O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Repos ailleursInhoudGeloven op gezag →

Verzamelde Werken, deel 2 · p. 124–134

Predestinatie1

Een mooi hoofdstuk uit Gösta Berlinga vertelt ons van kapitein Lennart, Gods gezant. Hij is op een valse aanklacht wegens diefstal tot gevangenisstraf veroordeeld. Na afloop daarvan, vijf en een half jaar na de diefstal, keert hij naar huis terug. In een dorpsherberg, in de buurt van z'n woonplaats, zoekt hij enige ogenblikken rust om te informeren naar vrouw en kinderen. De waardin kan hem verzekeren dat allen gezond zijn, dat men aan zijn onschuld gelooft en dat alles op hem wacht.

Kapitein Lennart zal echter geen eerzaam huisvader worden. Hij behoort tot degenen, die niet onder een eigen dak mogen rusten. Als hij de herberg wil verlaten ontmoet hij de eeuwige kavaliers van Ekeby . Die dag zijn ze de gasten van de boze Sintram, die in Lagerlöfs boek de incarnatie van de boze is. Sintram heeft vroeger zijn veroordeling bewerkt. Deze ontmoeting wordt het ongeluk van de kapitein. De kavaliers nemen hem mee terug naar de gelagkamer. Ze staan er op hem een welkom toe te drinken. De goedige kapitein geeft toe. Hij heeft echter in vijf jaar geen alcohol geproefd en is spoedig onder de invloed daarvan gekomen. De kavaliers maken daarvan misbruik en maken hem dronken. Lennart blijft op de bank in de herberg liggen en gaat niet naar huis.

Tijdens zijn roes drijven de kavaliers hun spel met hem. Ze beschilderen zijn gezicht met houtskool en bessesap en geven hem een echte boeventronie. Een blauw oog, een rood litteken en andere tekens worden aangebracht. De edele Gösta wil ze straks weer afwissen, maar de boze Sintram staat er op dat ze blijven. Zo brengt men hem in de vroege morgen, als hij zijn roes heeft uitgeslapen, naar huis. De kavaliers zetten hem op hun wagen. In het hart van de kapitein is een lichte vreugde, half een overblijfsel van zijn uitgeslapen roes, half een vrucht van een goed geweten. Hij wist niet welk verhaal op zijn gelaat te lezen stond.

Zo ziet hem voor't eerst na vijf jaren gevangenschap z'n vrouw, als ze uit de huisdeur treedt om te kijken wat het rumoer voor haar woning betekent. Zijn goed geweten kan ze niet zien. Ze ziet alleen z'n vagebondsgezicht. Dan wordt de deur voor hem gesloten en gegrendeld. De kavaliers, die het hele leven als een avontuur beschouwen, lachen om het geval. Wanneer dan de kapitein hen naloopt in zijn boosheid, struikelt hij en valt met zijn aangezicht ter aarde. Toen hij opstond was hij een ander mens geworden. Hij had Gods adem onder zijn leven gevoeld.

"Waarheen wilt gij mij leiden?" vroeg hij. "Ik ben als een veer door uw adem meegevoerd. Ik ben uw speelbal."

Kapitein Lennart zou misschien toch nog wel naar huis teruggekeerd zijn om z'n vrouw explicatie te geven. De volgende dag echter doet hij een beslissende ervaring op, die hem dit onmogelijk maakt. Een oude boer ligt op zijn sterfbed. De hele familie met de dienstboden staat rondom de stervende. Lennart is als bedelaar ongemerkt het huis binnengekomen. Hij hoort hoe een ziel, die gereed staat voor Gods rechterstoel te verschijnen, zich daarvoor prepareert. Hij somt zijn goede daden op. Hij is een goed huisheer geweest, een goede boer. Hij zal in de hemel komen. En telkens bevestigt de familie rondom hem z'n uitspraken.

De kapitein luistert met ontzetting. Hij, die vijf jaar lang Gods speelbal is geweest, die ook nu nog als een veer voor de mond Gods is en van voor zijn eigen huisdeur is weggeblazen, kan niet langer zwijgend luisteren. Hij treedt op de stervende toe en zegt hem dat hij niet als een goede boer in de hemel zal kunnen komen. Hij is niet meer dan een strootje, een stofje op de dorsvloer van de grote hemelse boer.

