vertrokken is (Matth. 25 : 14).