Voor den zondag ('Groene preken')
Kolossenzen 3: 10
Gebed:
Onze Vader, die in de hemelen zijt, U loven en prijzen wij met mond en hart, omdat Gij zijt ons hoogste en eeuwig goed. Wij stellen ons voor U met de ganse gemeente, daarboven en hier beneden en wachten op Uw heil. Geef dat ons lied U loven mag. Wij bidden U, dat Gij ons in het geloof steeds meer met Jezus Christus wilt verenigen, door de kracht des Heiligen Geestes. Vergeef ons onze schulden en doe ons niet naar onze zonden. Versterk in ons de hope des eeuwigen levens en laat Uw Woord ingaan in onze harten, opdat de oude mens moge afsterven met z'n begeerlijkheden en de nieuwe mens moge opstaan. Amen.
En aangedaan hebt de nieuwe mens.
Kolossenzen 3 : 10
De Godsstad is een verlangen, dat nimmer ophoudt mensen te trekken. Zoals eb en vloed worden getrokken in de zee door de hemellichamen, zo houdt de stad Gods de geschiedenis in beweging. En toch, hoezeer is toch ook weer de wereld op haar eigen behoud gesteld. Zouden de grootste veranderingen in de wereld het nieuwe Jeruzalem kunnen inhalen? Lijkt het er in onze dagen van grote revoluties op, dat alle dingen nieuw geworden zijn, naar de betekenis van deze uitdrukking in de bijbel? Is het oude, dat voorbijgaan moet, bezig te verdwijnen? We weten wel beter. Hoeveel er veranderd, het ergste blijft bij het oude. Voor en na de zondvloed, voor en na het jaar 1000 of 1914, dat maakt in de hoofdzaak geen onderscheid. De oude mens leeft nog; de oude zonde regeert nog; de oude koning der verschrikking, de dood, jaagt nog vrees aan.
Laten we de zaak nu ook nog van een andere kant bezien. Hoe staat het ermee in ons persoonlijk leven? Ik stel mij voor, dat er niemand van de lezers is, die niet meer of minder getracht heeft z'n leven nieuw te maken. Waar is een leven zonder een enkel goed voornemen? Men was, toen men het opvatte, volkomen oprecht. De volgende dag zou een andere mens te aanschouwen geven dan de vorige. En toch, de volgende avond had misschien niemand er iets van gemerkt dan alleen gijzelf. En men geleek nog op zichzelf als de ene droppel water op de andere.
De nieuwe mens aandoen, dat moet toch blijkbaar iets anders zijn, en meer dan het aantrekken van een nieuw kleed. En gij vraagt u af, of het wel mensenwerk is. En waren we nu in het leven nog maar alleen. Maar neen, ieder leeft in een vast verband met vele anderen. En het is of die anderen het erop gezet hebben, dat we zullen blijven zoals we zijn. Een kleine verandering in ons kleed wordt nog wel toegelaten en als de mode het meebrengt, zelfs voorgeschreven. Maar wie een nieuwe mens wil aandoen, ziet hoe de wereld op haar behoud gesteld is. Zij vreest dat een nieuwe lap op haar oude kleed haar in haar oudheid zou tentoonstellen! Wat is de openbare mening sterk en hoe houdt ze ons gevangen. Wat is onze valse schaamte groot en hoe weinig durven we ons ten goede onderscheiden! Misschien is onze vrees hiervoor nog groter dan de mensenvrees, die ons van het kwaad terughoudt.
En dat zijn nog maar mensen van vlees en bloed. Maar ieder van ons heeft nog een andere lijfwacht om zich heen. 'Louter sterke gezellen', heeft Luther ze genoemd. Hoe zullen wij ze noemen? Zijn het onze eigenschappen? Onze eigen gewoonten? Of is het meer? Zijn het geestelijke machten? Zeker is dat er veel rondom ons is, dat wij niet geheel zelf zijn en dat ons toch vergezelt door het leven. Sommigen uit dat gezelschap zouden wij willen afdanken. Wij zouden daarvoor andere gewoonten, eigenschappen, geestelijke krachten of hoe men ze noemen wil, in de plaats hebben. Maar ze laten ons niet los. En wanneer gij ze meent afgezworen te hebben, kloppen ze u op een zeer ongelegen ogenblik op de schouder en zeggen: We kennen u nog wel; zoveel zijt ge nog niet veranderd, oude vriend. Gij hoort bij ons en wij bij u. Ze vinden dat gij helemaal niet een nieuwe mens zijt, en voor zover het aan hen ligt, zult ge het ook nooit worden.