Het hart van de stervende wordt door die prediking verbroken en geeft zich aan Gods genade over. Voor Lennart is z'n eigen handelwijze een openbaring. De gave van het machtige woord is hem gegeven en van de sterke daad. "Hij trilt als een vlinder op de rand van 't pop-omhulsel, waaruit hij te voorschijn kwam, terwijl zijn vleugels zich in de zonneschijn ontplooien en stralen als de zon zelf."

Selma Lagerlöf heeft in haar boeken herhaaldelijk in haar. eigen trant christelijke motieven behandeld. Het verhaal, waaruit ik boven een en ander meedeelde, lijkt mij bijzonder geschikt ter illustratie van de predestinatie-idee. Ik koos het als uitgangspunt, omdat hier de predestinatie geheel los staat van alle theologische overwegingen. Toch schijnt het mij toe van de christelijke gedachte vervuld te zijn. Misschien wil het ons gelukken enkele bestanddelen daarvan er uit los te wikkelen.

De hoofdzaak is, dat we inzien, hoe we hier boven de bloot-mense-zedelijke sfeer uit zijn. De braafste is hier niet meer braaf. Hij is het misschien wel naar een andere maatstaf gemeten, maar niet langer zodra zijn leven direct onder het gezichtspunt der eeuwigheid wordt geplaatst. Alle roem is hier uitgesloten of wordt als ondraaglijke wanklank opgevat. Lennart is een zo goed huisvader geweest dat een lelijke verdenking en gevangenisstraf z'n eer in de familie niet hebben gekrenkt. Op het ogenblik echter, dat God hem gegrepen heeft om sterkere deugden in hem uit te drijven, kan hij roem op huiselijkheid niet rustig aanhoren. In de stormwind van Gods adem, waarin hij staat, verstuift dat alles.

Wij zijn hier boven de gewone zedelijke sfeer uit. Want ook de slechtste is hier niet meer slecht. Het dronkemanstoneel in de dorpsherberg is uit geheelonthouders-oogpunt en evenzeer uit niet-geheelonthouders-oogpunt zeer bedenkelijk. Dat de kapitein zich laat verleiden is niet te verdedigen. Wij denken er echter niet aan hem dit later nog toe te rekenen. Wij weten wel dat 't niet te pas kwam. En toch kunnen wij niet anders dan deze zwakheid zien in 't licht van zijn latere kracht. Wij weten zelfs zeker, dat zonder die zwakheid zijn profetische kracht gebonden zou zijn gebleven in brave huiselijkheid. Evenals zijn huiselijke deugden wordt ook deze huiselijke ondeugd voor ons opgenomen in de storm van Gods adem en daarin is van zulke dingen geen gedachtenis meer, evenmin als men kaf in een sterke wind terugvindt.

Is dit misschien esthetische levensbeschouwing, die ons de hand doet lichten met de zedelijke ernst? Is het de literarische inkleding of het talent der schrijfster, die ons in het boek vrede doet hebben met wat ons in het leven aanstoot geeft? Dit zou heel niet onmogelijk zijn en komt inderdaad dikwijls voor. Toch is het hier niet het geval. De schrijfster geeft hier haar eigen hoogste beoordeling en blijft daarmede binnen de zuiver christelijke idee. Gods oordeel kan niet anders luiden.

Wij kunnen niet anders oordelen. Nog minder kon het de schrijfster met haar ruim hart. Zouden we nu van God in eens weer, waar we toch van het mindere tot het meerdere opklimmen, gedenken als van een burger in een kleine stad, niet in staat om de geweten zwakheid van z'n medeburger in de latere betoning van kracht te laten opgaan, maar steeds geneigd die vast te leggen? Zou het billijk zijn in Hem, die de mens als een veer in de adem zijns monds wegblaast waarbij al z'n deugd verstuift, op hetzelfde ogenblik angstvallig te waken, dat zijn boosheid niet mede verwaait?

De predestinatie-idee brengt ons boven de gewone zedelijke sfeer. Nu is er dikwijls sprake geweest van een 'jenseits von Gut und Böse'. Deze uitdrukking stamt echter niet uit bijbelse, maar uit nietzscheaanse overwegingen.2 Ze toont wel gelijkenis met de christelijke gedachte. Ook hier staat kracht tegenover recht en moraal. Overigens zijn de gedachten elkaars antipoden. In de christelijke idee is het Gods roem en sterkte, die menselijk recht het zwijgen oplegt en menselijke moraal doorbreekt. In Nietzsches leer verbreekt de mens zelf de gestelde perken. De christelijke predestinatie-gedachte kweekt ootmoed; de 'Uebermensch' breekt uit in hoogmoed.

