Een nachtgezicht
Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!
Markus 9: 24 (Vert. NBG.)
Onze tekstwoorden werden gesproken door de vader van een bezeten knaap, die Jezus' discipelen tevergeefs hadden proberen te helpen. Dan komt Jezus zelf er bij en de man vraagt Hem om hulp. Jezus antwoordt dat alle dingen mogelijk zijn voor degene, die gelooft en vraagt of hij dat geloof kan opbrengen. Daarop antwoordt de aangesprokene met de woorden die hierboven staan uitgeschreven.
Het eerste wat ons nu opvalt is, dat het geloof hier iets zeer persoonlijks betekent. De discipelen hebben niet kunnen helpen. De vraag is nu of Jezus het wel zal kunnen. De geloofsbelijdenis wordt dus tegelijk een belijdenis, dat Jezus de Christus is, zoals Petrus die kort te voren heeft afgelegd (Mark. 8 : 29). Het andere, waarop wij moeten letten, is de omstandigheid, dat Jezus, wanneer Hij deze knaap komt helpen, dat niet doet in de veranderde gedaante en de schitterende klederen van zijn verheerlijking op de berg (Mark. 9 : 2-8). Hij is alweer van de berg af. Hij doet het in de gestalte van een gering mens (Fil. 2 : 7). Hij heeft de lijdensweg betreden, waarover Hij met zijn discipelen (Mark. 8 : 31 vv.) en met Mozes en Elia (Luk. 9 : 31) gesproken had.
Wie Hem dus in die gedaante en op dat pad tegenkomt, moet wel geloof hebben. Het is aan Jezus niet te zien, hoe Hij tot God in zulk een bijzondere betrekking staat, dat Hij als de Christus moet beleden worden (Mark. 8 : 29). Hij zegt het ook tot Petrus, dat de hemelse Vader hem dat geopenbaard moet hebben. Vlees en bloed kunnen het niet gedaan hebben.
Dit geloof is een zeer persoonlijke zaak. Het is een soort herkenning. Eigenlijk is iedere kennis dat. Maar bij het geloof is dat helemaal het geval. Wij geloven geen dingen, maar wij geloven in God; dwz. wij ontdekken en herkennen Hem achter en in het Woord, dat wij horen, en de ervaringen, die wij maken. Het hele leven wordt dan tot een wonder.
En toch zegt die man uit onze tekstwoorden, dat Jezus zijn ongeloof te hulp moet komen. Hij gelooft, maar hij vraagt niet dat Jezus zijn geloof te hulp moge komen. Dat is heel opmerkelijk. Het hele materiaal van zijn geloof, alles wat hij daarin zijn eigen kan noemen, dat alles voelt hij als ongeloof aan. Hij heeft er als 't ware dadelijk berouw van, als hij het geloof genoemd heeft. Daarom vraagt hij: "Kom mijn ongeloof te hulp." De herkenning moet van Jezus' kant komen. Het geheim moet worden geopenbaard; niet zakelijk, maar persoonlijk. God moet in Jezus herkenbaar worden.
Zo zou het toch waar kunnen zijn - wat wij in onze vorige meditatie ontkenden - dat wij, paradoxaal gesproken, met ons ongeloof moeten geloven. Dat er anders niets van terecht komt. Dat het alles van de overzijde, van Gods kant gegeven moet worden. De herkenning zal dan een openbaring zijn. Onze vermoedens, onze voorgevoelens, onze ontvankelijkheid in 't algemeen, waaraan wij een zekere positieve waarde, een geloofsgehalte toekenden, zouden die betekenis dan verliezen.
Inderdaad doen zij dat, als het geloof strikt persoonlijk wordt. Zolang wij spreken over het Evangelie of over het koninkrijk Gods, kan er een zekere zakelijkheid blijven bestaan. Met name bij het laatste was dat in christelijke kringen soms heel sterk het geval. Men bedoelde daarmee dan allerlei belangen. Men sprak ook gaarne van een komende dageraad, die men voelde naderen. Zoiets is er inderdaad ook in het begin van de evangeliën, bij Jezus' eerste optreden, bij de roeping der discipelen, die op een gerucht afgingen. - Maar anders wordt het, wanneer de vraag in het middelpunt komt te staan, wie Jezus was. Als het gaat om zijn persoon. Om zijn Zoonschap Gods. Dan regeert het gerucht niet meer in de evangeliën, maar het geheim. Menselijke vermoedens, hoe ontvankelijk ook, zijn dan onvoldoende. Alleen goddelijke zekerheden geven hier uitsluitsel. ⚑Deze openbaring Gods is onlosmakelijk vervlochten met de aankondiging en de voltrekking van Jezus' lijden. Zij is er "de ganse tijd zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde" (Heid. Cat., vr. 37). Deze lijn loopt over Petrus' belijdenis met de daarop volgende aankondiging van Jezus' uitgang te Jeruzalem (Mark. 8); over de vraag van Kajafas of Hij de Christus is (Mark. 14 : 61) met het daarop volgende lijden zelf; zij loopt naar Golgotha, waar Jezus in het vierde kruiswoord zelf aan God vraagt of Hij werkelijk de Christus is (Mark. 15 : 34). Hier helpen geen vermoedens, maar alleen openbaringen. Steeds dieper wordt de gestaltenis der godheid ontledigd en verborgen in de vorm van een met ons lotgemeen mens, tot Jezus voor zichzelf onkenbaar wordt aan de kruispaal.
Wanneer de persoonsvraag zo met de laatste scherpte wordt gesteld, dan doet het Evangelie zich niet meer aan ons voor als een dageraad, maar als een nachtgezicht (Zach. 1 : 8). Alle heerlijkheid en schittering is bedekt en gedoofd. Jezus is van de berg zijner godheid nedergedaald. Niets verraadt meer zijn Zoonschap. Als Christus kan alleen nog diegene Hem herkennen, die met Hem hetzelfde vonnis ondergaat (Luk. 23 : 40). Ook het geloof heeft zijn glans verloren. Het is een vorm van ongeloof geworden.
Nochtans vindt de herkenning plaats. In de nacht van Gods liefde tot zondaren leert de kerk belijden, wat zij de godheid van Christus noemt.