O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← VastheidGestalte en GeestEen nachtgezicht →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 1: Gods gestalte · p. 251–253

Dageraad

Bekeert u, en gelooft het Evangelie.

Markus 1 : 15

De betekenis van ons leven wordt beter gekend uit datgene, wat het worden kan of worden moet, dan uit wat het is of geweest is. In dat opzicht zijn wij voor het Evangelie geschapen. Want het hoofdkenmerk van het Evangelie is ook juist, dat het met deze twee woorden kan worden gepredikt: het komt. Van het begin af, tot het einde toe; van de boodschap van de engel in de kerstnacht tot die van de engel bij de hemelvaart van Jezus (Hand. 1 : 11) is dat de zin van wat God op aarde laat bekendmaken. Wij leven niet uit een 'status quo', uit vastliggende omstandigheden. Onze kennis van God is niet natuurlijk van aard. Het wonder is 'het liefste kind van het geloof'.22 Het laat zich niet afleiden uit het bekende. Het komt, in de volle zin van het woord.

Dit karakter der prediking heeft Jezus vastgelegd, toen Hij de woorden sprak, die hierboven zijn weergegeven. Het is een program voor het leven in het Koninkrijk der hemelen. Het Evangelie heeft niets van een einde. Het is in geen enkel opzicht een nasleep van de dingen die wij ondervinden of ondervonden hebben. Hoe meer wij in een eindtijd schijnen te leven, des te meer zijn wij ingesteld op het Evangelie. Het Evangelie verkondigt een dageraad, een aanbrekende dag. Jezus zelf vergelijkt het daarmee, als Hij spreekt van de tekenen der tijden (Matth. 16 : 3) en als Hij deze vergelijkt met de tekenen des hemels, het morgen- en het avondrood. Zo zijn er ook aanwijzingen voor de komst van het koninkrijk Gods.

Iets bijzonder teers is er aan de dageraad. Eerst schept hij een vermoeden van licht, dan een zwakke schemering. Hij kleurt de kim eerst met een zacht rood, voor hij haar met zijn sterkere verven afzet. - En niet anders kondigt zich het Evangelie bij ons aan. Het maakt tere en zeer breekbare afspraken met ons, zoals Eliëzer, Abrams knecht, met God maakte. Als het meisje, dat hij bij de bron ontmoette, zou zeggen: "Drink, heer, en ik zal ook uw kemelen drenken", dan zou dat de voor Izak bestemde vrouw zijn (Gen. 24 : 14). Goethe maakt naar aanleiding daarvan ergens de opmerking, dat men niet verder komt in geestelijke dingen, als men op zulke aanwijzingen niet durft af te gaan.23 Voor Gods koninkrijk gelden vermoedens meer dan exacte bewijzen. Is de schemering geen voldoende aankondiging van het komende daglicht, of het teder-worden van de tak voor de lente (Mark. 13 : 28)? Behoort het voorgevoel (in de goede zin van het woord) ook niet tot de vermogens van onze geest? Moeten wij proberen te geloven met het meest ongelovige deel van onze ziel; dat deel, dat alleen zwicht voor harde feiten? Moeten wij dan met ons ongeloof geloven?

God heeft ons het Evangelie gegeven om te geloven. En dat Evangelie doet een beroep op onze hele geest, maar zeker niet het minst op dat deel daarvan, dat om een evangelie vraagt; dat daarop als 't ware is afgestemd. En ons geloof moet het ganse Evangelie aannemen, maar wederom zeker niet het minst die kanten daarvan, die om geloof vragen; die een ontvankelijke ziel vooronderstellen.

Dat zijn de zijden van de goddelijke boodschap, waarover wij Jezus zo gaarne en zo herhaaldelijk hoorden spreken, als Hij het rood van de kim en het tedere van de tak als beelden gebruikte voor de aard van Gods argumenten, waarmee Hij de komst van zijn Koninkrijk vertrouwd maakt aan de zielen. Tegenover de daadwerkelijkheid van een in de zonde naar haar einde zich wentelende wereld behouden die argumenten iets wat men, als men dat wil, futiel mag noemen. Het is nu eenmaal God, die ze gebruikt. Hij, die de doodsschaduw in morgenstond kan veranderen (Am. 5 : 8) en die geen sterke bewijzen van node heeft. Maar het Evangelie doet dan ook zijn intrede in de wereld met een onvergelijkelijke liefelijkheid. En zijn aankondiging is als die van een geheim, dat iemand zijn vriend in het oor fluistert (Psalm 25 : 14). ⚑Op die wijze is Jezus zijn werk en zijn prediking begonnen. Met een lichte insinuatie van een geheim en de bijna fluisterend gegeven raad om het te geloven. Wanneer Hij daaraan vooraf laat gaan een oproep tot bekering, dan wordt zijn prediking daardoor niet gewijzigd. Het "Bekeert u!" heeft dezelfde zin als het "Gelooft het Evangelie!". Het zijn de beide parallelle helften van één spreuk. De bekering schept niet de voorwaarden voor het geloof, maar bestaat uit de werkingen van het geloof zelf. Men moet ophouden met zijn hart te verpanden aan de klaarblijkelijkheden dezer wereld. Er zijn verborgenheden der godzaligheid (1 Tim. 3 : 16), die alleen door het geloof gekend worden.

De tekenspraak, die God houdt voor dat geloof, het Evangelie en de werkingen die daarachter schuilen, het Koninkrijk der hemelen, zijn openbaringen van die verborgenheden. Maar het zijn openbaringen, die overeenkomen met de aard van een verborgenheid. Om ze te verstaan moet men nuchter zijn en waken, zoals iemand die een dageraad ziet aanbreken. De ziel, die ze wil ontdekken, moet op een gerucht kunnen afgaan, zoals Jezus' discipelen; moet afspraken met God kunnen maken, als Eliëzer. Zij mag bij zichzelf het inwendig oor niet dichtstoppen, het oor waarmee men geheimen verneemt. Deze ziel mag zichzelf niet verharden tot een betweter Gods, maar moet haar tere kanten openhouden voor het vernemen van de ritselingen van Gods Geest en van zijn werk. Zij moet het dagen van zijn Koninkrijk leren bespieden en het kleurenspel aan de hemel van dat Koninkrijk.

Eindnoten

  1. 22

    Zie boven noot 17.↩

  2. 23

    Brief van 28 juli 1770 aan Augustin Trapp (Goethe's Briefe, Hamburger Ausgabe 1962, P.112) over mogelijke huwelijkskeuze: "Überhaupt ist dieses eine von denen Gelegenheiten, wo unsre Klugheit, Weisheit, Grübeley, oder Unglauben, wie Sie es nennen wollen, am wenigsten ausrichtet. Wer nicht wie Elieser mit völliger Resignation in seines Gottes überall einfliessende Weisheit, das Schicksal einer ganzen zukünftigen Welt dem Tränkken der Kameele überlassen kann der ist freylich übel dran, dem ist nicht zu helfen. Denn wie wollte dem zu rahten sein der sich von Gott nicht will rahten lassen."↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← VastheidGestalte en GeestEen nachtgezicht →