O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Mattheüs 26: 21 en 22Gedrukte preken en overdenkingenIk ben het →

Verzamelde Werken, deel 7 · Gedrukte preken en overdenkingen · Vier overdenkingen in de lijdenstijd · p. 473–475

Vier overdenkingen in de lijdenstijd

Ben ik het?

Markus 14 : 18 en 19

Wanneer we het Evangelie lezen op de plaats, die ik hierboven aangaf, dan is de eerste en sterkste indruk, die we ontvangen, wel een verwondering. We verbazen ons, dat de één na de ander tot Jezus zegt: Ben ik het (vs. 19)? We begrijpen het nog wel in de mond van Judas, als een onoprechte vraag, om de aandacht van anderen en van z'n eigen geweten afleiding te bezorgen. Maar een raadsel is het ons, als we horen, hoe ook de andere discipelen, zonder uitzondering, aan Jezus dezelfde vraag stellen. Die woorden: Ben ik het? gaan de tafel rond, tot er niemand overblijft die ze niet herhaald heeft. Is dat een goddelijke komedie, die hier gespeeld wordt, dat elf mannen, in wier hart geen zweem van verraad is, Jezus vragen of ze in dezelfde nacht zullen doen, waaraan geen haar op hun hoofd denkt? Juist als een oprechte vraag verstaan we het niet.

We zouden ons van de moeilijkheid kunnen afmaken als we aannamen, dat Judas, vol schrik over de woorden van Jezus, om zich een houding te geven, het eerst de vraag had gedaan en dat toen de anderen, toen er een schaap over de dam was, in dat angstig ogenblik hetzelfde hadden gedaan, zonder goed te beseffen, wat het in hun mond betekende. Maar ik geloof niet, dat we daarmee de bedoeling van het Evangelie zouden treffen. Ik denk aan een bekende schilderij waarop het tafereel staat afgebeeld. Daarop wordt wel recht gedaan aan de ernst van de vraag in de mond van de elven. Neen, ik geloof, dat de oprechte vraag van de trouwe jongeren voorop moet staan en dat Judas zich onder hen gemengd heeft en verscholen.

Dat we die vraag van de discipelen niet dadelijk zomaar begrijpen is geen wonder. Ze staat ook in het Evangelie. Daar staan we niet aan de oppervlakte van het leven, maar alles krijgt er z'n betekenis van de raad Gods uit. Het Evangelie is de prediking van een werk Gods en geen geschiedenis van Petrus, Jakobus of Johannes. Deze komen er wel in voor, maar zodra ze goed merken dat ze in het Evangelie staan, zijn ze zichzelf tot een raadsel geworden. Dan verstaan ze hun eigen leven niet meer. Ze kennen zichzelf dan niet. Dan vragen ze: Ben ik het? Dat zal Petrus zich ongetwijfeld hebben afgevraagd toen Jezus hem Satanas noemde en hem beval achter Hem te gaan (Mt. 16 : 23). Petrus, die op datzelfde ogenblik aan Jezus een vriendelijke en bezorgde raad gaf om toch niet op de lijdensweg te treden. Wanneer iemand zoiets overkomt, dat hem voor een welgemeende raad het woord Satan naar het hoofd wordt geworpen, die merkt wel heel duidelijk dat hij een sta-in-de-weg kan zijn, zonder te weten waarom. En dat er een werk en een wereld om hem heen draaien, die z'n begrip zover te boven gaan, dat hij zelf nauwelijks weet waar of wie hij is.

