O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← PredestinatieInhoudDocta ignorantia →

Verzamelde Werken, deel 2 · p. 135–150

Geloven op gezag1

Met het verstand begrijpen wij de dingen, maar geloven doen we op gezag. Dat is een oudchristelijke gedachte, door Augustinus uitgesproken2 en later door de grote leermeesters der middeneeuwen, de scholastieken, op formule gebracht. Ons allen is het bijeenbehoren van geloof en gezag bijzonder eigen geworden, doordat wij de beide begrippen verenigd bezitten in de uitdrukking: geloven op gezag.

Dat wil echter niet zeggen, dat wij met deze oudchristelijke gedachte op goede voet leven. Wij staan daarmee zelfs op zeer gespannen voet. De uitdrukking klinkt velen totaal ouderwets. Zodat, als men er gebruik van maakt, men goed doet te beginnen met verschoning te vragen. - In allerlei kringen kan men die ervaring opdoen. Het is bijv. een feit, dat onder de jongere generatie der modernen allerlei oudchristelijke uitdrukkingen en formules, die men vroeger als totaal versleten over boord wierp, weer genade beginnen te vinden. Maar met geloven op gezag is dat niet het geval. Wel zal men geen bezwaar maken tegen een onderscheiding van geloven en weten, maar om die onderscheiding op de scholastieke formule te brengen, daartegen zal men opkomen. In elk geval zou men de uitdrukking, voor men ze toeliet, nog heel lang in quarantaine willen houden, om te verhinderen, dat gevaarlijke smetten mee ingevoerd werden.

Iets dergelijks kan men opmerken ook daar, waar men nooit ontwend is geraakt aan bijbelse uitdrukkingen en kerkelijke terminologie. Laten we zeggen: in ethische kringen of wil men liever: kringen, waar de synthese tussen christendom en cultuur wordt gezocht. Of nog voorzichtiger - want ook de modernen zoeken die beide te verenigen - de synthese tussen kerkelijk christendom en cultuur. Daar heeft men over 't algemeen toch minder bezwaar tegen gedachten-verbindingen uit het woordenboek van Paulus of Augustinus of Thomas Aquinas. En toch zal men in vele gevallen evenzeer in verzet komen tegen een aanmaning om op gezag te geloven. Zodat de uitdrukking eigenlijk alleen gangbaar is in roomse kringen, waar de kerk, en in conservatief-protestantse kringen, waar de Schrift het bedoelde gezag uitoefent.

Er moet een reden voor zijn, dat deze uitdrukking in zo wijde kring aan de circulatie werd onttrokken. Er zal een fout achter moeten schuilen. Waarschijnlijk zal dat wel, na aftrek van alle bijkomstigheden, een zedelijke fout blijken te zijn. Wanneer wij nu eens een ogenblik alle theologische en filosofische kwesties, die hierbij ter sprake gebracht worden, vergeten en eens niet denken aan de manier waarop de mensen het opnemen, wanneer geloven op gezag genoemd wordt, dan moeten we zelf toch wel een beetje verwonderd zijn, dat we daar zo'n bezwaar tegen hebben. Want die tegenzin kan toch niets anders betekenen dan dat we menen alles zelf te weten. Wat we tegen het autoriteitsgeloof hebben is precies dit, dat we niet graag iets aannemen omdat een ander't zegt. - Wat we daartegen inbrengen is meestal van theoretische aard. Het ligt op het terrein van de kennisleer. Wij zeggen: dat kan niet. Wat een ander weet, dat kunnen we niet aannemen, als we 't zelf niet eerst ook weten. - Maar achter die theoretische bezwaren schuilt toch eigenlijk een zedelijke moeilijkheid. Wij hebben moeite, buitengewoon veel moeite, om in zake van kennis gezag te erkennen. Overal elders gaat ons dat beter af dan hier. Zo kan men niet zeggen, dat in moreel opzicht onze tijd zo onbuigzaam is. Niettegenstaande alle geroep over vrijheid is de morele ruggegraat van ons geslacht niet bijzonder stevig. Een Napoleon zou het misschien gemakkelijker hebben dan men denkt. Des te meer - want dat houdt verband - laten wij ons voortaan op onze intellectuele onafhankelijkheidszin. Dat is bepaald onze trots geworden, dat wij hier generlei gezag, van welke aard ook, dulden.

Er is vaak gezegd, dat hierin juist de voortreffelijkheid van het protestantisme bestaat. Dat dit ons in geloofszaken geheel zelfstandig heeft gemaakt door aan alle gezag gedaan te geven. Ik geloof niet, dat dit helemaal juist is. Wanneer wij de mate van zelfstandigheid, die het protestantisme heeft gekweekt, moreel en intellectueel, vergelijken, dan komt het mij voor, dat, in de bloeitijd, de morele de roem dezer beweging moet heten. Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen; deze gespierde moraliteit heeft de republiek der Nederlanden doen opkomen, het Engelse puritanisme bezield en de 'Pilgrim fathers' naar de nieuwe wereld gedreven.3 Dit moet onze roem blijven. Ik wil daarmee niets afdoen van de intellectuele emancipatie, die er mee gepaard ging, maar deze is achterna langzamer tot stand gekomen en houdt verband met de eerste. Wij moeten er op bedacht zijn, dat onwillekeurig de verhouding gemakkelijk kan omkeren en onze verstandelijke vrijheidszin de leiding nemen. Wanneer onze verstandelijke onafhankelijkheid sneller toeneemt dan onze morele zelfstandigheid, dan groeit ze uit haar morele kleren. Er is weinig wat onaangenamer gevolgen heeft. Voor alle tijden heeft Psalm 14 de dwaas, de zedelijke doeniet getekend, die z'n neus omhoog steekt en, pas droog achter de oren, de bewering lanceert, dat er geen God is.

Ook wanneer iemand het niet zo bont maakt, dan zal toch in allerlei graad de wanverhouding tussen wandel en weten, morele en intellectuele ontwikkeling, ons opvallen. Ook in ons land hebben wij er zwaar onder geleden. Men kan dit een uit z'n evenwicht geraakt protestantisme noemen, dat zedelijk gemakkelijk buigt voor allerlei, ook minderwaardig gezag, maar verstandelijk te trots is om zelfs van het beste ook maar 't geringste te aanvaarden. Wie zegt ons toch, dat wij verstandelijk zo zelfstandig geschapen zijn, dat wij niet nodig hebben veel van wat wij moeten weten van anderen aan te nemen? Klinkt de bewering, dat we alles zelf weten, niet buitengewoon hoogmoedig?

