O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← LankmoedigheidGestalte en GeestDe misdeelden →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 1: Gods gestalte · p. 291–293

Bezetenheid

Lukas 8 : 26-39

Onze perikoop bevat het verhaal van de genezing van een bezetene. Er komen meer dergelijke verhalen in de evangeliën voor; maar dit is toch wel het meest dramatische van alle. Het vertelt van een man uit het land der Gerasenen, die Jezus uit de stad tegemoet kwam. Hij was absoluut woest, had geen mantel meer aan en woonde in de graven. De bewaking had hem soms aan handen en voeten geboeid, omdat de boze geest hem meesleurde. Maar dan verbrak hij zijn banden en nam de geest hem toch mee. Toen Jezus zijn naam vroeg, kwam het antwoord in het meervoud. Vele geesten antwoordden, dat zij samen wel een legioen mochten heten. Zij vragen Jezus hen niet dadelijk ter helle te zenden, maar hun toe te staan eerst nog in een bij het meer Gennesareth weidende kudde zwijnen te varen. Jezus staat hun dat toe en zo ziet men deze dieren in woeste vaart naar een steilte rennen en vandaar af in het water tuimelen en verdrinken. - De zwijnenhoeders vluchtten bij deze openbaring van Jezus' macht, zoals later de wachters bij het graf op de paasmorgen. Ook zij gingen naar de stad om het te vertellen en de mensen kwamen om getuigen te zijn van dit ongewone gebeuren. Zij "vonden de mens, van wie de boze geesten uitgevaren waren, aan de voeten van Jezus zitten, gekleed en wél bij zijn verstand" (vs. 35). Van de demonische woestheid was niets meer over.

Deze taferelen brengen ons aan de grenzen van onze menselijkheid. Zij laten ons tegenstellingen zien, waarvoor wij terugdeinzen en die wij misschien niet binnen het rayon van ons bestaan wensen toe te laten. De goed geklede en wél bij zijn verstand zijnde burger van stad of dorp is er weinig op gesteld, toe te geven dat hij zulk een slordige en uitzinnige dubbelganger heeft, met wie hij niet slechts in een verwijderde betrekking staat, maar wiens trekken de keerzijde vertonen van zijn eigen existentie. Deze burger weet wel, dat hij blootstaat aan invloeden, die zijn geest en lichaam in schromelijke verwarring kunnen brengen. Maar hij is geneigd deze verwarring enkel als storing op te vatten. Dat zij een zekere zelfstandigheid zou kunnen hebben, zodat hij het, op een andere wijze dan hij gewend was, weer zelf zou zijn, maar nu als centrum van wanorde, dat wil er bij hem niet in. Hij durft het risico van zijn leven niet als absoluut op te vatten. Dat dit leven volkomen tragisch zou zijn, lijkt hem een overdrijving van evangelisten en treurspeldichters. Figuren als deze bezetene met de vele andere, waarvan de evangeliën verhalen, schuift hij daarom liever over de rand van de bladzijden dezer boeken. Zij passen niet in het beveiligde kader van zijn bestaan. Alleen op het toneel verdraagt hij ze en daar reageert hij de onlustgevoelens af, die hij in zijn werkelijk leven niet in ernst durft te nemen. Hij gaat kijken bij Shakespeare naar wat hij in de bijbel niet wil lezen. In onze perikoop wordt de bezetenheid in ernst genomen als een menselijke mogelijkheid. En men krijgt de indruk, dat deze mogelijkheid tijdens Jezus' omwandeling op aarde bijzonder naar voren kwam. Jezus ontmoet en geneest vele bezetenen. Er staat zelfs ergens dat Hij gekomen is om de werken des duivels te verbreken (1 Joh. 3 : 8). En op een andere plaats, dat Hij satan als een bliksem uit de hemel zag vallen (Luk. 10 : 18). De verzoekingen in de woestijn hebben een vervolg in het Evangelie. Er heeft daar een doorgaand duel plaats tussen Jezus en de vader der leugenen; Jezus ontrooft aan de duivel zijn vaten (Matth. 12 : 29). Men merkt deze scherpe verhouding ook uit de wijze waarop de bezetene uit ons tekstverhaal Jezus toespreekt. De duivelen uit de evangeliën kennen Jezus; zij geloven in Hem, maar zij sidderen (Jak. 2 : 19). Zij belijden Hem ook als de Christus (Luk. 8 : 28), maar zij vragen uitstel van executie. Zo staan er dan twee complete mensen tegenover elkaar, die elk een mogelijkheid van onze bestemming uitmaken. De bezetene in ons evangelie is een vreselijke verschijning. Maar de bijzonderheden, die er aan hem zijn op te merken, vertonen ook een goede samenhang.

