O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← EredienstInhoudOffer en Liturgie →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 276–282

Eredienst1

door dr. J. N. Bakhuizen van den Brink

1

De term

Nog eenmaal ben ik gedwongen inzake de term eredienst te antwoorden op hetgeen dr. Noordmans daarover in het Weekblad van 1944 nr. 15 te berde bracht.2 Ik volg het eerste artikel van dr. Noordmans op de voet, omdat enige daarin voorkomende onjuistheden en onaannemelijkheden uit de weg geruimd moeten worden, willen wij in een tweede artikel nog kort over de zaak zelve kunnen handelen. De lezer verontschuldigd mijn beknoptheid; ons blad laat niet meer toe.

1.Het is niet juist, dat in het tegenwoordige gebruik van de term eredienst het eerste lid dezer samenstelling, 'ere', komt te staan in plaats van God. Ik ken geen enkele 'liturg', die dit thans bedoelt. Onder eredienst wordt verstaan dienst ter ere Gods.

2.Al laat het Woordenboek der Nederlandsche Taal theoretisch de mogelijkheid open, dat het eerste lid der samenstelling van het werkwoord komt en niet het zelfstandig naamwoord is, de waarschijnlijkheid daarvan zullen weinig taalkundigen groot achten en de ingevoegde 'e' is geen later misverstand. Evenmin schuilt in het eerste lid een meervoud. En waarom het oneerbiedig is, God in een 'dienst' te eren, begrijp ik niet. "Uw Naam worde geheiligd."

3.Bij de verklaring van de samenstelling eredienst is het methodisch niet recht toelaatbaar terug te gaan naar de samenstellende delen. Het woord is, zoals ik reeds zei, en dr. Noordmans ook toegaf, jong (einde achttiende eeuw); vóórdien bezat onze taal het niet; de woordenboeken van Halma (1729) en van Marin (1768) geven het nog niet; Weiland, Taalkundig Woordenboek heeft het precies zoals wij het gebruiken en noemt ook de inlassing van de 'e' na het zelfstandig naamwoord eer (1801-1802). Ter aanvulling van mijn onderstelling, dat eredienst bij Wolff en Deken misschien op service of worship teruggaat, moet ik nu nog op het Frans wijzen. Van Mook, Fransch-Ned. Woordenboek (1824) geeft culte weer met 'goddelijke eerebewijzing' en in zijn Ned. -Fransch Woordenboek (1826) Eerdienst, kerkelijke dienst met 'culte'. De Dictionnaire de l'Académie francaise van 1825 geeft voor culte ook al precies de verklaring, die daar nog gewoon is. Hiermede is de terminus a quo voor het gebruik van eredienst wel behoorlijk omschreven en tevens de verklaring van het woord taalkundig bepaald. Het is een samenstelling met zelfstandige kracht, ten opzichte harer samenstellende delena en daarom als zódanig te beoordelen en hij is ook geen pleonasme. ⚑4. Maar nu dan toch dat eerste lid, ere, waarmede dr. Noordmans 'eredienst' theologisch bedenkelijk tracht te maken. Als een eregraf wel eens een praalgraf heet of andersom, wie geeft ons dan het recht te concluderen: ere = praal, en dergelijke pregnanties meer? - Niet eens, maar verschillende malen verklaart dr. Noordmans verder eren als waard-eren, schatten. Dit is onjuist. De uitgang -eren van het werkwoord waarderen is de bekende bastaarduitgang, in onze taal gevormd naar de Franse uitgang -er, zoals bijv. ook in taxeren, halveren e.a. Hij heeft niets met het werkwoord eren te maken. Dr. Noordmans brengt ons op dit dwaalspoor nog verder, als hij daarnaast stelt het N.-hollandse 'warschip' en de 'waardschappen' van Mark. 6 : 39. Reeds het hier in het Grieks voorkomende woord symposia had de schrijver kunnen waarschuwen. Waard in waardschappen is het Duitse 'Wirt' en niets anders; waard in waarderen is het Duitse 'wert'. Hiermede is dit deel dezer beschouwingen inderdaad wel geheel en al vervallen. Het is nooit geraden te veel te willen bewijzen.

