O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← AfscheidGestalte en GeestWaar blijft Gods koninkrijk →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 2: De getuigen van Gods gestalte · p. 343–344

Beneden en boven

En Hij leidde hen naar buiten tot bij Bethanië en Hij hief de handen omhoog en zegende hen. En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde. En zij keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap en zij waren voortdurend in de tempel, lovende God.

Lukas 24 : 50-53 (vert. NBG.)

Het slot van Lukas' eerste boek heeft, als hemelvaarts-verkondiging, iets vóór boven het begin van zijn tweede boek. Dat laatste is een samenvattende herhaling van het overgeleverde omtrent Jezus' verschijnen en verscheiden na de opstanding. Het vormt een inleiding op het pinksterevangelie en mist daardoor de felle onmiddellijkheid, die het slot van het evangelie kenmerkt. De omtrekken van de figuren zijn er vager en de schilderij draagt niet zulke heldere kleuren als in Lukas 24.

Onze tekstwoorden, die hierboven staan uitgeschreven, geven, in aansluiting aan wat er in dat hoofdstuk voorafgaat, veel duidelijker te zien, dat de hemelvaart het slot is van het evangelie. Het hoort nog helemaal bij dat evangelie en wordt met dezelfde levendigheid verhaald als al het andere.

Dezelfde ongetemperde haast is er in. De vier verhalen uit Lukas 24, van de vrouwen, de Emmaüsgangers, de Elve en de Olijfberg, grijpen in elkaar en het ene is een vervolg op het andere. Plaats voor tussenruimte is er niet. In dit hoofdstuk toont het evangelie een duidelijke versnelling naar het einde. Tweemaal gaat een verschijning over in een verscheiden, de laatste maal definitief.

De opstanding van Jezus gaat hier vrijwel zonder onderbreking over in de hemelvaart. Deze beide vormen eigenlijk één gebeuren. De hemelvaart heeft plaats in de vorm van een verschijning. Jezus spreekt een zegen uit, en terwijl Hij dat doet verdwijnt Hij (Luk. 24 : 30 v.; 24 : 51). Er bestaat in het evangelie van Lukas tussen de verschijningen en de hemelvaart geen principieel verschil. - Zo wordt het ook duidelijk, waarom er slechts één hoofdstuk (afgezien van het toevoegsel aan Johannes) aan de verschijningen gewijd is. Het eigenlijke Evangelie, de vervulling van wet en profeten, was uit, toen Jezus riep: Het is volbracht! en toen Hij zijn geest in de handen des Vaders aanbeval (Luk. 23 : 46). Het laatste hoofdstuk bevat het grote daarom des Vaders (Fil. 2 : 9): de verhoging op grond van de vernedering. In dat laatste hoofdstuk zien wij Jezus op weg naar de plaats, die de Vader Hem gegeven heeft aan zijn rechterhand. Daar ontvangt Hij alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28 : 18). Zijn regering door Woord en Geest neemt daar een aanvang.

Dit laatste wordt ook op treffende wijze in ons tekstevangelie tot uiting gebracht. Toen Hij van hen scheidde - zo lezen wij daar - keerden de discipelen met grote blijdschap naar Jeruzalem terug en zij waren voortdurend in de tempel, lovende God. Er is geen spoor van droefheid bij dit scheiden. Het is het slot van een evangelie, van de openbaring van een komende Koning. Aan het einde daarvan gaat de Koning zitten op zijn troon en zijn dienaren verheugen zich daarin.

In het licht van deze dingen moet het ons wel bevreemden, dat Jezus' hemelvaart dikwijls zo overwegend aanleiding gegeven heeft tot geografische belangstelling. Op soortgelijke wijze als het ledige graf dat deed op Pasen. Hier, bij de hemelvaart, zou dan alles moeten afhangen van de vraag of Jezus van de aarde af kon komen. Zijn zitten aan de rechterhand der majesteit Gods, zijn hebben van alle macht in hemel en op aarde, in die alomvattende zin, zoals de kerk die belijdt, wordt daarbij tot een vraag uit de wiskunstige aardrijkskunde. Men brengt een geloofsartikel terug tot een ruimtelijke aangelegenheid. - Wel bezit ieder geloofsartikel ook zulk een dimensie. Bij onze zaligheid komt ook beneden en boven te pas. Wij zijn beperkte wezens en wij zouden God niet kennen, als Hij in den beginne niet de hemel en de aarde geschapen had. Niet alleen het scheppingsverhaal uit Genesis, maar ook de schepping zelve is een accommodatie aan de mens. Dat de dingen woorden Gods zijn en boven zich uit wijzen, behoort tot het ABC van wat een christen nodig heeft te weten. De bijbel is er vol van en Augustinus en Calvijn hielden er op elke bladzijde van hun geschriften rekening mee. Ook de modernste antropologie en psychologie beginnen de betekenis van onze beperktheid voor wat ik in dit verband nu maar dadelijk onze geloofskennis zal noemen, weer in te zien.

Zonder onderscheidingen als beneden en boven, ledig en niet ledig, zouden wij van Jezus en van God ook niets weten. Ons geloof leeft mede door deze accommodatie. Wanneer wij de transcendentale vaten, waarin God zijn genadige openbaring gegoten heeft, stukstoten, gaat de hele diepte zijner wijsheid voor ons teloor.

Pas wanneer het geloof in aanschouwen zal overgaan, kan de kruik bij de bron verbrijzeld worden (Pred. 12 : 6).

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← AfscheidGestalte en GeestWaar blijft Gods koninkrijk →