De eerstelingen
Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin.
Romeinen 11 : 1 (Vert. NBG.)
Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg, en is de wortel heilig, dan ook de takken.
Romeinen 11 : 16 (Vert. NBG.)
Paulus heeft op twee plaatsen in zijn brieven zijn afstamming uit de stam Benjamin genoemd. Hier en in het derde hoofdstuk van zijn Brief aan de Filippenzen. Meestal wordt aangenomen dat dit hoofdstuk uit Rome zou zijn geschreven. Filippenzen 3 zou dan geschreven zijn na Romeinen 9-11. Ik kan dat niet aannemen. Hoe het precies geweest is weet ik niet. Maar het lijkt mij ondenkbaar dat de apostel, na het schrijven van zijn theodicee betreffende de Joden, iets gedicteerd zou hebben in de toon van Filippenzen 3. Dat doet meer denken aan de periode van de brief aan de Galaten.
In Filippenzen 3 dan schrijft Paulus dat hij, met meer andere Joodse verworvenheden, zijn afstamming uit Benjamin voor drek (St. V.) of vuilnis (Vert. NBG.) houdt. Men kan ook vertalen: nietswaardige rommel.
Maar in ons eerste tekstwoord doet zij dienst als bewijs, dat God zijn volk niet verstoten heeft. Zij heeft dus betekenis! Welke echter? Daarover moeten wij thans mediteren.
Welke waarde heeft deze uitspraak in de samenhang van de tegenstelling van vlees en Geest in Paulus' brief? En in verband met ons tweede tekstwoord?
Wat zijn daar die eerstelingen? Het beeld is ontleend aan het offer, waarbij een deel van het brood aan de tempel gewijd werd; al het andere was daardoor dan ook geheiligd. Het ligt voor de hand, en het verband van de tekst vraagt er om, daarbij te denken aan die Joden die - zoals Paulus het noemt - jaloers geworden zijn op de christenen en tot hen zijn overgegaan. Die eerstelingen uit de Joden waren dan het bewijs, dat God zijn volk niet verstoten had. Paulus was er zelf, volgens ons eerste tekstwoord, het voornaamste bewijs van. - Hier wijst alles dus voorwaarts, naar Christus en naar de heidenen.
De heerlijkheid van Paulus' bediening ligt dan voor hem daarin dat 'de tussenmuur, die scheiding maakte' tussen Israël en de heidenen, werd weggebroken, om "de twee tot één nieuwe mens om te scheppen" (Efesiërs 2 : 14 v.). Dit "geheimenis van Christus" was vroeger niet bekend, maar was "nu door de Geest geopenbaard aan de heiligen, zijn apostelen en profeten, dat de heidenen mede-erfgenamen zijn" (Efesiërs 3 : 4 vv.).
Tot zover levert het verband tussen ons eerste en ons tweede tekstwoord geen bezwaar op. Integendeel, het laatste zou vlak onder het eerste kunnen staan. De Israëliet en Benjaminiet Paulus is een apostel der heidenen geworden; welnu, hij en enkelen met hem zijn eerstelingen; het geheimenis van Christus is hun geopenbaard; ze zijn daardoor 'heiligen' te noemen. Maar in die heiliging der eerstelingen ligt de heiliging van heel Israël reeds besloten.
Dit alles is duidelijk en de brief aan de Efesiërs levert dan een treffende aanvulling van Romeinen 9-11. Paulus' theodicee is daarin tot rijpheid gekomen. - Maar nu bevat ons tweede tekstwoord nog een parallelle regel. Er staat ook nog iets in over de wortel en de takken. En daarmee begint nu de moeilijkheid. Omdat dit er bij staat, zwaaien de meeste uitleggers om naar Abraham, in plaats van dat zij op Christus blijven zien. Zij zeggen dan: Als de Joden de takken zijn, dan kan een enkele Benjaminiet toch niet de wortel genoemd worden? Sommigen maken de zwaai midden in de spreuk, anderen, meer consequent, veranderen de betekenis van dat eerstelingen nu ook in die zin. Er is één kerkvader, Origenes, die in omgekeerde zin consequent geweest is. Hij liet beide beelden op Christus slaan. Deze was de eersteling én de wortel van het nieuwe Israël, waarvan het geheimenis door de Geest was geopenbaard.98
Nu weet ik wel, dat degenen die heel of half naar Abraham omzwaaien, ook niet ongeestelijk willen zijn. Wij hebben in een vroegere meditatie Paulus horen zeggen, dat er tweeërlei afstamming van de aartsvaders is: naar het vlees en naar de belofte. Het Evangelie is een terugslag op de belofte en op de Wet, meer dan op de natuur. Paulus' universalisme is niet onhistorisch. Zijn tegenstelling van vlees en Geest is niet platonisch. Maar hij ziet toch het gevaar van dat letten op Abraham en op Mozes zo scherp, dat zijn evangelie een polemiek zou kunnen heten, juist in die richting. Dat was trouwens bij Johannes' de Doper en bij Jezus ook het geval (Matth. 3 : 9; Luk. 19 : 9). Calvijn heeft dat ook duidelijk gezien, toen hij bij de verklaring van ons tweede tekstwoord - waarbij hij ook op Abraham terugging - opmerkte, dat 'de waardigheid van het uitverkoren volk eigenlijk een bovennatuurlijk voorrecht is.99
Daarmee is de reformator niet zo ver meer van de door ons genoemde kerkvader af. Paulus kon ook van zijn heiden-apostolaat, van zijn pinkster-vertolking van het Evangelie, niet goed meer op Abraham terug. Hij moest voorwaarts tot het geheimenis van Christus, de éne nieuwe mens. Wat hij hier van Israël zegt is een randgedachte, een uiteindelijk perspectief. Hun aanneming zal leven-uit-de-doden zijn (Rom. 11 : 15). ⚑En God kon van Jezus' wonderbare geboorte, van de vleeswording des Woords, van het kruis en de opstanding, van de uitstorting van de Heilige Geest op alle vlees niet meer terug naar de roeping van Abraham uit de heidenen (Gen. 12 : 1). Jezus had nu Paulus gezonden naar de heidenen. En de Heilige Geest had hem daarbij geleid.