Dat is een wanhopige geschiedenis met het aandoen van de nieuwe mens. Maar het wanhopigste is, dat gij moet betwijfelen of ge het zelf wilt. Ge moet erkennen dat gij, hoe groot de veranderingen ook mogen zijn, die ge begeert, toch onder dat alles gaarne uzelf wilt blijven. Die nieuwe mens, die ge dan wel wilt aandoen, die moet dan toch eigenlijk dezelfde blijven. Dat moet de oude zijn, dezelfde van vroeger. Als men daaraan raakt, dan komt alles in ons in opstand. Zelfs Johannes de Doper, de man die gezegd had: Hij moet wassen en ik moet minder worden (Joh. 3 : 30), hij kon het uit z'n kerker maar zo moeilijk aanzien, toen het gebeurde. Dát is de grote moeilijkheid!
Wanneer de nieuwe zal aangedaan worden, hoeveel mag er dan van de oude overblijven? Wat betekent het als Paulus zegt: Zo leef ik dan nu niet meer, maar Christus leeft in mij (Gal. 2 : 20)? Blijft er dan van het oude niets, letterlijk niets meer over? Zoveel is zeker, dat wijzelf veel zouden willen overlaten. Wij hebben al spoedig het gevoel, dat men aan ons leven raakt. Even zouden we het uitwendige als een kleed willen afleggen. Maar wanneer het mes van Gods Woord iets dieper wordt ingezet, hebben wij al spoedig het gevoel dat in ons leven, in onszelf wordt ingesneden. Wij houden God terug, want wij willen, onder de bedekking van ons eigen zelf, heel wat meer van het oude overlaten dan God in z'n wijsheid kan goedkeuren. Dat stuk, dat wij willen overlaten, bevat nog zoveel zonde en dood in zich, dat als daarover de nieuwe mens werd aangedaan, de bron van het verderf zich dadelijk weer zou openbaren. Ja, wanneer we iets in ons leven zouden moeten aanwijzen, dat geschikt was om te blijven, als de nieuwe mens wordt aangedaan, dan zouden we dat niet kunnen. En toch, als wij oud en nieuw tegen elkaar moeten afpassen, dan komen we al spoedig aan zoveel in ons bestaan, waarvan we beslist geen afstand willen doen. Ge zoudt menen uzelf weg te gooien als ge daarvan afstand deedt. Dan waart ge, zo wil het u voorkomen, uzelf niet meer.
Laten we nu eindelijk de vraag in zijn scherpste vorm stellen. Hoe moet het bij uw sterven, en in de opstanding met oud en nieuw? Wat zal er dan wegvallen, en wat zal er dan overblijven? Ja, zegt ge, ik wil er in elk geval zelf bij zijn als God mij verandert in een punt des tijds (1 Kor. 15 : 52). Wees eerlijk en erken, dat gij 't liefst met uw verderfelijk lichaam de onverderfelijkheid zoudt willen beërven. Ge zoudt liefst helemaal niet sterven, en met dit zondige lichaam en deze zondige geest de heerlijkheid over u heentrekken, de nieuwe mens aandoen als een kleed over de oude. Maar dat kan niet, dat zegt de bijbel ons duidelijk genoeg. Derhalve moeten we er vrede mee hebben, dat deze aardse tabernakel wordt afgebroken (vgl. 2 Kor. 5 : 1-4). Maar is dat alleen nodig voor het lichaam? Heeft ons lichaam dan gezondigd, en is de geest rein, als het lichaam is uitgetrokken? Neen, de zonde zit dieper. Er zal meer moeten worden afgelegd dan het lichaam alleen. Wat blijft er dan van het oude nog over, als het nieuwe komt? Waar begint en eindigt de zonde in ons aardse bestaan? Kunnen wij ergens een grens aanwijzen, waarover het bederf niet is binnengedrongen?