Belangrijk blijft het echter op te merken, dat er in christelijke zin ook zulk een 'jenseits von Gut und Böse' bestaat. De uitdrukking betekent iets onzedelijks wanneer zij de bedoeling heeft de mens de vrijheid te geven het onderscheid tussen goed en kwaad uit te wissen. In de predestinatie is een boven-zedelijk terrein aangewezen. Onze zedelijke schatting reikt hier niet aan toe. Alleen religieus kan onze gedachte hier aanraking zoeken.

Dat dit boven-zedelijke er in ligt opgesloten, heeft Paulus zeer goed gevoeld wanneer hij zelf bedenkingen opwerpt. Ook onder't volk, waaronder de predestinatie-gedachte leeft, komt men er telkens mee in aanraking. Wanneer, zoals dikwijls gebeurt, de religieuze gedachte op zedelijk gebied wordt overgebracht, richt dit 'jenseits von Gut und Böse' grote schade aan. Te allen tijde heeft de vrees voor die schade bedenkingen tegen de uitverkiezing gewekt. En toch zal ze als religieuze waarheid voor die bedenkingen het veld nooit ruimen. Ter verklaring van sommige der machtigste levenservaringen blijft zij nodig.

Zo vinden we in de predestinatie een machtsbeginsel, waarvan het zedelijk gehalte boven ons oordeel uit gaat. De zedelijke maatstaven, die wij voor de beoordeling van menselijke handelingen gebruiken, zijn hier ontoereikend. Telkens komen daarbij bedenkingen op of God wel rechtvaardig handelt en of Hij de mens geen onrecht doet. Dergelijke twijfelingen vergezellen dit dogma overal waar het zich vertoont.

Hierin ligt niet opgesloten, dat wij het voldoende hebben gekarakteriseerd, wanneer wij het een machtsbeginsel hebben genoemd. Het is meer bewijs van verlegenheid wanneer wij dat doen. Omdat ons zedelijk oordeel niet ver genoeg reikt, spreken wij van macht. Wij kunnen niet anders. Een meer omvattend, meer doordringend oordeel zou de zedelijke factoren in de predestinatie ontdekken. De schijnbare willekeur zou zich voor een intellect van hoger orde in schone ethische tekening projecteren. -

Dat dit het geval is en meer dan oratorie, kunnen we slechts langs indirecte weg aantonen. Wij kunnen dat bijv. doen door goed toe te kijken overal waar, zoals bij Paulus in Rom. 9-11, op de hoogtepunten der christelijke literatuur, het leerstuk besproken wordt. Paulus kan in het eerste gedeelte van Rom. 9, zolang hij formeel blijft en de zaak in het afgetrokkene beschouwt, ook niet anders dan het machtsbeginsel op de voorgrond schuiven. Ieder kent zijn harde paradoxen, waarmee hij ruimte maakt voor Gods soevereiniteit. Wanneer echter verderop in deze hoofdstukken de stof van zijn eigen zendingswerk, van zijn apostolisch hopen en vrezen, in het betoog wordt ingeweven, dan vertonen zich lijnen van grote zedelijke schoonheid, die de apostel ziet in Gods wereldplan. Even houdt Paulus ze vast; dan gaan ze voor hem op in de mystische verrukking waarmede deze hoofdstukken sluiten. Alles vervaagt weer tot het ondoorgrondelijke. Het is dan echter niet meer het onbegrepene van machtswillekeur, dat de vinger op de mond doet leggen. Wij staan aan het slot voor een volheid van liefde en wijsheid, waarvan de aanblik de apostel in jubel doet uitbreken. Paulus heeft hier accenten gevonden, die de christelijke kerk, in meer nuchtere zedelijke bezinning, meestal geaarzeld heeft over te nemen.

Nog op een andere wijze kunnen wij, langs indirecte weg, ons er van overtuigen, dat de predestinatie niet opgaat in macht, maar zedelijk gehalte heeft, al ligt dat ook boven ons oordeel. Deze mogelijkheid ontstaat juist dan wanneer ze ons zedelijk oordeel in verwarring brengt. Dit prikkelt ons meestal in eerste instantie tot tegenspraak. Het eerste wat ons treft is de macht, die zich aan ons oordeel niet stoort en waartegen wij in verzet dreigen te komen. Bij nader inzien kan echter blijken, dat wij op dat ogenblik bezig zijn tegen een bevrijdende kracht in ons leven in verzet te komen. Zou het inderdaad zo wenselijk zijn, dat het leven geheel gebonden en gebannen bleef binnen de grenzen van onze zedelijke waardebepalingen?

