O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Gij zegt dat Ik het benGedrukte preken en overdenkingenGrote blijdschap →

Verzamelde Werken, deel 7 · Gedrukte preken en overdenkingen · p. 483–485

Drie grendels op de deur

Mattheüs 4: 1-11

Bij z'n doop had Jezus gezegd, dat Hij alle gerechtigheid moest vervullen. Alles wat een mens doen en lijden moet, wilde Hij op zich nemen. Hij is geworden onder de wet (Gal. 4 : 4). Daarom is Jezus na z'n doop niet meer vrij. Hij moet alles doen wat een mens gezet is: de Heilige Geest, die op Hem is neergedaald, leidt Hem naar de woestijn, om verzocht te worden van de duivel. Jezus begint daar, waar Adam en Eva begonnen zijn: Hij komt in de verzoeking. Let wel: de Heilige Geest brengt Hem daar. Niet Jezus' begeerte om ook eens te weten wat dat betekent. Geen zucht om het hele leven ook aan de allergevaarlijkste kant te leren kennen, zoals zondige mensen dat soms menen te moeten wagen. Hier is geen spelen met de zonde, maar bittere noodzakelijkheid. De Heilige Geest brengt Jezus midden in z'n werk en ambt en de verzoeking is de poort, waardoor Hij het mensenleven als Middelaar binnengaat. De gevallen mens heeft de voordeur voor de boze opengezet. Die kan bij hem in- en uitgaan. En het eerste wat Jezus gaat doen is die deur met drie schriftwoorden te grendelen.

De eerste verzoeking lijkt heel onschuldig. 't Begint bij de allernoodzakelijkste levensbehoefte: het dagelijks brood. Jezus heeft veertig dagen gevast evenals de grootste profeten van het Oude Testament, Mozes en Elia. Maar nu voelt Hij toch, dat Hij ook mens is. Hem hongerde ten laatste (vs. 2).

Dan komt Satan. Hij loert of er in de geestelijke wapenrusting van Jezus ook een kleine opening is. Een plaats 'tussen de gespen van het pantsier' (vgl. 1 Kon. 22 : 34), waar een pijl door kan. En hier meent hij nu een gelegenheid te hebben. Johannes de Doper had kort tevoren gezegd, dat God uit die stenen die daar in de woestijn lagen, wel Abrahams kinderen kon verwekken. Mag de Zoon van God er dan niet een stukje brood van maken, als Hij honger heeft? Dat is toch het geringste, waarmee Hij zich in het mensenleven wat ruimte verschaffen kan. Hij zal zich geen discipelen maken uit die stenen, maar een stukje brood mag toch wel? Zal Hij niet even onder de wet van het mensenleven vandaan komen? Het lijkt zo onschuldig.

Maar Jezus wil alle gerechtigheid vervullen. Van de doop tot de dood. Dus ook het brood. Met alle woestijnreizigers, van de Israëlieten uit de woestijn tot op de malaise van onze tijd toe, wil Hij de zorg des broods delen. Hij wil ook evenals zij bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood (Mt. 6 : 11). Hij wil met hen uit Gods hand leven. God had Israël ook gespijzigd al was het niet met gewoon brood. ⚑Jezus wil niet onder de voorzienigheid Gods vandaan komen. Met de raven en de dieren des velds, de mussen en de mensen wil Hij onder de zorgen Gods blijven leven.

De tweede verzoeking. Satan neemt Jezus mee naar de heilige stad en stelt Hem op de tinne des tempels (vs. 5). Deze bekoring is erger dan de eerste. Vreselijk is al dadelijk bij 't begin Jezus' werk. Niet alleen op Golgotha heeft Hij geleden, maar de ganse tijd zijns levens. Hij is in de macht van Satan. Die 'nam Hem mee'. Het is alsof de Heilige Geest, die Hem naar de woestijn geleid heeft, geweken is en Hij van God verlaten is.