5. In Kellers Grüne Heinrich, zegt dr. Noordmans,3 kan men zien, wat er in 'eer' zo al kan schuilen. Daar wordt in 't hoofdstuk Totentanz de begrafenis der grootmoeder verhaald. "Het begint met wat liturgie en eindigt in een wilde dans." Wordt voor deze laatste soms de geest der liturgie aansprakelijk gesteld? In werkelijkheid is hier van liturgie slechts in zoverre sprake, dat er een gewone duitse, dus waarschijnlijk lutherse boerenbegrafenis met kerkelijke bijeenkomst wordt aangeduid. En de dans, na 't begrafenismaal, is duidelijk een heel apart verschijnsel, een oude zede voortkomend uit geheel andere, folkloristische bron, wat de schoolmeester in dat hoofdstuk dan ook niet onduidelijk onder woorden brengt.4

6. Wat ik vroeger reeds over de 'honores' der middeleeuwse parochiekerken in dit verband zeide, handhaaf ik nog ten volle. Het fungeren van 'eerlic', waarop dr. Noordmans wijst, is hier nauwelijks op zijn plaats. Deze vorm betekent niets dan eervol, eerwaardig en dergelijke. Trouwens de nieuwere betekenis van 'eer' ligt vrijwel recht in het verlengde van de oude betekenis. Ook hier schuilt geen bijzonders; zie Woordenboek der Nederlandsche Taal na het Middelnederlandsch Woordenboek van Verwijs en Verdam. Het voorbeeld: Laat ons ... Godt Hercules syn jaerlijcsche eere bien (1556) kan men juist hiervoor aanvoeren.5 En als Vondel zegt: "Gode eer en offer brengen"6, is het volmaakt onduidelijk, waarom deze twee termen, met 'en' verbonden, dan elkaars synoniem moeten zijn en hetzelfde betekenen als het voorafgaande godsdienst. Ik zou juist zeggen, dat de godsdienst, wat hier voor eredienst staat, in deze woorden nader omschreven wordt als bestaande in de handelingen eren en offeren, en deze twee zijn dus niet dezelfde! ⚑7. Samenvatting. Dr. Noordmans doet geheel ten onrechte onze term eredienst eerst in een gevaarlijke buurt schuilen - omdat hij zelf het lid 'eer' daar heen drijft - en zegt dan, dat wij het daar vandaan moeten houden. Dan vervolgt dr. Noordmans, dat eer en offer het middelpunt vormen van eredienst, met een karakter van onmiddellijkheid, dat jegens God niet bestaan kan. Ook dit is een overbodige waarschuwing. Een offer kent onze 'liturgische beweging', gelijk ik reeds schreef, alleen in de zin van dankoffer. Tenslotte zegt dr. Noordmans, dat de richting van de dienst der christelijke kerk omgekeerd is vergeleken bij die van het Oude Testament, nl. van boven naar beneden. Wij kunnen dit natuurlijk toegeven. Gods Woord en genade komen van boven tot ons, beneden. Maar toch is het eenzijdig. De Here Jezus zegt: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden (Mark. 11 : 17). Het gebed en de belijdenis, hetzij in de vorm van bidden of van zingen, gaan van beneden naar boven. Dit behoort er ook bij, juist door Gods genade.

2

De inhoud

In de praktijk onzer kerk is het streven van de 'liturgische beweging', het streven naar herstel van de eredienst, het meest bekend geworden door de Handboekjes7 van de Liturgische Kring en thans door de daarop gevolgde volledige Orde van den Eeredienst, reeds in verscheidene gemeenten in gebruik. De geest van deze Orde is onder meer zeer pastoraal van aard. Zoals de hier voorgestelde diensten de deelnemers leren bidden, belijden, genade ontvangen en God loven, juist door de wijze, waarop zij hen uit de houding van toeschouwers en aanhoorders brengen in die van bidders, dragen zij het kenmerk van echte zorg voor de zielen. De liturgische beweging is mede ontstaan uit bekommering om de zielen, opdat zij genezen zouden worden door waarachtige deelname aan de dienst des Heren, die de levensuiting, de ademhaling der gemeente van Jezus Christus is. Deze ademhaling is haar levensbron en wordt haar mogelijk gemaakt door Gods genade. Het is een illusie, te menen, dat de gemeente leven kan van enkel inademen, dat in werkelijkheid dan neerkomt op het aanhoren van de prediking uit menselijke mond. Het is niet mogelijk op deze manier altijd maar te blijven voortgaan. En bovendien geschiedt dit ook niet. Geen 'godsdienstoefening' zonder zang en gebed, dwz. vele vormen van belijden, loven en eer. Ook de Schriftlezing leidt daar herhaaldelijk toe. Van de geest der enkele dogmatiek, didactiek of parenese heeft de gemeente nooit kunnen leven. Het kan dan ook alleen maar toegejuicht worden, wanneer door ordelijk denken over de elementen van de eredienst de rijkdom daarvan tot uiting wordt gebracht en in dienst der gemeente gesteld en het de zielen mogelijk wordt gemaakt om, wat ze misschien nergens anders zó kunnen bereiken, werkelijk te naderen tot haar Heer.