Wanneer we deze vraag stellen leggen we de nadruk op het woord 'onze'. De vraag bedoelt geen ontkenning van de zedelijke wereldorde. Zij betwijfelt alleen of wij die voldoende kennen. En deze onkunde geeft aan ons zedelijk oordeel een relatief karakter. De klachten over conventionele moraal zijn niet helemaal uit de duim gezogen! Ik kan mij voorstellen dat een 'roundhead'3 onder Cromwells regering volkomen overtuigd is geweest, dat Engeland behoorde te leven naar puriteinse beginselen. En dat hij toch na de Restauratie, niettegenstaande alles waaraan hij zich moest ergeren, met het gehele land ook een gevoel van verruiming heeft gekend, dat voor zijn zedelijk oordeel onverklaarbaar bleef. Een duister besef, dat het 'vrolijke Engeland' van Shakespeare zedelijke waarden bezat, die onder puriteins regime dreigden verloren te gaan.

Onze morele begrippen zijn nodig om richting aan het leven te geven voor zover dit van ons afhangt. Niemand heeft het recht daarmee te transigeren. En toch kunnen we ons niet altijd aan het gevoel onttrekken dat de menselijke moraal op de een of andere wijze het leven in banden slaat. Ons zedelijk oordeel is meestal, vergeleken bij Gods oordeel, hard en onbillijk en onze maatstaf houterig en bekrompen. Wij zijn allen, elk op zijn manier, 'rondkoppen', waarschijnlijk minder heroïek dan die van Cromwell en vrij zeker niet minder huichelachtig.

Hier grijpt nu Gods predestinatie in en werpt op de wonderlijkste wijze onze zedelijke wereld door elkaar. Gods heiligen doemen vaak op uit een achtergrond waaruit wij niet gedacht hadden dat ze geroepen konden worden. Zij zijn soms gevormd in een school waarop wij onze kinderen niet zouden durven zenden. Om die achtergrond te schilderen zou soms het penseel van een Jan Steen nodig zijn.

Onze moraal loopt gevaar het leven te knellen en te verstikken. Menselijk moraliseren is meestal vervelend en onze hemel, die niet Gods hemel is, kunnen wij niet anders dan vervelend denken.

Hoe bevrijdend werkt hier het goddelijk welbehagen. In de wereld van zijn verkiezing worden deze banden ontspannen en losgemaakt. De ban van onze bekrompenheid en hard oordeel wordt hier verbroken. En beter dan ons daaraan te ergeren doen wij, als we ons aan dat bevrijdend gevoel overgeven.

In de ogenblikken dat wij dat doen zullen wij weten, dat de uitverkiezing geen machtswillekeur, maar hoogste zedelijkheid is.

Het is van belang om uit dit oogpunt de evangeliën en de brieven van Paulus te vergelijken. Meestal denken wij, dat de evangeliën zich meer houden binnen onze zedelijke sfeer en dat diepzinnigheden of aanstotelijkheden, zo men wil, als uitverkiezing en Gods pottebakkersmacht bij Paulus thuis behoren. Bij de apostel vinden wij dan reeds een begin van theologie, die we bij de Meester nog zo heerlijk missen. In de evangeliën kunnen wij zo heel goed inkomen, omdat die dichter bij het gewone zedelijk bewustzijn staan en eenvoudiger bij onze levensopvattingen aansluiten. Paulus echter met zijn zware psychologische beschouwingen en zijn eeuwigheidsbespiegelingen komt ons voor veel verder van ons af te staan.

De modernen hebben zich dan ook een tijd lang zeer eenzijdig voor de evangeliën geïnteresseerd, omdat ze dachten, dat deze dichter bij ons stonden, minder theologiseerden, meer moraliseerden en minder ergernissen opleverden. - De christelijke kerk echter in haar geheel, vooral na de Reformatie, heeft het anders gevoeld en wel gemerkt, dat wij veel dichter bij Paulus staan dan bij Jezus. Voor het bekeringsleven heeft men zich veel meer in Paulus' brieven ingeleefd dan in Jezus' spreuken en gelijkenissen. Men had het gemakkelijker met de apostel dan met z'n Zender. Het moraliseren van het Evangelie is zo'n geweldig ding, dat het hele leven er door ondersteboven gekeerd wordt. Dat hebben de modernen nu langzamerhand ook al weer begrepen en beginnen weer bij Paulus ter schole te gaan om langs hem de Meester te naderen.