Wanneer wij de zaak zo voorstellen, zijn we echter niet helemaal billijk. Wanneer we er niet meer van zeiden, maakten we ons er te gemakkelijk af. Wij voelen nu wel, dat er een zedelijke fout achter kan schuilen, maar deze fout loopt toch gewoonlijk niet op zulk open terrein, dat men haar zó gemakkelijk onder schot krijgt. - Wij zullen gewoonlijk opmerken, dat we ons volstrekt niet verbeelden alles te weten. Wij beginnen alvast met allerlei van anderen over te nemen. Ook stellen we ons niet voor, dat we daar ooit geheel buiten zullen kunnen. Maar dit zit er toch vast bij ons in, dat die kennis van een ander eerst ook de onze moet worden, voor de zaak in orde is. We verlangen dat het gezag uitgeschakeld wordt. Wij hebben in geloofszaken niets tegen een voorlopige onderhorigheid; wij kennen daaraan pedagogische waarde toe; maar wij gaan er op uit om die factor er weer uit te werken; hem te elimineren. Heel anders dan in het zedelijk leven, waar wij de noodzakelijkheid van blijvende autoriteit erkennen. - En zo zijn we niet tevreden, voor wij toch weer van die ander, dat wil zoveel zeggen als het gezag, af zijn en het weer zelf weten.

Men behoeft maar weinig aan theologie gedaan te hebben om te weten, hoeveel moeite de godgeleerden zich in deze richting gegeven hebben. Daaraan is een eerbiedwaardige arbeid besteed. Op allerlei manieren is geprobeerd om dingen die, of omdat ze boven ons begrip uitgaan of omdat ze historisch aan ons begrip vooraf gingen, buiten ons bereik vallen, daarmee toch zo in verbinding te brengen, dat we menen, dat we er zelf achter gekomen zijn. De theologen hebben daarbij meestal gebruik gemaakt van de arbeid der filosofen. - In de filosofie is Kant de grote profeet van dit getemperde zelf-weten. Kant was tot de ontdekking gekomen, dat de wijsbegeerte zijner dagen aan verstandelijke hoogmoed leed. Hij kon er zich niet in vinden, dat de 'natuurlijke theologie', de theologie des verstands, zomaar bij de hoogste dingen kon. Daartoe was de vroomheid van het gezin, waarin deze denker was opgegroeid, te diep geweest. Hij wist van jongsaf, dat er wat achter de dingen zit. En hij voelde, dat het verwaand was, wanneer vele van zijn tijdgenoten zeiden: wij zijn er achter. Hij wist, dat de indrukken, die hij van die dingen ontvangen had, daarvoor veel te geheimzinnig waren. Dat zijn verstand, dat zich in scherpte met elk ander meten kon, daartoe ontoereikend was. En daarom riep hij zijn tijdgenoten toe, dat zij er niet achter waren, maar dat er iets anders achter de dingen zat. De hoogste dingen waren niet onze begrippen en onze kennis, maar hadden een eigen raadselachtig bestaan.4

Hier hebben wij dus duidelijk de tempering van het zelf-alles-weten. Deze tempering kan men in de meest algemene vorm op deze formule brengen: niet ik, maar iets anders. En daarin zit, hoe men het wenden wil of keren, ook voor de kennisleer een gezagselement. Ons kenvermogen wordt hier afgebroken en het raadselachtige van het voorwerp onzer aandacht en daarmede de behoefte aan openbaring en gezag vergroot. - Kant is daarbij zakelijk gebleven. Hij heeft gesproken van een 'ding'. De achtergrond van zijn wereld is weinig persoonlijk. Heel anders dan de achtergrond der christelijke theologie. - Dat alles bij Kant zo zakelijk blijft, komt in de eerste plaats hiervandaan, dat hij filosoof was. Filosofie blijft altijd iets anders dan theologie en behandelt de dingen abstracter. Maar dan ook staat het in verband met het feit, dat Kants kennisleer bijna uitsluitend aan de natuur georiënteerd is. De historie komt nauwelijks in aanmerking. En zo krijgt alles een strak en zakelijk aanzien. - Dat had wel anders gekund. Later hebben ook filosofen en niet alleen theologen veel meer met de historie leren rekenen. Nu Kant dit niet deed, kwamen de vragen, waarmee wij ons hier bezig houden, niet geheel tot hun recht. Want de kwesties van openbaring en gezag behoren thuis in de persoonlijke en historische wereld. Zolang het blijft 'iets anders' en niet 'een ander', blijven we zelf toch eigenlijk heer en meester van het terrein.

Zodoende heeft Kant de overmoedige gedachte, dat wij zelf alles kunnen weten, slechts getemperd. Een eigenlijk gezag van een ander treedt ook bij hem niet op. Voor de 'theoretische rede' stelt hij de 'praktische rede' in de plaats; derhalve blijft het de rede. Deze rede is bij hem wel veel bescheidener geworden. Het wordt een half verstandelijk, half zedelijk vermogen, waardoor wij de hoogste voorwerpen onzer kennis poneren. Dit is evenzeer en haast nog meer een daad van moed dan van inzicht. Maar wij zelf blijven toch uitgangspunt en de afleiding van die kennis, wanneer men ze wil narekenen, moet altijd van ons uitgaan. Kant vindt het niet bepaald noodzakelijk dat men ze kan narekenen (demonstrieren), maar deed men het, dan zou men dat van het subject uit moeten doen.

Zoals Kant nu in de filosofie naast onze ouderwetse rede een praktische rede gezet heeft, zo heeft men in de theologie naast ons gewone oordeel een waarderings-oordeel geplaatst. De bedoeling daarvan was, de eigenaardigheid van onze godsdienstige kennis te laten uitkomen tegenover de wetenschappelijke. Het religieuze leven heeft nogal eens last ondervonden van de wetenschap en de theologen probeerden daartegen maatregelen te nemen. Ze wezen aan, dat met name de hogere goederen niet bepaald door het koele, ongeïnteresseerde verstand ontdekt behoeven te worden, maar dat deze het best gekend worden door mensen, die er veel belang in stellen en er ook belang bij hebben. Zij trachtten de mannen der wetenschap, die alle geïnteresseerd-zijn-bij-de-zaak verdacht vonden met het oog op eerlijke waarheidszin, er van te overtuigen, dat deze belangstelling en dit er-belang-bij-hebben niet alleen niet schadelijk waren voor het godsdienstig kenvermogen, maar dat het daardoor juist levend en gezond gehouden werd. Dat een mens niet alleen verstand heeft, maar ook gevoel en wil en dat die beide laatsten bij het zoeken naar waarheid evengoed mee mochten spreken als het verstand. Dat het onderscheid tussen wetenschappelijke en godsdienstige waarheid juist hierin bestond, dat de eerste meer zaak van het verstand, de tweede van gevoel en wil was. En dat het volstrekt niet bewezen was, dat het emotionele denken, zoals men het noemde, voor het vinden van waarheid minder geschikt was dan het koele denken.