Hier worden we gewaar, wat de prikkel des doods is. Het is de zonde (1 Kor. 15 : 56). Sterven zou niet erg zijn, ja het zou er niet zijn, als de zonde er niet was. Maar door de zonde wordt de dood tot dood. Nu vrezen wij niet alleen voor ons lichaam, maar voor onze geest, voor onszelf. Ik, ellendig mens! roept Paulus uit, als hij eraan denkt: Wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? Maar de apostel antwoordt zichzelf en roept uit: Ik dank God, door Jezus Christus onze Heer (Rom. 7 : 24 v.).
De nieuwe mens aandoen. Dat is niet ons eigen werk. Dan zou er niet veel van terechtkomen. Het is Gods werk. En voor ons is het een geloofszaak. Wat bij de mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God (Lk. 18 : 27). Datgene, waartegen de mensen om ons heen, waartegen onze eigenschappen en gewoonten, waartegen de geestelijke machten rondom ons zich verzetten, datgene wat we zelf niet willen, waartegen elke vezel in lichaam en ziel in opstand komt - dat werkt God. Het is zijn wonderwerk, waarin wij mogen geloven. En in het licht van dat werk Gods moeten wij ons aardse leven bezien. Dan krijgt het een heel ander aanzien en een heel ander karakter. Zolang wij de oude mens liefhebben, gelijken we op bomen, die op hun eigen plaats de wortels inslaan in de grond, hoe langer hoe vaster. Deze aardse gezindheid is vreselijk in haar wezen, en nog vreselijker in haar ontwikkeling. Denk aan Judas, die zich in en aan Jezus niet wilde verliezen, en tenslotte heenging naar zijn eigen plaats (Hand. 1 : 25).
Heel anders wordt het, als we leren uit het geloof te leven en het goed leren vinden, dat het oude voorbijgaat en alles nieuw wordt. Dan zullen we ons leven niet zelf in de hand houden, maar het overgeven. Dan zal de verdrukking lijdzaamheid werken, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop, en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest (Rom. 5 : 3 vv.). Dat kan alleen als wij onze lichamen stellen 'tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande' (Rom. 12 : 1). Als wij niet meer onszelf willen zijn en blijven, maar God toebehoren. Dan zullen wij niet het middenpunt van ons eigen bestaan blijven, maar God zal het worden.
Met ons leven zal het dan gaan, zoals met een gebouw, dat hier wordt afgebroken om elders te worden opgebouwd. De bouwmeester weet hoe de samenhang der stukken zal moeten zijn. De oude bewoner kan het bijna niet aanzien, hoe alles uit z'n voegen komt en van z'n plaats. Hij zou alles in z'n orde, z'n samenhang willen houden. Maar neen, het gaat alles volgens het nieuwe plan. Wat daartoe dienen kan, krijgt een duurzame plaats; wat daartoe onnut is, wordt weggeworpen.
Welk een hoger licht valt daarmee op uw leven! Misschien ontdekt ge in dat leven allerlei, wat u raadselachtig voorkomt. Het wil niet recht een geheel worden. Soms meent ge iets van een plan daarin te zien. Maar ziet, dan komt er weer stoornis. Een droevige open plaats komt er in uw bestaan. Vrienden stellen u soms teleur. Man, vrouw of kind werd weggenomen, als ge meendet iets van aards geluk gevonden te hebben. Zorgen bewolkten de hemel op de heldere middag van uw loopbaan. - Zo wil uw leven geen geheel worden. Het wordt niet wat gij wilt, maar wat een Ander wil. En wat die Ander wil, weet gij niet. Gij kunt niet recht uzelf worden; soms niet eens recht tot uzelf komen. - Maar, mijn broeder of zuster, dat moet ook niet. Gij moet tot God komen. Want alle waarachtige inkeer tot onszelf is inkeer tot God. Alle ware zelfkennis is Godskennis. Wees niet troosteloos als ge lijkt op "'t hijgend hert, der jacht ontkomen", wanneer dat u er maar toe brengt om te schreeuwen naar de levende God. Wanhoop niet, als de ziel zich nederbuigt in u, maar hoop op God, want gij zult zijn naam nog loven. Treur niet te zeer, als het plan van uw aardse leven niet zuiver kan worden uitgevoerd, maar denk eraan, dat Gods gebouw naar zijn vast bestek in eeuwigheid zal rijzen. Bedenk, dat Hij u als een levende steen wil invoegen en dat daarom uw eigen plan niet ongestoord voltrokken kan worden.