Van hier uit bezien we de predestinatie bij Paulus en bij Jezus. De goddelijke vrijmachtige verkiezing ligt het verst van onze gewone zedelijke begrippen af. Wij kunnen er het moeilijkst bij. Wij voelen er voorlopig slechts willekeur in en macht en slechts zeer zelden en zeer moeilijk komt daarin de levensverruiming tot ons bewustzijn. En nu vond men weer, door hetzelfde misverstand dat we boven bespraken, in de evangeliën het meer eenvoudige, het gemakkelijkste, het aan onze zedelijke begrippen en onze levensopvatting het naast staande. Vermaningen, levenslessen, geboden, goede voorbeelden. Wel sprak Jezus een enkele maal van 'uitverkorenen', maar dit bleef toch uitzondering. Men vond hier minder reden tot ergernis.

Bij Paulus echter trof men die zoveel te meer aan. Hier werd de bekering van een mens regelrecht teruggeleid op een goddelijk besluit en de willekeur van dat besluit scheen de hele zedelijke wereld op losse schroeven te zetten en die te veranderen in een wereld van ergernissen.

Dat men dit zo gevoelde is zeer goed te begrijpen en telkens weer zullen wij het zo voelen. Dat komt omdat we bij de predestinatie meestal in het machtsbeginsel hangen blijven en zo zelden die hoogten des levens beklimmen, waar iets van de levensverwijding te speuren valt, die er achter schuilt. Ik wees er reeds op dat Paiiius in Rom. 9-11 daarin niet blijft hangen. Maar de christelijke kerk heeft hem naar de top der contemplatie slechts zelden kunnen volgen. Ze bleef meestal steken in zijn logische paradoxen.

In de evangeliën nu ontbreken die paradoxen vrijwel. Het is echter een allerzonderlingst misverstand als wij denken, dat daarom ook de predestinatie zelf ontbreekt. Integendeel hebben wij hier de uitverkiezing in natura, als verruiming van de zedelijke wereld. De evangeliën staan te vibreren op de predestinatie, op het vrijmachtig welbehagen Gods. Hier hebben wij, om nog eens een woord uit Nietzsches woordenboek in christelijke zin te gebruiken, de grootste 'Umwertung aller Werte', die denkbaar is. Hier is ook de ware wereld der ergernissen.

Dat men die ergernissen bij Paulus telkens vindt en minder in het Evangelie is een zonderling misverstand en een frappant bewijs van onze zedelijke bekrompenheid. Nog eens - de oudere modernen ten spijt - wij staan veel dichter bij Paulus. Wij begrijpen hem veel beter.

Maar wat hebben de ergernissen aan Paulus' paradoxen eigenlijk om 't lijf vergeleken bij die uit het Evangelie? Wanneer wij ons stoten aan het: 'Jakob heb ik liefgehad en Ezau heb ik gehaat' (Rom. 9 : 13), dan is dat weinig meer dan een logische hinder, die we ondervinden. Maar wat heeft dat te betekenen vergeleken bij de ergernis die zou moeten ontstaan, wanneer Jezus laat merken, dat hij tollenaren en zondaren liefheeft en brave mensen haat?

Deze zedelijke omkering, dit welbehagen 'jenseits von Gut und Böse', deze 'Umwertung aller Werte', deze levensverruiming ligt echter zo ver buiten onze horizon, dat wij haar laten bestaan. Wij vergeten ons te ergeren. Wij stoten ons aan Paulus' logisch begrippenspel. De omkering van al onze zedelijke begrippen laten we over haar kant gaan. -

Het Evangelie is de ware wereld der predestinatie en tegelijk de wereld der ergernissen. Hier komt Gods grote zedelijkheid in conflict met de kleine menselijke moraal. Het kruis staat er als een opgericht teken van het geweld van het conflict. De wereld heeft niet zo heel veel begrepen van wat er toen heeft plaats gehad. Paulus is voor ons de grote uitleggen geworden. De tegenstelling van menselijke en goddelijke zedelijkheid heeft hij in de woorden: wet en genade vastgelegd. En in het woord genade beluistert voortaan de christelijke kerk de zedelijke inhoud van Gods vrijmachtige verkiezing. Wel hoort zij er ook nog de macht uit, maar veel meer de hoge, wijde, mensen-bevrijdende gezindheid.