Ook hier werd dus de intellectuele hoogmoed bestraft en aangetoond, dat ons verstand niet overal bij kan. Wanneer wij echter deze bemoeiingen der theologen vergelijken met wat de filosoof Kant deed, dan valt het ons op, dat de wijsgeer in de tempering van het wetenschappelijk zelfbewustzijn verder ging dan de godgeleerden. Wel verleggen beiden op overeenkomstige wijze de functie van het zoeken van godsdienstig-zedelijke waarheid naar de praktische of emotionele zijde van het geestesleven, maar bij Kant draagt de op die wijze verkregen kennis minder het karakter van weten dan bij de theologen. Beiden gaan er op uit om tegenover de aanmatigingen van het verstand op te komen voor gemoedelijke en zedelijke overtuigingen. Maar bij Kant blijft er tussen ons en de hoogste dingen een donkere streep, waar geen geschapen licht doorheen dringt. De theologen echter, die met hun waarderingsoordeel juist de bedoeling hadden om voor het godsdienstig kennen, tegenover het gewone oordeel, toch een soort oordeel te redden, trachtten aannemelijk te maken, dat, al kunnen wij met ons verstand niet bij de hoogste goederen, wij er toch met de emotionele zijde van ons wezen wel bij kunnen. Bij Kant is daarom meer ruimte voor het verlangen naar openbaring en gezag dan bij bedoelde godgeleerden. En het is wel merkwaardig op te merken, dat de nieuwere theologie op dit punt verder van Augustinus en Thomas Aquinas afstond dan de nieuwere filosofie.

Trouwens, de theologen hadden het ook moeilijker. Zij konden niet zo zakelijk blijven als Kant. Wanneer Kant op het hoogtepunt van zijn verstandelijke deemoed erkent, dat er iets verborgens achter de dingen schuilt, dat zelfstandig, buiten ons begrip staat; derhalve, in absolute zin, iets anders dan wij, dan kunnen de godgeleerden daarbij niet blijven staan. Zij zeggen, dat er een ander, een persoon, achter de historie staat. Dat al onze kennismiddelen onvoldoende zijn om daarheen door te dringen. Dat de laatste geheimen door die Ander geweten worden en dat er dus wel ruimte overblijft voor zoiets als openbaring en geloven op gezag. - De nieuwere theologie heeft daar over't algemeen niet toe kunnen komen. Zij bleef al maar in touw om onze godsdienstige kennis als een soort weten te rechtvaardigen en voelde niet dat ze daarbij haar machtigste motieven verspeelde. - Zij kon er niet toe komen om op religieus terrein, dit gebied van de diepste deemoed, nu ook royaalweg de Ander de eerste plaats in te ruimen. Zij zag niet, welk een machtig theologisch beginsel er in schuilt om niet alleen toe te geven, maar ook luide uit te roepen, dat in de historie, als in het daarvoor geschapen medium, brokken hogere kennis zweven, die, onverteerbaar voor onze kennis, schijnen te behoren tot een hoger synthetisch geheel, dat boven onze gezichtskring ligt en waarvan de logica ons ontgaat. Stukken waarheid, die, als ten hemelvenster uitgeworpen, ons de smaak geven van hoger leven.

Zo zijn wij voor onze religieuze kennis bijna absoluut autonoom geworden. Wij menen het zelf te weten.

Het ligt niet in mijn bedoeling hiermee een verwijt te richten tot een of andere kring. Dergelijke verwijterij schijnt mij bijzonder onvruchtbaar. Ook wens ik niet toe te geven, dat kringen, waar de formule: geloven op gezag nog in ere is, daarom de andere vooruit zijn. Met een formule is men er nog niet. Ik heb niet de indruk, dat men in conservatief-kerkelijke kring steeds geneigd is te verklaren: een ander weet het. Integendeel krijgt men daar vaak de indruk, dat men vrij sterk het gevoel heeft, het zelf te weten. Dan pas, als er een intellectuele deemoed geboren is, zoals die in de Confessiones van Augustinus zo sterk uitkomt,5 pas dan merkt men, met meer dan een formule te doen te hebben. Er zullen overal-aanwezige, zedelijke factoren werkzaam moeten zijn, die ons het boven aangewezen streven in de theologie verklaren. Factoren, waarvan niemand kan zeggen, dat hij er niet mee te maken heeft.

Dat dit werkelijk het geval is, kunnen wij in breder samen hang aanwijzen. Ik herinner er aan, dat we uitgingen van de onderscheiding tussen geloven en weten bij Augustinus en de Scholastiek. Daartegenover bleek bij ons een zekere tegenzin te bestaan om geloof op gezag te doen berusten, zoals de oude theologie dat deed. Onze beschouwingen hadden de neiging om van geloven een soort wetenschap te maken. Een emotioneel weten of hoe men het noemen wil, tegenover het koele weten; maar toch een weten door eigen middelen en eigen vermogens - Wanneer we ons nu aan de korte formule houden: geloven gebeurt op gezag en weten met het verstand, dan lijkt het of 't enkel tegen het gezag gaat. Er zit echter meer achter. Wij merken dat, zodra wij de kerkelijke formule tot bijbelse lengte uitrekken. Deze langere vorm vinden we in Romeinen 10. Paulus zegt daar, dat we om te kunnen geloven eerst moeten horen (vs. 14 v.). Dat gehoor is door het woord. En geen woord zonder een prediker. Tenslotte geen prediker zonder Zender; dat is zonder gezag.

Voor ons doel is deze opsomming reeds daarom bijzonder leerzaam, omdat zij gelegenheid geeft op te merken, hoe duidelijk de geloofskennis hier van de andere kant komt. Zij gaat niet van ons Uit, maar komt naar ons toe. Hier hebben wij, zo duidelijk als men maar wil, de Ander: de Zender. En nog eens de ander: de prediker. - Maar waar het ons eigenlijk om te doen was, dat is te laten zien, dat we niet alleen onze moeite hebben met het laatste, het gezag, maar met al de termen van de reeks. Waardoor dan nog duidelijker kan worden, dat het niet maar een theologische kwestie is, maar een algemeen-zedelijke. Wij hebben niet alleen een crisis in de religieuze kennisleer, een soort rebellie tegen gezag, maar ook een crisis in de christelijke prediking. Dat die crisis bestaat, merkt tegenwoordig iedereen. De gemeenteleden merken het en de predikanten merken het. Er wordt reeds zo veel over gesproken en geschreven, dat ik er hier niet lang bij zal stilstaan. Ook tegen de prediking dus bestaan bezwaren of laten we, om billijk te blijven, zeggen: tegen de prediker. Juist tegen de prediker; de ander in geloofszaken.

Hiermee zijn we echter nog niet tot de volle breedte van dit zedelijk verschijnsel gekomen. Paulus' reeks noemt ook 'het woord'. Niet alleen de prediking heeft het hard te verduren, maar ook het woord in meer algemene zin deelt in de crisis.

De misère daarvan wordt ook buiten de kerkelijke kring gevoeld. De vraag of het toneel een plaats in de zedelijke opvoeding moet bekleden, laat ik hier rusten. Maar zeker is, dat het betere toneel die bedoeling heeft. En juist ook dat betere toneel beleeft moeilijke dagen. Niet alleen zitten de mensen niet graag uren in de kerk, maar evenmin uren in de schouwburg. In de meest algemene zin beleeft het woord een depreciatie.

Men zou kunnen spreken van een exhibitionisme niet alleen in de mode, maar in het zedelijk leven in't algemeen. De opgang van de bioscoop is niet een op zich zelf staand verschijnsel. Tegenover het oog komt het oor achterop.