Deze pastorale vrucht van de eredienst brengt bovendien mede, dat men zich bijzonder klein weet voor God. Geen eredienst, die niet - tenzij op heel bijzondere feestdagen - aanvangt met de schuldbelijdenis; waarin niet gebeden wordt: Laat Uw geboón op reis mij niet ontbreken. Het gehele karakter er van brengt mede, dat men zich voor God niets weet. Maar toch ook, dat men weet genade ontvangen te hebben:

Welzalig dien Gij hebt verkoren,
Dien G' uit al 't aardsch gedruisch
Doet naad'ren en Uw heilstem hooren,
Ja, wonen in Uw huis.

Psalm 65 : 2.

Zo wordt de gemeente in de eredienst opgetrokken tot boven haar eigen peil. Dit is niet het werk van de eredienst op zich zelf, maar van de Heer, die zijn dienaren tot zijn gemeenschap toelaat en hen daarin tot zich opheft. Dat kunnen wij niet tegenhouden. Als wij knielen voor de Heer, doet zijn genade meteen wonderen aan ons. Wij worden er slechts te kleiner onder. Maar dit verhindert God niet om te doen met zijn kinderen wat Hij wil en hun ziel te zegenen. Dit is niet het werk van de eredienst als een gesloten bezweringsritus, waardoor magisch en automatisch tot stand gebracht wordt hetgeen feitelijk onbereikbaar is en dan ook door zulke toverij geen geestelijke waarheid zou worden. Door de vormen van de eredienst beschikken wij volstrekt niet over God. Alle beschikking staat aan Hem alleen. Het Woord van God houdt dit alles open voor iedere doorstroming van zijn Waarheid door zijn Geest en met een hierop berekende houding neemt ons hart deel aan de eredienst: Spreek Heer, want uw dienstknecht hoort.

De episcopale en de presbyteriale godsdienstoefeningen der middeleeuwen vormden hierom geen eigenlijke tegenstelling, omdat de presbyters priesters waren zo goed als de bisschoppen. Hier was alleen een kwantitatief verschil in 'honor' der kerken, maar geen kwalitatief verschil. In de achtste en negende eeuw heeft in West- en Midden-Europa de grote uitbreiding en intensivering der kerkelijke organisatie als vrucht der kerstening plaats gehad. Eerstgenoemde moest toen trachten met laatstgenoemde enigszins gelijke tred te houden. Zo ontstonden overgangsvormen, waaraan men uit de aard der zaak geen beginselen voor kerkorde of eredienst kan ontlenen. Een predikantsplaats in het gereformeerde protestantisme, wortelend in een gemeente als afgeronde eenheid, grondelement der organisatie, komt meer overeen met een bisschopszetel dan met de middeleeuwse post van een gedetacheerde presbyter of diaken. De kerk wenste, om redenen van gezag en uiterlijk aanzien, de bisschopszetels niet voortdurend te blijven vermenigvuldigen. Een dergelijk gezichtspunt kende het jonge protestantisme echter niet. De predikanten zijn de nieuwe, maar ook andere 'bisschoppen'. Waren zij dit niet, dan zou het belangrijkste lid der vergelijking hier ontbreken. Maar over deze historische kwestie willen wij niet verder strijden. Het zou ons trouwens gemakkelijk vallen, te laten zien hoe in diezelfde oude eeuwen ook de bisschoppen aangespoord werden om beter als pastores op te treden.