Ons leven wordt gedacht door hoger Geest dan onze eigen. De raad des Heren bestaat in eeuwigheid (Ps. 33 : 11). Daarom worden onze raadslagen altijd weer verbroken. De oude mens kan niet tot rust en stevigheid komen. Gelukkig niet, want we zouden vastgroeien in onze eigen zonde en eeuwig verloren gaan. Nu stoort ons telkens de nieuwe mens Gods.
Onze tekstwoorden zijn geen bevel, geen aansporing, maar zij stellen een-voudig vast, dat ieder die in Jezus Christus gelooft, de nieuwe mens heeft aangedaan. Het is een feit. Maar wat dat feit betekent, daarvan merken wij nu nog niet regelrecht de heerlijkheid. Integendeel, er komt lijdzaamheid bij te pas. Het nieuwe mens-zijn is nog geen ondervinding maar bevinding. Zoals we daarstraks reeds lazen in die heerlijke tekst uit de Romeinen-brief, het loopt van verdrukking tot hoop. Dat is de toon, waarin het geloof is gezet. Dat is de wijze, waarop de christen z'n lied zingt. Het is een lied 'uit de diepte'.
Zo ontstaat de vrede, die alle verstand te boven gaat (Fil. 4 : 7). Zo leren wij Gods doen goedkeuren. Zo zullen wij zijn werk kunnen eren. Misschien zijt ge in rouw en tranen. God nam geliefde betrekkingen uit uw leven weg. Ledige plaatsen zijn om u heen. Gij gevoelt u eenzaam. Waarom dit alles? - Denk er dan aan, dat het oude voorbijgaat. Gij hebt de nieuwe mens aangedaan. En die nieuwe mens behoort tot een grote gemeente, voor het grootste deel reeds aan de overzijde van het graf. Zult ge Gods doen bedillen, als Hij bezig is u plaats te bereiden en u nu reeds tabernakelen doet oprichten in de eeuwigheid, waar men u zal verwelkomen op uw komst? Zoudt ge liever straks alleen daar wonen, waar God de schapen Israëls weidt? Hier wordt de kring verbroken, daar wordt hij saamgevoegd. Het oude gaat voorbij. Ziet het wordt alles nieuw.
Jezus zegt dat Hij de zijnen tot zich zal trekken als Hij verhoogd zal zijn (Joh. 12 : 32). Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, zegt de apostel (Kol. 3 : 5). Het geloof dat de nieuwe mens is aangedaan, doet de kracht der zonde teniet. De prikkel des doods wordt weggenomen. Dan zal alles in ons zich uitstrekken naar wat van Christus is. Het geloof is geen ledig, geen rustig ding. Het trekt uit en het trekt aan. Paulus noemt in ons teksthoofdstuk de dingen, die het geloof aflegt: gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond, liegen, en hij wijst aan, wat het geloof aandoet: de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid.
Wanneer wij overdenken welke deugden het zijn, die het geloof vergezellen, dan merken wij dat ze alle familie zijn van de lijdzaamheid. Ze kunnen alleen beoefend worden als er hoop is in het leven, hope des eeuwigen levens. Maar als die hoop leeft, dan ontstaan zij ook vanzelf. Ze behoeven niet gemaakt te worden. Het zijn de eigenschappen van de op God wachtende mens. Als de lampen brandende zijn tot de bruidegom komt (vgl. Mt. 25 : 1-13).
De christen is schildwacht der eeuwigheid. Hijzelf wordt afgelost. Het oude gaat voorbij. De oude mens is met Christus gekruisigd. Alles wat wil achterblijven, alles wat wil blijven ook, is zonde. Het wachten is op de nieuwe mens, die door het geloof is aangedaan.
Dankgebed:
Barmhartige Vader, U danken wij, dat Gij tot ons gekomen zijt met Uw rijke beloften. Uw liefde en macht zijn groter dan onze zonde en zwakheid. Wanneer wij wachten, dan werkt Gij. Als wij sluimeren of slapen, dan waakt Gij. Gij maakt alle dingen nieuw. Gij doet het nieuwe Jeruzalem uit de hemel nederdalen. Wij kunnen U niet vergelden Uw trouw, die nooit vergaat. Zegen Gij ons verder als wij op U wachten en hopen op Uw toekomst. Amen.