Jezus staat boven de leegte van het mensenleven. Broodnood is niet het ergste. Erger is de leegte om ons, beneden ons, boven ons, rechts, links. Jezus staat alléén naast de duivel. Nog wel op het dak van de tempel. Op het dak van een kerk. Is dat het mensenlot, dat Jezus op zich genomen heeft? Hem duizelt. Zal Hij zich staande kunnen houden? Wat is het hier leeg. Wat kan men diep vallen. Wat is het mensenleven, zelfs op de heiligste plek der aarde, boven op de tempel te Jeruzalem, nog boos. De duivel staat er naast Jezus. Anders niemand. Is dat een mensenziel, zich zo te gevoelen als Jezus daar op die eenzame plaats?

Satan ziet met z'n scherp oog naar de lijdensgestalte van Jezus. Hij boort met z'n blik in de angsten van z'n hart. Angst heeft Jezus niet alleen in Gethsemané geleden, maar reeds dadelijk bij 't begin van z'n werk, daar boven op de tempel. Zal Hij z'n werk aandurven? Hier ziet Hij dat Hij het alleen zal moeten doen. Welk een zaligheid, welk een gemeenschap der heiligen heeft Hij verlaten. Hier is niemand en niets dan alleen 'angst en gericht' (Jes. 53 : 8). Zal Jezus het uithouden?

Satan verzoekt Hem ten tweeden male. Hij raadt Hem om uit de angst en onder de wet vandaan te komen en zich de engelen in de armen te werpen, die naar Psalm 34 altijd gereed staan om Hem op te vangen. Dan is het uit met de angst. Maar dan heeft Hij ook z'n ambt laten varen. Jezus weigert ten tweeden male. Gij zult de Heer uw God niet verzoeken (vs. 7). Hij mag de verzoeking waaraan Hij blootstaat niet op God afwentelen. Hij moet het uithouden en zo vervullen, wat er in de rol des boeks van Hem geschreven staat.

De derde verzoeking. Satan neemt Jezus mee op een zeer hoge berg en toont Hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid. Hij wil ze Hem geven, als Hij nedervallende hem aanbidt (vs. 8 v.).

Deze verzoeking is de ergste. Maar dat dat zo is, kunnen wij ons 't moeilijkst indenken. We staan zelf dichter bij de eerste en tweede. De broodnood en de zielenood. De honger en de angst. De laatste verzoeking is geheel geestelijk. Ze is nauwelijks meer menselijk. We begrijpen haar bijna niet. Ze gaat terug tot de oorsprong van alle verzoekingen, daar waar Satan zelf gevallen is, voor hij mensen verleidde. Waar de hoogmoed uit het hart opwelt; de zonde, die niet te verontschuldigen is. Waarvoor geen excuus is te vinden in het lichaam of in de ziel. De zonde die, bij vrije wil, opkomt uit de geest zonder aanleiding. De zonde, die tegen God is alleen omdat men niet onder Hem wil staan.

Deze verzoeking ontroert ons niet zoals de eerste en de tweede. Ze heeft plaats op een zeer hoge berg. Niet meer in de natuur, als die in de woestijn. Niet meer op een kerk. Maar bijna buiten het leven, op een van die koude hoogten, waar alleen onze gedachten en niet onze gevoelens kunnen volgen. Hier staat Jezus tegenover de duivel in z'n ware gedaante. Hier blijkt het dat we de strijd niet hebben tegen vlees en bloed (Ef. 6 : 12). Dat broodnood en zieleangst 't ergste niet is, maar de neiging om onder de wil van God vandaan te lopen.

Jezus schuift de laatste, de grote grendel voor. De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Hij blijft onder de wet. Hij wil alle gerechtigheid vervullen. Nood en angst moeten uit te houden zijn, als we onder de voorzienigheid Gods blijven en blijven bidden: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde (Mt. 6 : 10).

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Gij zegt dat Ik het benGedrukte preken en overdenkingenGrote blijdschap →