O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De tolkGestalte en GeestEredienst en liefdedienst →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 1: De vertolker van Gods gestalte · p. 361–363

De briefschrijver

Handelingen 2 : 1-4

Ongeveer een eeuw geleden heeft kardinaal Newman eens gezegd, dat, als er in de eerste christelijke eeuwen protestanten geweest mochten zijn, een zondvloed alle sporen van hun bestaan moet hebben uitgewist; want in de historie dier eeuwen viel niets omtrent hen te ontdekken.78 Hetzelfde had hij, met enigszins andere woorden, ook van de Heilige Geest kunnen zeggen. Tussen Jezus en de kerk blijft in de geschiedenis weinig aanwijsbare ruimte over voor de Heilige Geest. Men moet al met beslistheid de eigen betekenis van de Handelingen der Apostelen in de bijbel verdedigen en daarmede die van het apostolaat van Paulus, als men Pinksteren veilig wil stellen voor de zondvloed van Newman. Want de Geest Gods zweeft meer over de historie der herschepping, zoals Hij dat ook deed over de wateren bij de schepping (Gen. 1 :. 2), dan dat Hij als meespelende persoon daarin met de vinger zou zijn aan te wijzen.

Wie zich hiervan wil overtuigen, neme eens de volgende proef. Hij ga in de kerkgeschiedenis terug naar Jezus langs de lijnen van het episcopaat, de dogmatiek en de canoniek. Dit zal hem tot op zekere hoogte gelukken, als hij voor 't eerste aansluiting zoekt aan Petrus, de opziener, voor het tweede aan Johannes, de theoloog, en voor 't derde aan Jakobus, de canonicus der Jeruzalemse gemeente. Op die manier heeft hij dan, van de kerk uit, historisch contact gekregen met Jezus. Want Petrus en Johannes waren zijn leerlingen en Jakobus was zijn broeder. - Maar dan zal het hem ook opvallen, dat hij daarbij van Paulus, de apostel des Geestes, en van de Heilige Geest zelf zo weinig merkt. De eigenlijke inhoud van de Handelingen, nl. de uitstorting des Heiligen Geestes en het daardoor geschapen apostolaat van de apostel, die Jezus niet meer "naar het vlees" (2 Kor. 5 : 16) wilde kennen, blijft daarbij vrijwel terzijde. En wel omdat het er bij dat historisch bedrijf vooral om te doen is, de kerk meer regelrecht met Jezus te verbinden dan dat via Pinksteren en via Paulus mogelijk is. Stefanus en Paulus zien Jezus niet meer in de historie, maar aan de rechterhand Gods. En zij ontvangen hun evangelie voortaan niet van mensen (Gal. 1 : 12), ook niet van Petrus of Johannes of Jakobus, maar op de manier van Pinksteren, bij wijze van uitstorting, zoals Jezus het had gewild (Luk. 24 : 49). Dat de genoemde discipelen van Jezus daarbij niet geheel werden uitgeschakeld, spreekt voor iedere bijbellezer vanzelf. Maar door de uitstorting des Geestes krijgen hun overlevering en getuigenis haar heilshistorische vorm. De gestalte van deze materie wordt daardoor tot geest; want de tweede Adam is niet maar een levende ziel, maar een levendmakende geest. De vorm des Geestes, zoals wij die bij Paulus vinden, is voor gewoon historisch onderzoek minder bereikbaar.

Pinksteren nu is het feest van die levendmakende Geest en van de prediking die daaruit haar oorsprong neemt. En daarom moet het de kerk tenslotte te doen zijn. De epiclese, de aanroeping van de Geest, mag niet weer bedolven worden onder het opgegraven materiaal; ook niet onder het door mensen uit de evangeliën opgegraven materiaal. Want van de Heilige Geest zegt Jezus: Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen. Deze macht komt alleen de Geest toe. - Die epiclese, de pinksterroep, is echter in de kerk vaak op zeer ernstige wijze in het gedrang gekomen. Men construeerde zichzelf een kerk uit de evangeliën en vergat daarbij, dat zij in de Handelingen van boven nederdaalt, onvindbaar voor historisch onderzoek. Het protest daartegen is de waarheid van het protestantisme. De epiclese is het grote gebed van zijn kerken: O Geest, o Geest, breek door, breek door!

Onder het historische driemanschap van Petrus, Johannes en Jakobus in de eerste christelijke gemeente heerst een heel andere economie, een heel andere geestelijke verhouding dan onder de personen van de eeuwige drievuldigheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. Paulus rekent bovenal met die laatste. Wanneer hij de Heilige Geest naar Jezus vraagt, doet hij heel anders dan wanneer hij Johannes naar Petrus vraagt. En ook anders dan wanneer hij Petrus naar Jezus vraagt.

Er bestaat tussen de Zoon en de Geest geen historische overlevering en evenmin een opvolging. Misschien kan men volhouden, dat Petrus de opvolger van Jezus is in een zeer beperkte zin. Maar dan wete men, dat de Heilige Geest in die zin juist geen opvolger van Jezus is. De continuïteit tussen de evangeliën en de Handelingen sterk benadrukken, betekent een verloochening van de Heilige Geest. Tussen Hemelvaart en Pinksteren staat een donkere band in het spectrum der triniteit. Paulus, Augustinus en Luther hebben hem duidelijk zien staan. Daarom zijn protestanten niet te vinden in de vroegste tijden. En wie hier toch met alle geweld historisch wil wezen - Newman heeft het terecht gezegd - houdt op een protestant te zijn.79 Met Petrus en het episcopaat, Johannes en het dogma, Jakobus en de canones kan men misschien menen deze trinitarische afgrond te kunnen overbruggen. Met Paulus en zijn brieven blijkt dit uitgesloten. Daarvoor is het dictaat des Geestes te duidelijk. En het verschil tussen de evangeliën, waarin geen letter schrift van Jezus voorkomt, behalve dan die in het zand der vergetelheid (Joh. 8 : 6), - het verschil daarvan met de omstandigheid dat de Geest van Pinksteren het Nieuwe Testament met louter brieven vulde, is daartoe te groot.

Eindnoten

  1. 78

    J. H. Newman, A n Essay on Development oflChristian Doctrine (1845), ed. J. W. Cameron (Pelican Classics), p. 73: "l have elsewhere observed on this circumstance: 'So much must the Protestant grant that, if such a system of doctrine as he would now introduce ever existed in early times, it has been clean swept away as if by a deluge, suddenly, silently, and without memorial; by a deluge coming in a night, and utterly soaking, rotting, heaving up, and hurrying off every vestige of what it found in the Church, before cock-crowing. . (citaat uit Historical Sketches, dl. 1, Londen 18732 p. 418).↩

  2. 79

    Vgl. J. H. Newman, An Essay on Development of Christian Doctrine, ed. Longmans, p. 7 (= uit. 1878).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De tolkGestalte en GeestEredienst en liefdedienst →