Dat ongekleed gaan en dat wonen in de graven passen bij elkaar. Ook die ongewone kracht hoort er bij. Er is toch ook weer een zekere orde in deze wanorde, al is zij van andere aard. De fysionomie van de dissolute Catharina van Rusland, zoals Lavater die in zijn Gelaatkunde heeft opgenomen,44⌫ is óók die van een vrouw, evenzeer als die van een heilige Elisabeth van Thüringen.45⌫ En de kop van een Messalina46⌫ kan men tegenover een Madonnabeeld plaatsen. Uit een oogpunt van menselijkheid boeit de volmaakte wanorde zelfs meer dan de orde. De tragische mens trekt de volle aandacht. Wie King Lear gaat zien, is het niet om een storing te doen, maar om een mens. En de raadselachtige Hamlet, die de beheerste storing zou kunnen voorstellen, is toch veel meer dan dat. Ofschoon er een absolute wanorde tegen de wanden van zijn existentie drukt en die druk aan Shakespeare - had hij in onze tijd geleefd - aanleiding zou hebben gegeven tot een vergelijking met de atoomsplitsing, toch zoekt men in deze, telkens op het onverwachtst exploderende figuur altijd weerjuist de mens. En meer dan dat: men zoekt in Hamlet de absolute mens.

Hetzelfde zien wij in het Evangelie. Wanneer het tragisch gebeuren plaats heeft en Jezus met de duivelen speelt, met een mens als inzet, dan loopt de hele stad uit. Maar als de bezetene dan aan Jezus' voeten blijkt te zitten, gekleed en wél bij zijn verstand, dan gaan ze naar huis en zij vragen Jezus om het ook te doen. En Jezus zendt de genezene, die Hem wil volgen, ook naar huis.

Neen werkelijk, er bestaat wel degelijk tweeërlei mens. Eén die, zoals Luther het uitdrukt, door de duivel en een ander, die door God bereden wordt.47 Er is ook tweeërlei orde en de ene is meer dan een storing van de andere.

Wij hebben in de oorlog beleefd, hoe een strenge orde de grootste wanorde kan betekenen. Zij was meer dan een storing. Deze wanorde had een zelfstandig bestaan. Zij vormde een eigen soort. Men spreekt de laatste tijd veel over een ontmythologisering van het Evangelie. Alweer onvermoeid op Duitse instigatie. Ik hoor Mefisto al schaterlachen. Hij weet dat er dan voor één duivel zeven in de plaats komen. Romanschrijvers weten dat blijkbaar beter dan theologen. Thomas Mann heeft in zijn Doktor Faustus de Hit-Ier-periode in de geschiedenis van Duitsland als bezetenheid getekend. Als een grotesk geval van demonische 'Schweinerei'.48

Eindnoten

  1. 44

    Vgl.J.C.Lavater, Physiognomische Fragmente zur Beförderung derMenschenkenntnis und Menschenliebe, Leipzig en Winterthur 1777, herdr. Zürich 1969, di. 3, p. 323 v. Lavater (1741-1801), predikant te Zürich en in zijn tijd beroemd vanwege zijn fysiognomische studies, vindt Catharina's portret enerzijds nauwelijks in adeldom te overtreffen, anderzijds is er "im Effekt der beweglichen Gesichtsteile" "ein Nebel einer gewissen Unanständigkeit und kindischen Blödigkeit" in op te merken.↩

  2. 45

    Elisabeth van Thüringen (1207-1231), dochter van koning Andreas II van Hongarije, heilig verklaard in 1235, is bekend geworden door de gestrengheid en overdadigheid van haar ascese (zij stierf tengevolge daarvan reeds op 24-jarige leeftijd) en door haar werken van barmhartigheid (armenhuis en hospitaal te Marburg).↩

  3. 46

    Messalina (24-48) was de derde gemalin van keizer Claudius en berucht om haar onzedelijke en brutale levenswijze. Zij werd terechtgesteld, na openlijk in het huwelijk getreden te zijn met een van haar gunstelingen.↩

  4. 47

    In De servo arbitrio, WA. 18, 635: "Sic humana voluntas in medio posita est, een iumentum, si insederit Deus, vult et vadit, quo vult Deus, ut Psalmus dicit: ... Si insederit Satan, vult et vadit, quo vult Satan, nec est in eius arbitrio ad utrum sessorem currere aut eum quaerere, sed ipsi sessores certant ob ipsum obtinendum et possidendum."↩

  5. 48

    In deze roman, begonnen in 1943 en verschenen in 1947, schildert Thomas Mann de lotgevallen van de componist Adrian Leverkühn. In het op het Faust-thema opgebouwde boek wordt de tegenwoordige tijd als het einde van kunst en cultuur getekend. Tegelijkertijd wordt ook de problematiek van Duitsland in zijn relatie tot de wereld en de geschiedenis behandeld; de levensgang van Adrian Leverkühn wordt - vooral in de tweede helft van het boek - steeds weer tot beeld van het bovenpersoonlijke 'Schicksal' van het aan de nationaal-socialistische demonie vervallen Duitsland.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← LankmoedigheidGestalte en GeestDe misdeelden →