Ik ben niet
Lukas 22 : 54-62
In onze eerste overdenking hebben we nagedacht over diepe onzekerheid, die de ondergrond vormt van ons leven. Een aartstwijfel, die hierin z'n reden vindt, dat we van onze eigen levenswortel moeten worden losgemaakt en overgebracht in de wereld van Gods eeuwige raad, de raad des vredes: het Evangelie. Die twijfel vond in de lijdensnacht z'n uitdrukking in de vraag der discipelen: Ben ik het? Die vraag kan uitdrukking zijn van de diepste zielenood, die de wereld kent; ze wordt door Jezus voldragen aan het kruis. Ze kan ook overgaan in de blijdste verwondering en ze zal dat doen in de eeuwige heerlijkheid, als de zaligen zichzelf niet meer herkennen. Wie die vraag niet kent, stoelt nog op de bittere wortel der zonde en kan haar slechts in onoprechtheid naspreken.
Onze tweede meditatie overwoog de koninklijke majesteit van Jezus' woord in Gethsemané, als Hij met goddelijke vastheid en onveranderlijkheid voor de zijnen intreedt en op hun plaats gaat staan, met de woorden: Ik ben het. En de volle heerlijkheid en troost daarvan ontdekten we hierin, dat ze niet buiten ons om gesproken worden, maar midden uit de grote twijfelvraag van ons leven, die Jezus in zich opneemt, hoorbaar worden. Nu spreekt de Geest in ons hart het Abba, Vader en ontvangen we macht om kinderen Gods genaamd te worden (vgl. Rom. 8 : 15; Joh. 1 : 12).
We worden thans nog eens bepaald bij drie korte woorden, die weinig verschillen van de vorige. De woorden die Petrus uitspreekt, naar het Evangelie van Lukas, als hij Jezus ten tweeden male verloochent. Dan voert hij die vreselijke, duidelijke, niet mis te verstane taal: Mens, ik ben niet (vs. 58). Hier is geen onzekerheid, hier is geen twijfel. Deze woorden klinken even klaar en vast als die van Jezus in Gethsemané. Alleen maar zijn ze samengesteld met dat veelbetekenende niet aan het einde. Ze bevatten een verloochening en geen belijdenis. Maar in haar soort en in de vorm schijnt de eerste even onwankelbaar als de laatste. Jezus zegt: Ik ben het. Hij legt de goede belijdenis af, die Hij straks herhaalt voor Kajafas en Pilatus. Hij legt die af voor z'n discipelen; ook voor Petrus. Hij gaat voor hen staan en dekt hen met z'n lichaam en met z'n ziel, als de goede Herder de schapen. Petrus zegt: ik ben niet. In dat woordje niet legt hij al z'n moed, vastheid, verzekerdheid. Daarin zoekt hij z'n veiligheid, z'n behoud, z'n heil. Z'n overtuiging, z'n ziel legt Petrus met alle nadruk in het woordje: niet. Hij zegt het zo, dat men hem zal moeten geloven en er geen twijfel meer zal kunnen overblijven. Nu zal men hem niets meer vragen. Petrus is niet van Jezus. Dat kan ieder nu voortaan zeker weten.
Twee vastigheden naast elkaar. Die van het: Ik ben het, en van het: Ik ben niet. De belijdenis van Jezus en de verloochening van Petrus. Armzalige vastheid, die van de verloochening. Driemaal moet ze herhaald worden, steeds vaster, altijd sterker in de uitdrukking. Voor de belijdenis gaan de machten der duisternis ter aarde. Dood en schuld deinzen voor Jezus' woord terug. Voor Petrus' verzekeringen doen ze het niet. Ze keren terug tot driemaal toe; ze laten zich niet overtuigen door dat schijnbaar zo besliste: niet, uit mensenmond. En ze winnen het, want als Petrus het driemaal gezegd heeft, gaat hijzelf ter aarde en is een gebroken man. Iedere overwinning brengt hem dichter bij de nederlaag. Treurige moed, die van de ontkenning. Geen zwaarden en stokken zijn tegen Petrus uitgetrokken. Geen gesel om z'n rug te striemen. Geen nagelen om z'n handen en voeten te doorboren. Het is slechts een uitgestoken vinger in het halfdonker van de nacht, die vragend naar hem wijst. Eenmaal en nog eens en nog eens. En daartegen is het dat de rotsman Petrus alle vastigheden opstelt, die in en aan hem zijn. En nog geloven ze hem niet. - Wat meer is, ze hebben gelijk, die vingers in de duisternis, die vragen in het schijnsel van de vuurvlammen. Nu Petrus gaat verloochenen, nu gaat alles om hem heen belijden. De duisternis en de schemering en het vuur, ze nemen het op voor Jezus en ze getuigen tegen Petrus en storen zich niet aan z'n ontkenningen. De ontkenning en de verloochening zal de wereld niet overtuigen, maar het Evangelie zal het doen. Uit alle hoeken zal de waarheid opwaken en in een geweldige samenstemming zich verenigen met de goede belijdenis van Jezus.
Maar het wonderlijkste is, dat Petrus' verloochening zelf een belijdenis is. Het baat hem niet als hij z'n heil en veiligheid zoekt in de ontkenning. Ook zó moet hij de waarheid getuigenis geven. Ik ben niet, zo roept Petrus uit. Het is zo. Daar is slechts Eén, die in die ure kan zeggen: Ik ben het. Het Evangelie is geen geschiedenis van Petrus, Jakobus of Johannes. Zij zijn het niet. Wat dunkt u, zou het Evangelie nog Evangelie zijn, als Petrus naast Jezus een: Ik ben het gesproken had en met Jezus gekruisigd was geworden? Denkt u dat in en keer dan terug tot Petrus' woorden boven deze overdenking en ge zult ze zien in eeuwigheidslicht. "Ik zal de Herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden" (Mt. 26 : 31). God is het alleen in het Evangelie en alle anderen zijn het niet. Daarvan geeft alles getuigenis. Ook tegen wil en dank. En ook de verloochening geeft getuigenis aan de belijdenis, al is ze zelf geen goede belijdenis en al moet ze bitterlijk beweend worden. Ik ben niet, dat roepen alle dingen, die tegen het Evangelie zijn; en ze hebben gelijk, want ze spreken daarmee reeds uit hun bestemming om teniet gedaan te worden met de laatste vijand, de dood. Ik ben niet, zo roept ook alles in het Evangelie, behalve Jezus, en het spreekt daarmee uit dat er maar één naam onder de hemel genoemd is, waardoor wij kunnen zalig worden (vgl. Hand. 4 : 12). In de Heilandsure der wereld bezwijkt ook Petrus' 'vlees en hart'.En als de Geest nu met onze geest getuigt, dan is het van Jezus alléén en niet van Petrus. Christus is het hoofd der kerk en Petrus kan zijn plaatsbekleder niet zijn. Hij heeft het zelf ontkend in de nacht der verloochening.
Petrus had het zelf met de anderen gevraagd op de paaszaal: Ben ik het? Nu geeft hij er zelf een antwoord op: Ik ben niet. Zo komt het als we aan de diepste levensvraag een eigen oplossing geven. Wij kunnen die vraag niet zelf beantwoorden en als we het doen, dan wordt het een verloochening en geen belijdenis. Beter geen zekerheid dan deze eigene, menselijke: de zekerheid van het niet en van de dood. Laten we de vraag openhouden, tot Christus in onze plaats zijn: 'Ik ben het' spreekt. Dan kunnen wij de goede belijdenis doen: Mijn Heer en mijn God (Joh. 20 : 28).