Deze depreciatie van het woord is uit een cultuur-oogpunt lang niet zonder betekenis. Reeds dadelijk als we cultuur nemen in de zin van gewone beschaafdheid, valt dit op. Hoeveel mensen zijn er nog, die de allerbeleefdste aller beleefdheidsvormen, de kunst van het luisteren verstaan? Die fijne wellevendheid om de ander de eerste plaats te geven in het gesprek en die positie van de ander door eigen houding nog te accentuerend Dit gebrek aan beschaving verraadt ons weer de zedelijke fout, die er achter dat ongeduld in het horen schuilt. Het is de onuitgesproken gedachte: ik weet het zelf wel.

Ditzelfde geldt, als we cultuur in een meer algemene betekenis nemen. Vroegere geslachten hebben ongetwijfeld beter de geheimen van de menselijke stem gekend. De stem is het klank geworden innerlijke van de mens. Wij geven ons niet altijd de tijd en hebben vaak te weinig geduld om dit innerlijke te beluisteren. - Ook hiermee hangen verschuivingen in de samenleving samen, en dit ligt in de lijn van de vermindering van de betekenis van woord en gezag. Ernest Legouvé,6 Frans moralist uit de eerste helft der negentiende eeuw, maakt er in een aardig opstel over 'aristocratische en democratische beleefdheid' opmerkzaam op, dat de latere tijd in de samenleving de oudere vrouw heeft onttroond, die vroeger het gezelschapsleven in sterkere mate beheerste. Ook dit verschijnsel, dat we niet te sterk kunnen ontkennen, geeft te denken. De oudere vrouw oefent meer dan door haar uiterlijk door haar innerlijk, door haar stem, door haar conversatie invloed uit. De uiterlijke attractie wordt daarbij in een innerlijke omgezet, die het karakter van geestelijk gezag kan aannemen.

Het oor oefent een geestelijken functie uit dan het oog. En een beschaving, waarin het laatste het eerste buiten werking gaat stellen, is bezig zich te verwijderen van het Evangelie, waarin aan de ziel als het innerlijke, tegenover de wereld als het uiterlijke, eeuwige waarde wordt toegekend. Miskenning van het woord, in elke vorm, schaadt de heiliging van de innerlijke mens.

Wanneer we derhalve weigeren geloof met gezag te verbinden, komen we niet alleen in conflict met een enkel woord uit een kerkelijke formule, maar met alle hoofdbegrippen, die in de oudchristelijke gedachte met geloof corresponderen. En daarbij blijkt ons, dat niet enkel filosofische of theologische bezwaren de oorzaak der moeilijkheid zijn, maar een algemene zedelijke gesteldheid van onze tijd. Daarom mogen we het niet aan enkele groepen of richtingen aanwrijven, waarbij andere vrijuit zouden gaan. Een gravamen tegen een hoofdbegrip van het christelijk denken heeft zijn vertakkingen door het gehele leven.

Wij moeten thans, om zo te zeggen, naar de overzijde van ons onderwerp oversteken. Wij houden ons nu voorlopig niet langer bezig met zedelijke fouten en verstandelijke bezwaren, maar willen trachten meer positief de uitoefening van gezag in geloofszaken te benaderen. Men veroorlove mij daartoe een uitweiding, maar die bijzonder geschikt is mijn bedoeling te verduidelijken.

Het eigenaardige van geestelijke stromingen kan men verreweg 't best waarnemen bij de grote beginners. Voor ons is Descartes bijzonder belangrijk. Deze heeft, waarschijnlijk in 1629, enige regels met toelichting opgesteld, om leiding te geven bij exacte studie. Deze regels vormen een schitterende lectuur en het is een genot de fijne en secure beweging van een groot intellect daarin te volgen. Als wetenschappelijke eis stelt de filosoof in de derde regel op, dat wij niet moeten zoeken wat anderen hebben gemeend of wat wij zelf vermoeden, maar wat wij ze helder kunnen inzien. Men moet de ouden wel lezen, maar 't is gevaarlijk. Ze spreken elkaar tegen. En al waren ze 't allen eens, dan was het nog niet voldoende. Want dan zou het wezen alsof we geen wetenschap hadden geleerd, maar geschiedenissen, verhalen. Conjecturen mogen we in ons oordeel niet mengen.a7

In deze prachtige regel voor exacte studie vallen ons drie dingen op: ten eerste, dat het zelf-alles-weten zo krachtig geëist wordt tegenover de mededeling van anderen; ten tweede, dat het afgaan op anderer woord en gezag goed genoeg, maar ook nodig wordt geacht voor historische kennis; ten derde, dat deze historische kennis geringschattend conjecturale kennis wordt genoemd. - Ik leg de vinger op het tweede. Voor historische kennis hebben wij volgens Descartes de ouden nodig; dat wil zeggen: gezag. De wijsgeer heeft met deze oudere muze niet veel op. Bij niemand is misschien de geschiedenis zozeer in minachting geweest als bij hem. - De zaak staat hier nog zuiver. De vader der nieuwere wijsbegeerte, die zich welbewust van de Scholastiek afkeert, weet nog zeer goed, dat er tweeërlei terrein van kennis is. Een terrein, waar men autoriteiten niet missen kan en een ander, waar ze hinderlijk zijn. Dat hij het niet de moeite waard acht zich met het eerste bezig te houden, doet er niet toe. Dat lag aan het epoque-makende van zijn optreden. Wij constateren enkel, dat hij beide naast elkaar duidelijk ziet afgebakend. Hij ziet de historische en de exacte methode tegen elkaar over staan. - Het geweldig elan, waarmee hij baanbreker werd voor de natuurwetenschap, maakt, dat hij historisch weten niet kan waarderen en geen kennis iets waard acht, waarbij gezag optreedt en het woord een aanzienlijke rol speelt. Dit is hém niet kwalijk te nemen. Zelfs Renan, die het beter kon weten, schreef nog in 1890 een artikel, waarin hij de historische wetenschappen betitelde als kleine conjecturale wetenschapjes, die altijd weer ineenzijgen nadat men ze opgebouwd heeft en die men binnen honderd jaar zal verwaarlozen.8 Nu is, nadat de eenzijdigheid van het rationalisme is geluwd, de historische kennis wel weer veel meer in ere gekomen. Meer dan ooit te voren zelfs is de geschiedenis beoefend en is er over haar wezen gefilosofeerd. In het bijzonder is ook op het historisch karakter van het christendom de nadruk gelegd. Men heeft weer ontdekt, dat het een heel ander ding is, wanneer we onze godsdienstige ideeën uit de overlevering aannemen dan wanneer wij ze zelf vormen. Men heeft er een zekere 'Ahnung' van, dat het verschil tussen beide principieel is en dat een godsdienstige idee gebonden is aan historische overlevering en buiten haar evenmin kan bestaan als een vis buiten 't water. De 'natuurlijke theologie' heeft vrijwel afgedaan.

