Gij zegt dat Ik het ben
Lukas 22 : 66-71
Wanneer wij de evangeliën raadplegen over de vorm, waarin Jezus voor hogepriester en stadhouder de goede belijdenis betuigd heeft (1 Tim. 6 : 13), dan merken we op dat ze die betuiging meestal niet rechtstreeks doen luiden. We lezen: Gij zegt het (Mt. 27 : 11), of: Gij hebt het gezegd (Lk. 23 : 3), of zoals in onze perikoop: Gij zegt dat Ik het ben (vs. 70). Slechts eenmaal, bij Markus, als hij het verhoor voor Kajafas mededeelt, staat er: Ik ben het (Mk. 14 : 62). Sommigen vinden in die indirecte bevestiging minder dan in dat laatste; anderen lezen er meer in. Wie er meer in zien houden het ervoor, dat Jezus daarmee heeft willen zeggen, dat de vraag een erkenning van z'n hoge betekenis inhoudt. Wie er een verzwakte toestemming in vindt, bedoelt dat Jezus half onwillig of slechts ten dele de vraag bevestigt. Ik geloof, dat we noch het een noch het ander behoeven aan te nemen. Het is, blijkens de indruk die de woorden maken, in oosterse taal wat Markus, in meer westerse vorm weergeeft met een: Ik ben het.
Zo lezen we dan hier, in andere vorm en in ander verband, nog eens hetzelfde, wat we in onze tweede overdenking beschouwden. En toch is het niet hetzelfde. Daar, in Gethsemané, staat Jezus voor z'n discipelen en als ze met zwaarden en stokken aankomen, dan treedt Hij plaatsbekledend uit de groep tevoorschijn. Hij dekt hen met z'n woorden. Hier voor Kajafas of Pilatus hebben ze Hem reeds allen verlaten. Hier geldt het: Jezus alleen. De persoon van Jezus, z'n naam, z'n ambt, z'n werk komt in het middenpunt te staan en het Evangelie verdiept zich naar het einde steeds meer. Steeds duidelijker wordt het, dat het geen geschiedenis is van twaalf discipelen en één meester, zoals er wel meer zijn in de oudheid, maar dat de zaak van God en mens in het geding is, ééns en voorgoed. Jezus, de rabbi van Nazareth, de goede medicijnmeester en de leider der scharen, gaat steeds meer op in de Christus Gods, de eeuwige Koning, die van God gezalfd is over Sion, zijn heilige berg (Ps. 2 : 6). Naar die namen wordt Jezus gevraagd; door de hogepriester of Hij de Christus is, en door de stadhouder of Hij de Koning is. En beide malen antwoordt Jezus: Gij hebt het gezegd; gij zegt dat Ik het ben; Ik ben het.
Zo wordt het steeds duidelijker, naar het slot van Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes, dat we niet te doen hebben met een verhaal, maar met een Evangelie. Geen vertelling van dingen, die in ons jaartalboek een plaats kunnen vinden, maar een boodschap uit de eeuwigheid, een profetisch Woord, dat zeer vast is, en waardoor ons de verborgen raad en wil van God aangaande onze verlossing volkomen geopenbaard zijn. Het Evangelie wordt gebracht door boden, wier voetstappen zijn op de bergen en die de vrede boodschappen (vgl. Jes. 52 : 7). Ze zijn verwant aan de engelen in Bethlehems velden en komen als over de rand der wereld naar ons kijken om ons te zien in onze rampzalige zondestaat en ons het verlossende woord toe te roepen.