Predestinatie wijst aan die wijde goddelijke gezindheid, waardoor Hij onze bestemming en toekomst bepaalt zonder op onze deugden of ondeugden te letten. Wat dat zeggen wil, daarvan krijgen we geen recht denkbeeld zolang we haar in verband brengen met mensen die nog geboren moeten worden, geheel in het afgetrokkene. Maar de zaak krijgt dadelijk actualiteit, als we ze betrekken op mensen van vlees en bloed. De predestinatie moet, evenals alle christelijke waarheid, in Christus van haar afgetrokkenheid worden bevrijd. Het Woord moet vlees worden.

Zeer tot schade van deze waarheid heeft men dat, van alle geloofswaarheden 't allermeest, bij de goddelijke verkiezing vergeten. Er bestaat een beroemde strijdvraag, die vooral onder de gereformeerden behandeld is, of de bestemming, die God aan de mensen gaf, plaats had vóór of na de val. De vraag bleef onopgelost. Logisch hebben schijnbaar degenen gelijk, die het eerste beweren. Dan komt echter de predestinatie niet tot haar recht. Men merkt dan niet dat ze de kern der genade is. Voor de val is er nog geen sprake van goed en kwaad bij de mensen. En de uitverkiezing kan dan niet dat hoge karakter van ruime goddelijke gezindheid verkrijgen, van vrijmachtig welbehagen, waardoor goed en kwaad verslonden worden. De predestinatie gaat niet logisch aan goed en kwaad vooraf, maar gaat zedelijk boven goed en kwaad uit. Doch om dat te kunnen doen moet ze eerst daarop betrokken worden. Dan pas komt het wijde en ruime der goddelijke zedelijkheid uit boven onze moraal.

Daarom moeten wij ook de predestinatie in Christus beschouwen en niet in 't afgetrokkene. In het Evangelie hebben we mensen van vlees en bloed, zondaren en brave mensen en Jezus, vol van goddelijke gezindheid, vol van genade en waarheid, midden onder hen. En dan zien we iets merkwaardigs gebeuren.

Tot nog toe scheen ons Gods welbehagen indifferent ten opzichte van goed en kwaad. Het ging er boven uit. God maakte geen onderscheid; was geen aannemer des persoons. Deugd en ondeugd verstoof als kaf in de adem zijns monds. - Wel merkten we reeds op, hoe paradoxaal de ligging der hogere zedelijke wereld is in de evangeliën, waar Jezus zondaren liefheeft en brave mensen haat, maar deze uitspraak diende voorlopig slechts om ons boven Paulus' logische paradoxen uit te leiden en in de ware wereld der predestinatie te doen treden. Wij hebben haar thans van haar paradoxaal karakter te ontdoen. Inderdaad is dit het zuiver zakelijke bestand in de evangeliën. Bij Jezus zien we geen indifferentie ten opzichte van zondaren en braven of rechtvaardigen, maar een voorkeur voor de zondaren.

Om dit aan te tonen zouden wij de halve evangeliën kunnen afschrijven. Dit zou echter waarschijnlijk niet veel baten. De exegese is er ook nog! Het Evangelie is geheel geweven van religieuze stof, van gedachten hoger dan de onze. Wanneer wij voelen dat ons de grond onder onze voeten wordt weggegraven, stellen we ons onwillekeurig te weer en onze exegese draagt daarvan gemakkelijk de sporen. Wij spellen het over in de taal van onze zedelijkheid.

Om daarvan de proef te nemen kunnen wij ons afvragen wat Jezus bedoelt als hij de armen van geest zalig spreekt. Meestal horen we daarin een goede zedelijke kwaliteit. Men heeft wel eens gemeend dat Lukas de oorspronkelijke lezing had, die 'de armen' zalig laat spreken. Mattheüs zou dan deze spreuk, die sociaal zo hard klonk en voor fatsoenlijke rijken aanstotelijk was, vergeestelijkt en verzacht hebben. Maar het is niet onmogelijk, dat het andersom is en dat Lukas deze hardklinkende spreuk van zedelijke armoede tot sociale armoede verzacht heeft. Althans Paulus, Lukas' leermeester, komt in 1 Kor. 1 : 25-29, waar hij eveneens de zedelijke zijde der uitverkiezing aanroert, ook niet verder dan de voorkeur van God voor diegenen, die intellectueel of sociaal achteraf staan in de wereld. Het dwaze; het zwakke; het onedele; het verachte; hetgeen niets is. De laatste schrede, dat God uitverkoren heeft wat zedelijk achterstaat, wordt niet gedaan. Hier hebben we reeds een verzachting van het Evangelie in de richting van onze moraal. Paulus staat weer dichter bij ons dan Jezus.