Meer dan één tegenstelling, die in het geheel niet tot de natuur van de eredienst behoeft gerekend te worden en, ook al mocht dit historisch toch eens het geval geweest zijn, zeker vreemd is aan de orde van die eredienst, waarmede wij in hoofdzaak te maken hebben, maar die ons toch door dr. Noordmans wordt opgedrongen, geeft ons tenslotte gelegenheid nog een enkel ander punt in het licht te stellen.

Of de term 'sacramentele dampkring' hier op zijn plaats is, laten wij in het midden; niet wij, maar de Here Jezus heeft het Avondmaal ingesteld, dat als uitgangspunt voor de orde van de dienst fungeert. In zijn boek Liturgie spreekt dr. Noordmans op p. 67 "van de beide, op de wil van Christus berustende instellingen, die wij Doop en Avondmaal noemen".8 Het is mogelijk, dat de schrijver met deze zegswijze een zekere reductie der betekenis van het sacrament wil, omdat dit niet de pure geestelijkheid heeft, die hij wellicht bedoelt. De eerste gemeente in Jeruzalem vierde echter de breking des broods van Pinksteren af met verheuging en in eenvoudigheid des harten en prijzende God (Hand. 2 : 46, 47).

Dit brengt ons op een tweede punt. Dr. Noordmans onderscheidt de geest van de engelenzang in de Kerstnacht en de Pinkstergeest. Hij voert in verband met de aansluiting van de eredienst aan de hiergenoemde heilsfeiten deze onderscheiding op tot een tegenstelling, ni. die tussen waarheid en heerlijkheid, en schrijft letterlijk: "Velen verlangen van de laatste wat meer, van de eerste wat minder."9 Nu kunnen wij al dadelijk deze tegenstelling niet aanvaarden en waarheid en heerlijkheid in de Godsopenbaring des Nieuwen Verbonds, van menswording tot uitstorting van de H. Geest, niet uiteenleggen. Want mens geworden is de Zaligmaker, die van zich zelf zei, dat hij de waarheid is. En de H. Geest, die in alle waarheid leidt, neemt het altijd en uitsluitend uit het zijne (Joh. 14 : 6, 26 en 16 : 13, 14). Maar in de tweede plaats doet ons de zegswijze op zich zelf: velen verlangen wat minder, waar het om de waarheid gaat, wel wat ijzig aan; een schoen, die ons niet past en die wij dus laten staan.

Wij mogen het wel aan Van der Leeuw overlaten, zijn posities zelf te verdedigen. Maar iets mogen wij hier nog zeggen van zijn gezichtspunt, dat de eredienst met de engelenzang: Ere zij God begint. Als de gemeente tracht daarin op haar manier, ik zou bijna zeggen zo'n beetje, want meer kan het moeilijk zijn, met de engelen in te stemmen, dan is zij, Gods lof stamelend in de nieuwtestamentische jubel, toch waarlijk niet bezig, heerlijkheid voor zich zelve te usurperen. Dat mede-dienen met de engelen is veeleer een scholing voor haar tot haar eeuwige bestemming, een stukje redding uit haar aardse miseria. Ook Augustinus zegt, dat wij met de engelen één civitas Dei vormen, waarvan ons deel hier in vreemdelingschap verkeert en het deel, waartoe zij behoren, ons hulp verleent.b Er is niet uitsluitend tegenstelling, ook verbinding tussen die twee.

Als men een ogenblik op zich laat doorwerken wat dr. Noordmans in het bijzonder in zijn tweede artikel over de 'godsdienstoefening' heeft geschreven, dan blijft de herinnering aan een soort rembrandtieke schildering voor ons geestesoog achter. Het is een opvatting, die er zijn mag en die vele andere in diepte overtreft. Bepaalde trekken zijn onverbeterlijk geobserveerd, met meesterlijke subjectiviteit verschillende gegevens behandeld, met name enkele, aan Augustinus ontleend. Het verweer bijv. tegen die engelen, die niet God eren en de mensen helpen om God te eren, maar eer voor zich zelf vragen,c is een kwestie, die op het terrein van de eredienst voor niemand onzer bestaat en geen lezer iets zegt. Maar het verweer levert de schilder een heerlijke toets. Dit doet ook de nadruk op de forma ser-vi en hoe deze het offer aan hem, die in ons midden is als een die dient, uitsluit; niemand onzer intussen, die er anders over denkt. En zo tenslotte de preferentie voor de term servitus, waar Augustinus cultus, religio, pietas en religionis obsequium synoniem met servitus gebruikt.d