Hier zijn nu twaalf mannen met Jezus samen om het Pascha te vieren, wat deze grotelijks begeerd heeft (Lk. 22 : 15). Wat dat betekent menen ze goed te weten. Het was gevierd van Mozes' dagen af en een goed Israëliet wist nu toch langzamerhand wel wat het inhield. Het zal hun gegaan zijn zoals ons, als we een enkele maal een catechisant ontdekken, die niet weet wat Kerstmis of Pasen of Pinksteren betekent. Dan slaan we de handen in elkaar en vragen hoe 't mogelijk is. Maar dan vergeten we, dat we de betekenis van het Evangelie nog helemaal niet begrepen hebben als we nooit met een verwarring en een onwetendheid, nog honderdmaal groter dan die van zulk een catechisant, onze onkunde hebben beleden en met de jongeren op het Paasfeest hebben uitgeroepen: Ben ik het? Toen het Pascha in het Evangelie kwam, is het waarheid en werkelijkheid geworden. Toen was het geen huiselijk en stichtelijk en vroom feest meer, geen schaduw meer. Toen was het geen plechtigheid in het leven van Petrus, Jakobus of Johannes, maar toen kwamen, juist omgekeerd, deze discipelen met Jezus in het Pascha en met hen Pascha in het Evangelie. Toen ging het eeuwige werk Gods door hun leven als de storm op het Pinksterfeest. De één werd offerlam. Het was Jezus zelf. Zijn lichaam wordt verbroken; zijn bloed vergoten. De oude schaduwen vallen weg en ineens staat Hij, die de schaduwen wierp, in het volle licht, midden onder hen. Zie, het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt (Joh. 1 : 29). Oude profetieën, eeuwen geleden gesproken; oude psalmen, eeuwenlang gezongen, worden bewaarheid. En Jezus zelf, in het middenste kruiswoord, roept het ook uit: Mijn God, mijn God, ben ik het? Hij klaagt het God of dat zijn plaats is in het Evangelie.

Moet het ons dan verbazen, dat de jongeren, nu de profetieën in vervulling gaan en de psalmen, die ze zingen, hun eeuwige echo's in hun eigen leven laten opwaken, er ook iets van gevoelen, dat er nog een andere zekerheid in een mensenleven is dan de gewone morele, die gemeten kan worden aan een goed of kwaad voornemen, dat ze in hun hart mochten koesteren, en waarvan ze zelf wel zo ongeveer weten of het er is of niet? Nog een andere bestemming ook dan die, welke een mens klaar voor ogen staat, als hij 's morgens de dag begint en die hij misschien meent te kunnen afzien althans tot de avond van dezelfde dag, of van de late avond tot de volgende morgen als hij, zoals Jezus' discipelen, moet waken? Als ze allen met die gewone zekerheid en die openbare bestemming hadden gerekend, dan zouden ze niet gevraagd hebben: Ben ik het?

Het leven heeft twee kanten. Enerzijds onze kleine menselijke levensweg. Daarbij hebben we meestal het gevoel alsof we ons van de dingen om ons heen kunnen bedienen. Zoals men dat doet van een presenteerblad. We menen te kiezen van ogenblik tot ogenblik en te beslissen van stap tot stap. Precies andersom is het als we ons leven zien, zoals het staat midden in het Evangelie en met Jezus een stuk daarvan. Als we onze namen lezen, geschreven in Gods eeuwige boek. Dan zullen er namen en titels op ons worden toegepast, die we zelf niet kennen, noch verdiend of verworven hebben. Zodat we vragen: Ben ik het? Een zondaar wordt kind Gods genoemd en een fatsoenlijk mens een kind des duivels. Dan vervult een mens een lot en bestemming, die hij zelf niet heeft afgebakend en waarvan hij 't einde niet afziet. Een oude profetie: de man des vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks opgeheven (Ps. 41 : 10), wordt vervuld in een van Jezus' discipelen. En in zijn plaats komt later, om zijn opzienersambt te nemen, de man, die te voren 'de verzenen tegen de prikkels sloeg' (vgl. Hand. 9 : 5).

Wanneer men zulke dingen ziet gebeuren, dan is er wel reden het hele leven onder deze vraag te stellen: Ben ik het? De vraag naar onze plaats naast of tegenover Jezus in het Evangelie. Die plaats gaat niet buiten ons om, evenmin als ons gewone zelfgekozen of zelfbepaalde kleine leven. Maar onze plaats in het Evangelie, in de prediking van Gods raad over de mensen, is geweldiger over ons hart dan wat we zelf weten of willen. Als we erover denken of ermee bezig zijn, dan noemen we dat geloof of ongeloof. Beide malen, zowel in het geloof als in het ongeloof, vragen we: Ben ik het? Zoals de elven het vragen en Judas ook. De vraag der jongeren is echt. Die van Judas namaak. Zo is ook de verbaasde vraag van het kind Gods ten opzichte van z'n eeuwige bestemming een oprechte vraag. Ten opzichte van het boze en de verdoemenis luidt op iedere oprechte vraag Gods antwoord: Neen, gij zijt het niet. Alleen de onoprechte vraag, die er zich tussen mengt, hoort uit Gods eigen mond de bevestiging van eigen oordeel.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Mattheüs 26: 21 en 22Gedrukte preken en overdenkingenIk ben het →