Bij Jezus zelf echter moet de zaak anders staan. De tollenaar is voor het Koninkrijk der hemelen bruikbaarder dan de Farizeeër. Ik weet wel, dat wij dat voordeel in onze exegese beperken tot de boetvaardige gezindheid, zoals wij in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus de bedelaar vroom maken en de rijke man goddeloos. Op die manier breken wij dan zulke gelijkenissen de tanden uit. Er brandt heter grond onder de evangeliën dan aan onze exegese te merken is. - In de gelijkenis uit Lukas 16 spreekt Jezus' welbehagen in het sociaal achter staande. In die uit Lukas 18 een verkiezing van wat zedelijk achterop is.4

Wanneer wij naar commentaren zoeken om ons deze achtergrond van het Evangelie te doen kennen, dan doen we misschien 't beste niet te grijpen naar bekende Duitse of Hollandse verklaringen, maar naar sommige Russische romans, waarin iets schemert van dit voortrekken van het verlorene en verwordene. Dat heeft niets te maken met het geraffineerde welbehagen in de zonde, dat in West-Europa een deel van de literatuur doortrekt. Het is het omgekeerde.

Als wij van deze zijde de predestinatie benaderen, dan raken wij wel zeer ver verwijderd van logische speculaties. Wij hebben niet meer te doen met een voor ons onredelijke willekeur. Wij worden het zedelijke karakter er in gewaar. Wij voelen de machtige goddelijke sympathieën en antipathieën.

Daarmede zijn we de moeilijkheden niet te boven. Want deze zedelijkheid van het Koninkrijk der hemelen houdt haar spits recht tegen de onze gericht.

Zoveel weten we dan echter toch, dat wanneer naar onze zedelijke berekeningen de wereld verloren is, zij daarom toch nog niet verloren is.

Wanneer wij het zedelijk karakter van de predestinatie ten opzichte van onze moraal zo negatief bepalen, dat het een voorkeur voor het zedelijk achter staande wordt, dan moeten daartegen wel bedenkingen rijzen. Men zal doen opmerken, dat Jezus in de evangeliën dat onderscheid niet maakt, maar dat de mensen zelf schuld zijn dat ze soms van 'eersten' tot 'laatsten' worden. Dat niet hun braafheid maar hun eigengerechtigheid een beletsel vormt.

Men kan dat tot op zekere hoogte toegeven en toch menen, dat de zaak daarmee nog niet zoveel eenvoudiger is geworden. Is het in de gelijkenis van de verloren zoon niet hoogst natuurlijk, dat de oudste zoon bisbilles maakt en spreekt het niet van zelf bij de arbeiders in de wijngaard, dat ze het onbillijk vinden gelijk gesteld te worden met die tragen, die op 't best zijn, als de zon in 't nest is? Valt het zo gemakkelijk onze zedelijkheid te scheiden van een zeker 'gepast gevoel van eigenwaarde'? Zijn het niet de beide helften van een ding? En hoe hard zou onze moraal wel moeten lopen om van die schaduw verlost te worden?

Wanneer wij dan ook de beide genoemde gelijkenissen aandachtig lezen, dan ontdekken we niet een neutrale houding naar beide kanten, maar we merken de goddelijke sympathieën en antipathieën. Sympathie voor die zijde, die de bekering van node heeft; antipathie tegenover de andere, die ze niet van node heeft. Het is waar, dat logisch gedacht degene, die geen bekering van node heeft, even ver is als degene die zich bekeerd heeft. Maar gezien in het licht van deze goddelijke voorkeur wordt het een ellendig ding: geen bekering van node te hebben. Onze moraal zelf en niet alleen haar schaduw, de eigengerechtigheid, wordt er door getroffen met een doodsteek in haar beenderen.

Het is daarom geen wonder, dat alle zedelijkheidsapostelen te allen tijde een diepe weerzin tegen de predestinatie-gedachte hebben gekoesterd. Deze afkeer wordt niet voldoende verklaard, zolang wij daarin een logisch determinisme zien, waarbij God als soeverein ieders leven een bestemming geeft. Waarom zou dat ook niet de onderbouw kunnen zijn van een moraaltheologie. Dat determinisme past daarbij juist heel goed.