Dit alles is gebeurd. En zo staan we er heel anders voor dan Descartes en zijn tijdgenoten. Maar toch ben ik er niet zeker van, of wij even helder het wezen van historische kennis inzien als deze wijsgeer. Onze afkeer van gezag in geloofszaken maakt dit zeer twijfelachtig. Voor Descartes zou de erkenning van het historisch karakter van enig terrein van kennis direct geleid hebben tot de erkentenis, dat men daar met gezag te rekenen had. - Inmiddels heeft echter de exacte methode zeer sterk ingewerkt ook daar, waar ze niet bruikbaar is. Het is nu mogelijk, dat zelfs theologen menen op te komen voor historisch christendom, terwijl ze toch in werkelijkheid de exacte methode toepassen. Daarvan kan ik mij moeilijk duidelijker voorbeeld denken dan het geval van de godsdiensthistoricus Tiele. Deze hoorde ik eens op een college zeggen, dat, wanneer iemand van Abraham Kuenen gezegd had: "He is nothing if not critical", hij (Tiele) van zichzelf kon zeggen: "l am nothing if not historical."9 En juist deze historicus formuleerde z'n befaamde wetten van de godsdienst, die nu reeds als geheel onhistorisch weer terzijde zijn gelegd.

Intussen zijn we met het voorbeeld-Tiele niet geheel op de hoogte van onze tijd. Ik noemde het slechts, omdat het zo frappant is. Wij zijn nu in de gelukkige conditie van te kunnen zeggen, dat men begint het eigen karakter van historische kennis weer te ontdekken. De vlegeljaren der historische kritiek zijn gepasseerd en daarmede de eigenaardigheid van deze leeftijd, dat men weinig eerbied heeft voor wat anderen zeggen. Overal komt weer meer de overlevering in ere, in gewijde en in ongewijde geschiedenis. En daarmede wordt dan aan autoriteit weer groter plaats ingeruimd. Bij historische studie is geloven op gezag een toenemende factor.

Dit is op zich zelf reeds een zeer belangrijk verschijnsel. Het werkt mede om onze geest weer meer receptief te maken en leert ons, dat het nodig is anderen en ouderen behoorlijk aan het woord te laten, zonder hen al te spoedig en telkens in de rede te vallen of met onze kritische opmerkingen de indruk van hun verhaal te bederven. Ik kies met opzet mijn woorden zo, omdat we vaak, wat we in het gezelschapsleven als fouten hebben leren zien, geheel schijnen vergeten te zijn, zodra we ons begeven in het gezelschap der grote autoriteiten der wereldhistorie. Van Darwin wordt verteld, dat hij als jongmens in staat was goede muziek te horen, maar dat zijn geforceerde natuurstudie dit vermogen in hem heeft vernietigdb. Wij moeten er voor waken, dat onze kritische zin ons het vermogen niet ontrooft om goede historie te horen. Hoe goed historische kritiek ook moge zijn, zij zou dan haar doel voorbijgeschoten zijn.

Het is de moeite waard om deze vermeerdering van historische piëteit op te merken. Het zou intussen nog meer waard zijn, wanneer deze houding ook filosofisch en theologisch was vastgelegd. Wanneer ook hier, ik zeg nu niet gehele overeenstemming met, maar toenadering tot de oudchristelijke gedachte was aan te wijzen. Het zou van grote betekenis zijn, wanneer wij ons goed rekenschap gaven van de wijze waarop wij onze historische kennis verkrijgen. Misschien bleek het dan, dat de oude formule niet geheel ongelijk had.

Zover zijn we intussen nog niet. Wel is er een geheel nieuwe filosofie der geschiedenis aan het woord gekomen. Heinrich Rickert heeft in zijn werk over De grenzen van de natuurwetenschappelijke begripsvorming een onderzoek ingesteld om te ontdekken, hoe geschiedenis logisch in elkaar zit.c10 Men kan gerust zeggen, dat daarbij de historie aan de natuurwetenschappelijke methode onttrokken is. Historie blijkt heel anders van samenstelling te zijn. Zij wordt geregeerd door een heel andere logica die nog beschreven zou moeten worden. Aan de hand van deze beschouwingen van Rickert kan ieder gemakkelijk leren inzien, welke fouten men moet maken, als men in de geschiedenis op de zelfde wijze als in de natuur de causaalnexus, de nexus rerum gaat eisen. Dat had Matthias Claudius al goed begrepen, toen hij schreef, dat God zo nu en dan, als Simson de deuren van Gaza, de hele nexus rerum op zijn rug neemtd.

Ik zal op deze filosofie hier verder niet ingaan. Alleen wijs ik er op, wat voor onze gedachtengang van belang is, dat volgens deze nieuwere opvatting historische samenhang ontstaat op een wijze, die precies het omgekeerde is van de manier, waarop natuurwetenschappen gevormd worden. Deze laatsten ontstaan door het zoeken van het algemene: de wetten. Het cement der historie is het individuele. Wij zoeken daar het bijzondere, wat voor ons om de een of andere reden waarde heeft.

Ook al gingen we nu met geen enkel woord verder hierop in, dan hadden we toch reeds een merkwaardig resultaat. Hier staat de historie als geheel van kennis diametraal tegen de natuurwetenschap over. Ze is, uit kennisoogpunt, het omgekeerde. Dit brengt ons dus reeds een heel eind in de richting van de kerkelijke formule, die ook een krasse tegenstelling maakt tussen historische en andere kennis. Laten we even nagaan, hoe ver reeds. Bij Descartes was de historie in minachting omdat hij nog goed zag, dat ze erkenning van autoriteit eist. Kant verwaarloosde de kennisleer der historie. Van de daardoor geschapen anarchie op dit terrein was het gevolg, dat de natuurwetenschappelijke methode ook dit gebied trachtte te annexeren. Thans is daaraan een eind gekomen en worden de fouten duidelijk aangewezen. Historische kennis begint weer haar eigen karakter te tonen en dadelijk blijkt als eerste eigenschap, dat ze vlak tegenover het exacte weten staat. Ze bestaat logisch precies omgekeerd. - Het is wel merkwaardig, dat de oudchristelijke gedachte weer tot zover gelijk heeft gekregen. Verder gaat echter de toenadering nog niet. Ook voor de historie blijft bij Rickert de kennislijn van ons uitgaan. Het beginsel voor de eenheid der historie ligt in ons. Dat deze filosofie daarmee nog tegen de oude opvatting over staat, merkt ook Troeltsch op in een opstel over Moderne Geschichtsphilosophie. Hij zegt dat Rickert allerlei theorieën bespreekt, maar de meest verbreide populaire theorie niet, "nämlich die Theologische, welche die Normen durch geschichtlich streng isolierte göttliche Offenbarung festlegt ...; die Wissenschaft rechnet mit dieser, gerade durch die kritische Historie aufgelösten Theorie nicht mehr."e - Deze opmerking komt ons hier goed te pas. Zij constateert de afstand tussen deze wijsbegeerte en de oud-kerkelijke gedachte. Een theorie voor intellectuele piëteit, laat staan voor intellectuele deemoed, is hier nog niet gegeven.