Maar geheel rembrandtiek is de schildering toch ook niet. Het 'sursum corda' der liturgie ontbreekt er te veel in, dat is, om in het beeld te blijven, het licht. Het licht was bij Rembrandt de hoofdzaak midden in zijn obscuur, wel te verstaan het wondere licht. Dat valt midden in een volkomen Noordmans-opgevatte aardse werkelijkheid, als op de honderd gulden-prent, of op de schilderij van Christus te Emmaüs (Parijs, Mus. André Jacquefflart) en zelfs op die veel stillere, latere van hetzelfde onderwerp (Louvre). De 'liturgische beweging' zal zich wel wachten, dit licht, dat Christus alleen zelf meebrengt, om zo te zeggen in onze godsdienstoefeningen in te organiseren; verre van daar. Maar haar orde wil er de gemeente op voorbereiden.

Het kan onze taak niet zijn, hier verder over te strijden. Wij dienen dezelfde Heer. Maar naar aanleiding van deze en andere gedachtenwisselingen over de eredienst moet het mij toch wel met alle ernst van het hart, dat het een wonderlijk ding is om dominees met een zo onverdroten moed, telkens maar weer, de manier onzer - ik reken mijzelf er bij - kerkdiensten te horen verdedigen, als ware zij volmaakt onverbeterlijk; kerkdiensten, waarin wij zelf de enige sprekers en al-doeners reeds meer dan drie eeuwen geweest zijn en nog zijn, waar geen ander ook maar iets heeft in te brengen of een oordeel over mag uitspreken. Dit is meer dan conservatisme. Men kent de Oudhollandse aardigheid: zij lieten de zaak zoals zij was.

De zaak nu van de eredienst is niet die der dominees alleen, zij is van de gemeente en een deel der gemeente denkt er dan ook anders over.

Voetnoten

  1. a

    Vgl. Matthijs de Vries in de Inleiding op het WNT.,dl.l,'s-Gravenhage-Leiden1882,p. XLIX.↩

  2. b

    Civ. Dei X 7.↩

  3. c

    Civ. Dei X, 16.↩

  4. d

    Civ. Dei X, 3 en 4,↩

Eindnoten

  1. 1

    J. N. Bakhuizen van den Brink publiceerde Eredienst 1 in WNHK. 28 (6 mei 1944) nr. 18, p.56; Eredienst 2 in WNHK. 28 (13 mei 1944) nr. 19, p. 57 v. Zie over B. p. 142, noot 17↩

  2. 2

    Zie p. 263-268.↩

  3. 3

    Zie p. 265.↩

  4. 4

    G. Keller, Gesammelte Werke, 5 dln., Stuttgart 1921-1922, dl. 112, p. 34: "Auf einmal fing es über unseren Köpfen an zu brummen und zu pfeifen. Geige, Bass und Klarinette wurde angestimmt und ein Waldhorn erging sich in schwülen Tönen. Während der rüstige Teil der Versammlung aufbrach und nach dem geräumigen Boden hinausstieg, sagte der Schulmeister:'So muss es also doch getanzt sein? Ich glaubte, dieser Gebrauch wäre endlich abgeschafft, und gewiss ist dies Dorf das einzige weit und breit, wo er noch einmal geübt wird! Ich ehre das Alte, aber alles was so heisst, ist doch nicht ehrwürdig und tauglich! Indessen mögt ihr einmal zusehen, Kinder, damit ihr später noch davon sagen könnt; denn hoffentlich wird das Tanzen an Leichenbegängnissen endlich doch verschwinden'."↩

  5. 5

    Vgl. WNT., dl. 3/2, 's-Gravenhage-Leiden 1916, kol. 3878.↩

  6. 6

    Vgl. WNT., dl. 3/2, kol. 3879.↩

  7. 7

    Zie p. 143, noot 30.↩

  8. 8

    Zie p. 75.↩

  9. 9

    Zie p. 270.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← EredienstInhoudOffer en Liturgie →