Ook verstaan we de tegenspraak nog niet goed als we de goddelijke verkiezing wel in de zedelijke wereld laten optreden, maar haar tegenover onze moraal indifferent laten. Ook dan nog kan die moraal blijven staan.

De verborgen grond van de afkeer springt echter in eens aan 't licht als wij de predestinatie zien als een verkiezing van de zedelijk armen. Daartegen moet onze moraal in opstand komen. Het betekent haar doodvonnis.

Het conflict kan ook niet worden bijgelegd. De arbeiders in de wijngaard hebben gelijk; uit hun zedelijkheidsoogpunt is het onbillijk. God kan zich voor deze moraal ook niet rechtvaardigen. Hij trekt zich terug in zijn vrijmacht en in dat hoge woord: is uw oog boos, omdat ik goed ben? Deze goedheid is hemelhoog en stempelt onze moraal tot boosheid.

De tegenstelling met de moraal doet ons de uitverkiezing zien als het hart der kerk, gelijk men haar genoemd heeft. Wij hebben meestal moeite om daar in te komen, omdat wij zo vaak haar begrip in deterministische vorm ontmoeten. Wij voelen dan in andere delen der christelijke waarheid veel meer een middenpunt, bijv. in de verzoening of de wedergeboorte. Zien we echter eenmaal hoe de verkiezing de spits tegen onze moraal richt, dan worden we gewaar, dat nergens in de christelijke ideeënwereld een stuk zo onversneden religie te vinden is en we leren de uitdrukking 'hart der kerk' waarderen. Overal elders in de kerkleer vindt men een zekere accommodatie aan onze zedelijkheid. De predestinatie alleen staat er tussen als de absoluut-religieuze idee, in volkomen oppositie met onze moraal.

Zo zal menig lezer zich met mij wel eens afgevraagd hebben, of God volgens de kerkleer eigenlijk wel vergeven kan. De centrale plaats, die de voldoening en de verzoening ingenomen hebben in de christelijke gedachte, doet deze vraag opkomen. En ook met het oog op de moeilijkheden der modernen moeten wij deze kwestie stellen.

Nu zijn verzoening en voldoening, vergeleken bij de predestinatie, accommodatie-voorstellingen. Zij houden verband en rekening met onze zedelijkheid en ons rechtsgevoel. Ze vertolken ons goddelijke waarheid meer in onze taal. - Alleen de idee der verkiezing houdt zich op grotere hoogte.

Zij is de hoogste in de hiërarchie der christelijke ideeën, die trapsgewijze tot ons afdalen. Ze is absoluut religieus.

Wanneer wij nu, in verband met deze idee, de vraag herhalen of God wel vergeven kan, dan moet het antwoord luiden, dat God zo mild is in het schuldvergeven, dat het onze ergernis wekt. Zijn voorkeur voor het zedelijk arme kunnen wij slechts moeilijk zetten. Hier verdwijnt de laatste schijn alsof onze moraal eigenlijk meer ruimte biedt voor vergeving dan haar is ingeruimd in het Evangelie. Dat is schijn, maar waartoe de kerkleer vaak aanleiding geeft.

Zo wordt ons ook begrijpelijk, hoe de predestinatie in de geloofsleer vaak tot een logisch schema ineenkromp. Zij lag zo ver van het gewone zedelijk bewustzijn af.

Iedere diepere geestelijke beweging echter brengt haar steeds weer naar voren.

Voetnoten

  1. a

    Vgl. Selma Lagerlöf, Gösta Berling, uitg. H. J. W. Becht, Amsterdam zj. (vert. M. Mey boom), p. 237-245.↩

Eindnoten

  1. 1

    Verschenen in Bergopwaarts, Weekblad voor Christendom en Cultuur, jg. 4, nr. 14 (5.2.192 1), 15 (12.2), 16 (19.2), 17 (26.2), 18 (5.3); vervolgens gepubliceerd in GPers., p. 1-14. (pag.). Voor Noordmans"Ter inleiding' zie p. 26 v., noot 1.↩

  2. 2

    N. zinspeelt hier op Nietzsches geschrift van 1886 Jenseits von Gut und Böse, (vgl. ook Also sprach Zarathustra, 1885) waar hij zijn ideeën over de hogere mens en de heren- en slavenmoraal ontwikkelde.↩

  3. 3

    Zie boven p. 27, noot 5.↩

  4. 4

    Zie ook ZB., p. 9-26.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Repos ailleursInhoudGeloven op gezag →