Voor de theologie valt het minder gemakkelijk de stand van zaken op te nemen. Het theoretische en het praktische zitten hier meer dooreen en zo is de verwarring groter. Mensen, die theoretisch het waarheidsgehalte van het christendom op waarderingsoordelen doen rusten, gebruiken in de praktijk ook de oude openbaringstheorie en laten daarmee de waarheid onmiddellijk van de overzijde komen. Dit geldt bijna van het gehele theologische terrein. De uitdrukking: 'openbaring Gods in Jezus Christus' zal ook door het merendeel der moderne theologen worden gebruikt. En nu kan men wel zeggen dat zo'n uitdrukking cum grano salis moet worden opgevat, maar ik ben overtuigd, dat hier bestanddelen van antiek-christelijk besef aanwezig zijn, die door de moderne kennisleer niet worden verklaard. Ook modernen aanvaarden waarheid, die hun historisch toekomt, historisch in de ouderwetse zin van het woord. Ook hun is niet alles wat zij aannemen evident. Ook hun intellect buigt meermalen voor autoriteit.

Deze verwarring op theologisch gebied bereikt haar toppunt, wanneer een historisch feit tevens een heilswaarheid inhoudt, zoals bijv. de opstanding van Christus. Zolang die ideële inhoud, als bij de verzoening door het sterven van Christus, van het feit kan worden losgemaakt, valt het minder op. Maar bij de opstanding komt het historische op de voorgrond. En hier zijn nu juist allerlei pogingen gewaagd om de geschiedenis zo evident te maken, dat we geen gezag zouden behoeven, omdat we 't zelf wel weten. Men heeft zijn best gedaan om ons duidelijk te maken, hoe wij die opstanding nu nog geestelijk beleven en daardoor zelf getuigen zijn van het historisch feit. De opstanding in zedelijke zin wordt daarbij de hoeksteen, waarop de opstanding in historische zin rust. Ik denk er niet aan om dit theologisch werk als onvruchtbaar te verwerpen. Het heeft gediend om ons een meer levend besef van geschiedenis bij te brengen. Maar toch ben ik steeds meer overtuigd, dat daarmee geen bevredigende oplossing is gebracht. Wanneer ons zedelijk leven een soort telescoop is, waarmede wij op grote afstand getuigen zijn van historische feiten, dan hebben wij strikt genomen geen getuigen meer van node. Het historische wordt dan geheel door het zedelijke geabsorbeerd en daarin schuilt een fout. Wanneer het verstand het eindoordeel velt over feiten uit de geschiedenis, dan zijn we het er thans allen over eens, dat dit ontoelaatbaar is en we noemen het rationalisme. Maar wanneer het emotioneel gedeelte van ons geestesleven hetzelfde doet, dan mogen we ons wel afvragen, met welk recht dit geschiedt.

Wat we reeds vroeger opmerkten geldt ook hier: dat het ten opzichte van de hoofdzaak, waar het om gaat, geen verschil maakt of wij met een verstandelijk of een emotioneel oordeel het voorwerp onzer belangstelling naderen. De kwestie is hier, of wij ze of een ander hoogste autoriteit zijn. En in dit opzicht geloof ik, dat de nieuwere theologie evenmin als de nieuwere filosofie aan het wezen der historie nog volkomen recht heeft gedaan. Wel heeft in de wetenschappelijke praktijk de overlevering in de theologie veel meer te zeggen gekregen, vooral ook nadat de stenen gesproken hebben. De overmoed der historisch-kritische hypothesen is aanmerkelijk geluwd. Maar een kloeke theorie, die ons leert, dat in de geschiedenis onze toestemming op heel andere wijze gevraagd wordt dan in de exacte wetenschap, en waarbij 'openbaring' en 'gezag' tot hun recht komen, ontbreekt nog.

Zo blijven 'oud 'en 'nieuw' tegen elkaar over staan. In de filosofie gaapt de klove al bijzonder wijd. Enerzijds de boven aangeduide theorieën en anderzijds de filosofie van Thomas Aquinas aan de roomse scholen. In de theologie is nauwelijks minder verwijdering op te merken. Wel is er veel meer persoonlijk contact, maar geestelijk is ook deze klove moeilijk te overbruggend Aan de ene kant de oude kerkelijke formules over openbaring en gezag; in de meeste gevallen zonder de daarmee corresponderende piëteit en deemoed bij de religieuze kennis. Vaak begeleid van een sterk geprononceerd besef van het zelf en alleen te weten, zodat men het recht meent te hebben ongeveer ieder voor zijn rechterstoel te trekken. En aan de andere zijde tracht men, bij lager dunk van eigen zekerheid tot aan de grenzen van scepticisme, in zijn theorie juist de autonomie van het religieuze weten op de troon te zetten. Men is daar pas dan tevreden, wanneer als een paal boven water staat, dat wij zelf bij de hoogste dingen kunnen en dat een ander ons, althans in laatste instantie, niets kan bijbrengen.

Hier kan alleen een oplossing voorbereid worden, wanneer wij de aard van historische kennis weer zo nuchter gaan beschouwen als Descartes dat deed. Het is het succes der natuurwetenschappen geweest, dat ons voor de andere terreinen des levens naijverig heeft gemaakt op de daar verkregen nauwkeurigheid, zodat wij alles, wat ons niet door wetenschappelijk inzicht maar op gezag van een ander toekomt, met Descartes als conjectuur zijn gaan beschouwen. En om nu toch te kunnen concurreren met exacte kennis heeft men voor de historische kennis met alle geweld al deze zgn. conjecturale bestanddelen, deze gezagselementen trachten uit te zuiveren. - Op die wijze worden met name de religieuze partijen van ons weten, die zo sterk historisch overgeleverd worden, nog meer dan om andere redenen nodig was, in onrust gebracht. In de theologie is het nu al lang alles kennisleer wat de klok slaat. Die wordt in andere wetenschappen ook wel behandeld, maar nergens is de onevenredigheid tussen methodische voorbereiding en verkregen resultaat zo ongunstig als in de theologie. De stof onzer godsdienstige kennis en de kennisleer die men haar poogt op te dringen passen niet bij elkaar.

De gedachte dat kennis, die wij van een ander ontvangen, daarom conjecturaal moet zijn in vergelijking met wat wij uit eigen ervaring weten, moeten wij van ons af zetten. Zoals in het gewone leven een te sterke eenzaamheid ons nerveus maakt, zodat wij de dingen niet meer in het rechte licht zien, zo hebben wij ook in hoger geestelijke sfeer nodig, de stem van anderen te horen. En dat niet alleen voor afleiding, maar zeer bepaald om ons geestelijk neer te zetten en rustig en vast van overtuiging te maken. In 't bijzonder hebben wij nodig daar onze meerderen aan te treffen, die het beter weten dan wij. Autoriteit, ook op het gebied van geestelijke kennis, is een weldaad. En gezag is hier, wel verre van alles onzeker en conjecturaal te maken, beslist nodig om tot afsluiting te komen. Het is een bestanddeel van kennisleer, waarmede weer ernst gemaakt zal moeten worden.