Daarnaar is de vraag van priester en stadhouder of aan Jezus die betekenis toekomt. Of dat, wat eenmaal gebeuren zou, waarnaar de profeten in alle eeuwen hadden heengewezen en waarvan de apostelen verkondiging zouden doen tot aan de einden der aarde, of dát in Jezus vervuld was geworden. Of Hij de Christus en de Koning was. Of Hij van God kwam en God was. Dat is de grote, brandende vraag in het Evangelie. En die vraag blijft zo tot het einde der eeuwen: Wat dunkt u van de Christus (Mt. 22 : 42)? Wanneer Jezus daarnaar gevraagd wordt voor de Joodse raad en in het Romeinse rechthuis, dan zijn Petrus, Jakobus en Johannes geheel uitgeschakeld. Dan is de gedachte dat zij het ook zouden kunnen zijn, zoals bij de gevangenneming, geheel terzijde gesteld. Sedert heeft Petrus z'n menselijk, zondig en toch profetisch woord: Ik ben niet, gezegd. Nu is er niemand meer naast Jezus. En wanneer er nu naar Hem gevraagd wordt, dan gaat het erom of Hij bij God was en God was. Deze twee blijven er over. De Zoon des mensen, de Zondendrager, de Kruisdrager en God de Eeuwige, de Heilige, de Volheerlijke. Zal Jezus in de plaats van God durven gaan staan? Zal Hij zich met God durven vereenzelvigen? Is Hij degene, die komen zou? Is Hij de Christus, de Koning?
Op die vraag heeft Jezus, luidens alle evangeliën, geantwoord met een bevestiging. Gij zegt, dat Ik het ben, of: Ik ben het. Alle evangelisten hebben verkondigd dat Hij de goede belijdenis heeft betuigd en dat er maar één naam onder de hemel genoemd wordt, waardoor wij kunnen zalig worden. Nu is Hij, die ons in alles gelijk geworden is, uitgenomen de zonde, die zichzelve vernederd heeft tot de dood, ja de dood des kruises, de openbaring Gods in de wereld (Fil. 2 : 8). Nu zien we in de evangeliën geen droeve mensenhistorie, een mooi begin met jammerlijke afloop, maar een verborgen Godsgeschiedenis, openbaring van Gods verborgen raad en wil aangaande onze zaligheid. Een komen van God in de wereld, in lijden en dood, om ons de opstanding en het leven te verwerven.
Dat alles was slechts zichtbaar voor het geloof. Het moet nog geloofd worden en beleden. Het wordt niet gezien en bewezen. Jezus zelf heeft het eerst geloofd en beleden. Hij is de overste Leidsman en Voleinder des geloofs (Hebr. 12 : 2), en Hij heeft de goede belijdenis betuigd. Dat: Gij zegt dat Ik het ben geeft door z'n vorm toch ook getuigenis aan de verborgenheid der godzaligheid. Ook al heeft het dezelfde betekenis als een: Ik ben het, dan ligt in die niet-rechtstreekse vorm toch ook opgesloten, dat het niet door vlees en bloed geopenbaard wordt, maar door de Vader die in de hemelen is (vgl. Mt. 16 : 17). Petrus loochent het. God doet verkondigen, dat Jezus de Christus is. En als God het zegt, dan is het een verborgenheid, die Petrus, Jakobus en Johannes ons niet kunnen waarmaken. "Gij zegt dat Ik het ben." Op een andere plaats zegt Jezus zelf: Gij zult Mij toch niet geloven, als Ik het u zeg (vs. 67).
Het Evangelie moet gepredikt worden van boven af. Het is in een mensenhart niet opgeklommen, maar het is Woord Gods (vgl. 1 Kor. 2 : 9). Jezus doet geen moeite om het door een sterke, stellige vorm geloof te verschaffen. De belijdenis zoekt haar kracht niet in sterke woorden en stellige vormen, zoals de verloochening. Geen eed en bezwering is nodig. Ja is ja en neen is neen, in het Koninkrijk der hemelen (vgl. Mt. 5 : 37). De prediking doet niemand ter aarde vallen. Zij kiest een zachte vorm voor haar verzekeringen en wie dan niet gelooft, die zal het ook niet doen, al kwam er een engel uit de hemel. Dat is de toon van Jezus' belijdenis voor de hogepriester en de stadhouder. God zal het waarmaken.