In de praktijk is daaraan ook nooit te ontkomen. Wij mogen, bij historisch weten, de autoriteiten tegen elkaar afwegen, wij moeten toch eindigen met een keus te doen en gezag te laten gelden. Bij de hyperkritiek in de geschiedenis is voldoende gebleken, hoe ver men buiten de werkelijkheid kan raken, als men van deze regel afwijkt en, onafhankelijk van autoriteiten, geschiedenis gaat construeren. Het gaat hier precies als in de politiek. Of men hoog springt of laag: gezag moet er wezen. Werpt men de witte tsaar van de troon dan klimt de rode er op. Dat is een eigenschap van zedelijk leven. En wanneer onze kennis op hoger levensgebied meer gelijkenis vertoont met het zedelijk leven dan de exacte kennis, dan is dat een aanwijzing van haar hogere rang. - Want dit valt niet te ontkennen, dat geloven op gezag zedelijke factoren insluit. Daarbij wordt echter het verstand niet min of meer op non-activiteit gesteld, zoals de theorie der waarderingsoordelen dat doet, doordat aan het emotionele de leiding wordt gegeven. Het blijft actief, maar erkent z'n minderheid. Ook het intellect neemt hier de morele kwaliteiten van piëteit en deemoed aan. Het vermag ook een ander aan het woord te laten en niet alleen dat; het vermag een ander het laatste woord te laten.

Dit is de enige wijze, waarop wij voor onze historische kennis de laatste zekerheid kunnen krijgen. De diepe, stellige overtuiging, op hoger levensterrein, heeft altijd tegelijk zedelijk karakter. Het is niet alleen weten maar ook vertrouwen. Zolang wij weigeren dit te schenken is voor ons geen afsluiting dezer kennis mogelijk. - Dit vertrouwen zullen we natuurlijk niet schenken aan iedere autoriteit. Een gezag, dat ons onzedelijk en onredelijk voorkomt, erkennen we niet. Evenmin als in het politieke leven. Er is dus van onze kant, evengoed als bij het exacte weten, een beslissing nodig. Roomse onmondigheid verdedig ik hier niet. Maar dit zou ik willen verdedigen, dat, wanneer wij deze beslissing genomen hebben, w'ij' ein igen met gezag te laten gelden. De opstanding van Christus aanvaarden wij ten slotte niet, omdat ze ons op innerlijke gronden geheel evident is geworden, maar op gezag, waaraan wij ons onderwerpen. Hoeveel psychologische voorbereiding daarvoor ook aangewezen moge kunnen worden, wat niet te bestrijden is, de afsluiting wordt ten slotte gebracht door een besluit tot onderwerping aan autoriteit.

Bij herhaling heb ik gesproken van historische kennis. Dit gebeurde tegenover exact of natuurwetenschappelijk weten. Het is nodig hier nog heel kort aan te geven wat ik daaronder versta. Nu niet alleen formeel, om aan te tonen hoe zulke kennis bestaat en tot stand komt, maar ook om materieel de inhoud van zulke kennis aan te wijzen. - Onder historische kennis versta ik niet alleen wat in strikte zin in de vorm van een verhaal tot ons komt, zodat wij de ander, wiens weten voor ons tot gezag wordt, kunnen noemen. Dit is bijv. in de bijbel het geval met de opstandingsverhalen en die van Jezus' hemelvaart. Daarvoor kennen wij bron en schrijver. Het christendom is echter historische godsdienst in wijdere zin. Ik denk bijv. aan het christelijk geloof der onsterfelijkheid. Daarvoor zou het ons moeilijk vallen een bepaalde zegsman aan te wijzen of een oorkonde te noemen, waaruit deze waarheid blijkt. Wel gaat een zekere leermethode ook in zulke gevallen met teksten werken, maar deze wijze van doen is dan niet bevredigend. Wel is het goed gezien om liever een enkel bijbels getuigenis te geven dan allerlei redegronden. Maar men krijgt daarbij toch, bij de donkerheid van het Oude Testament en de kortheid van het Nieuwe, te veel de indruk alsof alles aan een zijden draad hangt.

Wat we in dit geval met 'historisch' bedoelen laat zich bijzonder duidelijk aanwijzen, als we denken aan de manier waarop het spiritisme proefondervindelijke bewijzen voor de onsterfelijkheid tracht te geven. Men probeert dan de mensen, die het geloof aan een leven na dit leven kwijt zijn, zelf te laten ontdekken dat het toch bestaat. Zij behoeven dan een ander niet te geloven. Geen historische kennis; geen gezag. Op de manier der exacte wetenschappen arrangeert men een proef-, men organiseert een séance. Deze bewijsvoering is niet de christelijke. Het eeuwige leven is zaak van geloof; het behoort tot de historische kennis. De evidentie is een andere dan die der wetenschap. Het zijn de getuigenissen der levenden, die ons omringen en wier getuigenis weer is overgenomen van andere vroeger levenden, waardoor wij tot de erkenning dezer waarheid gebracht worden. Zo blijven we in de historische lijn of, wil men geringschattend spreken, in de conjecturale lijn. - Een laatste zegsman of oorkonde is hier echter niet aan te wijzen. Geen laatste historische autoriteit kunnen we noemen, op wiens gezag wij de onsterfelijkheid aannemen. De lijn verliest zich aan de gezichtseinder der tijden, daar waar tijd en eeuwigheid elkaar raken.

Waarin nu het onderscheid bestaat tussen deze bestanddelen van historisch christendom en die andere, waarvoor wij de getuige en de oorkonde kunnen aanwijzen, dat zou het onderwerp van een afzonderlijk onderzoek moeten zijn. Daarbij zou de vraag moeten gesteld worden, welke de belangrijkste zijn. Voor ons is het hier van belang te constateren, dat wij in beide gevallen gezag laten gelden. En in die gevallen, waarin wij geen zegsman of oorkonde kennen, zeker niet het minst. Het getuigenis der eeuwen is een geweldige instantie voor het geloof. En wanneer wij de keus hadden, op welke wijze we begeerden, dat onze overtuiging omtrent de hoogste dingen tot stand zou moeten komen, dan zouden we geen machtiger bewijsmiddel kunnen vragen. De voorzichtige overweging van voor en tegen bij een zuiver wetenschappelijk argument is kinderspel vergeleken bij wat er gebeurt, wanneer zichtbare en onzichtbare machten in tijd en eeuwigheid met de druk van hun gezag de hefboom onzer overtuiging doen rijzen. Daarvan gaf Augustinus getuigenis toen hij zeide: Ik zou het Evangelie niet geloven, als het gezag der kerk mij er niet toe bewoog.f Dit woord is geen vertolking van een sceptische stemming, maar regel des geloofs.

Ik zou met dit woord van Augustinus eindigen, wanneer ik niet vreesde, dat men mij zou beschuldigen hem als advocaat in zijn eigen zaak te laten optreden. Immers, ik nam het voor de kerkvader op tegen de nieuwere theologie. Daarom wil ik ten slotte die nieuwere theologie aan het woord laten. Adolf Harnack, een harer schitterendste vertegenwoordigers, zegt in zijn Lehrbuch der Dogmengeschichte: "Noch hat es in der Welt keinen starken religiösen Glauben gegeben, der nicht an irgend einem entscheidenden Punkt sich auf eine äussere Autorität berufen hätte. Nur in den blassen Ausführungen der Religionsphilosophen oder in den polemischen Entwürfen protestantischer Theologen wird ein Glaube konstruiert, der seine Gewissheit lediglich den eigenen inneren Momenten entnimmt."g Habemus reum confitentem.11 De nieuwere theologie geeft Augustinus gelijk.

Voetnoten

  1. a

    Descartes, Regulae ad directionem ingenii, Regula3,in0euvres, uitg.C.AdamIP.Tannery, dl. 10, 1908, p. 366 v.↩

  2. b

    Vgl. The Autobiography of Charles Darwin, ed. Nora Barlow, Londen 1958, p. 138 v.↩

  3. c

    H. Rickert, Die Grenzen der naturwissenschaftlichen Begriffsbildung. Eine logische Einleitung in die historischen Wissenschaffen, Tübingen 1896.↩

  4. d

    Matthias Claudius, Asmus omnia sua secump ortans, oder sämtliche Werke des Wandsbecker Boten, 1, 3, in über das Gebet, an meinen Freund Andres, stereot. uitg. Gotha 1879, p. 189-192.↩

  5. e

    Ernst Troeltsch, Moderne Geschichtsphilosophie, Gesammelte Schriften, Tübingen 1913, dl. 2, Zur religiösen Lage. Religionsphilosophie und Ethik, p. 704.↩

  6. f

    Zie noot 2.↩

  7. g

    Harnack, DG.,p.81.↩

Eindnoten

  1. 1

    Verschenen als brochure in de reeks Practisch Christendom, Utrecht 1921; vervolgens gepubliceerd in ZI., p. 10-29 (pag.). Voor Noordmans' 'Ter inleiding' zie p. 26 v., noot 1.↩

  2. 2

    Vgl. de bekende uitspraak: "Ego vero Evangelio non crederem, nisi me catholicae Ecclesiae commoveret auctoritas", in Contra Epistolam Manichaei, 1, 5 (MPL. 42, 176) Vgl. ook De utilitale credendi, 16 v. (MPL. 42, 89 vv.).↩

  3. 3

    De uittocht van de Pilgrimfathers (1620) - veroorzaakt mede door de rol van de Anglicaanse kerk in kerkordelijk en liturgisch opzicht - speelt voor de waardering van kerk, staat en cultuur in West-Europa en Amerika bij Noordmans een grote rol.↩

  4. 4

    Kant groeide op in een gezin, dat in godsdienstig opzicht door het Piëtisme gestempeld was. De vader was een eenvoudig, eerzaam, streng denkend leerbewerker, de moeder - van wie hij hield en die hij vroeg verloor - een vrome en intelligente vrouw, die haar 'Manelchen' vaak meenam om hem van de dingen der natuur te vertellen (vgl. E. Cassirer, Immanuel Kant, 1924, 14 vv.). Zelf zei hij over zijn opvoeding, dat hij daaraan met 'Rührung' terugdacht.↩

  5. 5

    De 'humilitas' (in Noordmans' boek Augustinus wel vertaald met 'nederheid') komt in vele van Augustinus' geschriften naar voren. Voor de Confl., vgl. 1, 30; VII, 26; X, 58-63.↩

  6. 6

    Ernest Legouvé (1807-1903), Frans dichter, dramaturg en essayist; de betreffende plaats onbekend.↩

  7. 7

    Descartes, 10, 366 v.: "Circa objecta proposita, non quid alii senserint, vel quid ipsi suspicemur, sed quid clare et evidenter possimus intueri, vel certo deducere, quaerendum est, non aliter enim scientia acquiritur. Legendi sunt Antiquorum libri, quoniam ingens beneficium est tot hominum laboribus nos uti posse ... Sed interim valde periculosum est, ne quae forsitan errorum maculae, ex illorum nimis attenta lectione contractae, quantum libet inventis er caventibus nobis adhaereant. Eo enim scriptores solent esse ingenio, ut, quoties in alicuius opinionis controversac discrimen inconsulta credulitate delapsi sunt, nos semper eodem trahere conentur subtilissimis argumentis ... Nunc autem, quantumvis essent omnes ingenui et aperti, nec ulla nobis unquam dubia pro veris obtruderent, sed cuncta exponerent bonafide, quia tamen vix quicquam ab uno dictum est, cuius contrarium ab aliquo alio non afferatur, semper essemus incerti, utri credendum foret. Er nihil prodesset suffragia numerare, ut illam sequeremur opinionem, quae plures habet Auctores. . Si omnia Platonis et Aristotelis argumenta legerimus, de propositis autem rebus stabile iudicium ferre nequeamus: ita enim, non scientias videremur didicisse, sed histories. Monemur praeterea, nullas omnirno coniecturas nostris de rerum veritate iudiciis esse unquam admiscendas . . ."↩

  8. 8

    De tekst in Zl. vermeldt hier niet 1890, doch 1881. De plaats is echter te vinden in de Préface van Renans L 'avenir de la science, Parijs 1890, in Oeuvres complètes, uitg. H. Pischari, dl. 3, Parijs 1947 vv., p. 723 v. Dit werk stamt uit 1848, maar werd eerst in 1890 gepubliceerd, hetgeen het uit dat jaar stammende 'Woord vooraf zo interessant maakt. Ernest Renan - oriëntalist, historicus en filosoof, beroemd geworden om zijn Vie de Jésus (1863 vv.) - is juist als vertegenwoordiger der historische wetenschap iemand, "die het beter kon weten", reden waarom dit citaat inderdaad opvallend is. Het luidt: "Les sciences historiques et leurs auxitiaires, les sciences philosophiques, ont fait d'immenses conquétes depuis que je les embrassai avec tant d'amour, il y a quarante ans. Mais on en voit Ie bout. Dans un siècle, I'humanité saura à pen près ce qu'elle peut savoir sur son passé; et alors il sera temps de s'arrèter; car le propre de ces études est, aussitót qu'elles ont atteint leur perfection relative, de commencer à se démolir."↩

  9. 9

    A. Kuenen (1828-1891), hoogleraar te Leiden - met Scholten en Opzoomer tesamen de 'moderne richting' vormend - was beroemd om zijn Historisch critisch onderzoek naar het ontstaan en de verzameling van de boeken des Ouden Verbonds (1851-1865), waarin hij, als nog niet eerder binnen onze landsgrenzen, de historisch-kritische methode (bronnensplitsing in de Pentateuch) hanteerde. C. P. Tiele (1830-1902) was sedert 1877 te Leiden hoogleraar in de godsdienstgeschiedenis.↩

  10. 10

    Voor Noordmans' interesse voor dit werk, zie ook dl. 1, p. 336-356.↩

  11. 11

    Oude juridische uitdrukking, vgl. Cicero, Pro Ligario, I, 2.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← PredestinatieInhoudDocta ignorantia →