O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Geloven op gezagInhoudLekengedachten over logica →

Verzamelde Werken, deel 2 · p. 153–155

Docta ignorantia1

De geestige schrijver van Kerkelijke Kroniek stelde in nummer 2 van de lopende jaargang van dit blad enige vragen naar aanleiding van mijn bijdrage in het hervormingsnummer.2 Het zou moeilijk zijn daarop niet in te gaan, reeds om de hoffelijke vorm, waarin ze gesteld zijn. Toch ligt in die vorm al een moeilijkheid. Het drietal is gedekt door het opschrift: Indocta ignorantia. En wanneer ik er iets op ga antwoorden, hoe weinig ook, dan plaats ik mij daarmee in de overstaande hoek, die, zoals bekend, bij gelijke capaciteit, een andere naam draagt. Met even grote onwetendheid sta ik dan in de docta ignorantia. Bij de ernst der vragen is dit verschil echter van weinig betekenis. Indien ergens, dan zitten weten en niet-weten in de theologie toch wonderlijk dooreen.

Van de genoemde punten zal ik het derde hier niet aanroeren. Het is wat men een probleem noemt. De schrijver zelf zegt het zo. Het kan wachten. Er staat geen vraagteken' achter. Ik laat het rusten. Met de beide andere staat het anders. Er zit onrust, misschien ongerustheid in. Ze lijden geen uitstel.

Nu zou ik kunnen trachten die ongerustheid te temperen door de opmerking, dat het weekblad de meeste abonnees wel niet zal tellen in het Zuidhollands polderland. Maar daarmee raak ik dan slechts de inkleding. De onrust zit dieper. Zij geldt de betekenis van mijn beschouwing en niet het misverstand daarvan. Er blijft dus niet anders over dan te trachten de kern te benaderen.

Op een groot gevaar daarbij moet ik vooraf wijzen. Het blijft steeds een hachelijk ding als uit een ideeëngeheel in beweging, een preek of wat daarmee overeenkomt, een of twee gedachten uit de troep worden geroepen. Het gaat er soms mee als met een duif, die, sterk in het geheel van de vlucht, daarbuiten weerloos is en als een bos uiteen geplukte veren teruggevonden wordt. De vaart van de waarheden is haar kracht. Waarheid is geen dood ding. Haar ziel en haar leven heet Geest.

Dit geldt allereerst van de centrale waarheden van het Evangelie. Ds. H. zou willen dat ik de grens tussen geloof en lijdelijkheid en elders tussen geloof en verstandelijkheid scherp, althans scherper trok. Misschien is de bedoeling, dat die even scherp getrokken moeten worden als die tussen geloof en werken en geloof en vroomheid?

Hier past het inderdaad om 'in de tent der bezinning' neer te zitten, vóór men uitgaat om aan die uitnodiging te voldoen. Nu moeten we ons er rekenschap van geven of we de waarheid Gods even zuiver hebben af te wegen voor het misbruik als voor het gebruik. We hebben er over na te denken of het contact, dat het geloof krijgt in de richting van zijn beweging naar God, niet oneindig meer aandacht verdient dan het vacuüm, het ledige, dat het achter zich laat, als het uitgaat van de zondige mens. Of we de geloofsbeweging even nauwkeurig hebben te determineren tegenover de gedichtselen des harten als ten opzichte van de heilige raad Gods. Ik meen dit te moeten ontkennen. Paulus althans doet het niet, als hij in Rom. 3 in een hoge, gevaarlijke gedachtenvlucht, waarin hij aanraking krijgt met de goddelijke gerechtigheid, achter zich hoort lasteren: laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome. Dan keert hij zich om en spreekt, nu niet zijn apostolische zegen, maar een vloek, en gaat verder voort in de lijn van zijn betoog. Hij denkt er niet aan om aan de taal van de laster evenveel studie te geven als aan het stamelen des Geestes. Hij wijdt er geen hoofdstuk aan. Gelukkig! Want daaraan hebben wij Rom. 8 te danken, het hoofdstuk waar alle tegenspraak zwijgt en waar nog slechts lof en prijs overblijven.

Wanneer we het geloof naar voren en naar achteren gelijkelijk willen begrenzen, leggen we het stil. Dan moeten we eerst de vaart er uitnemen, de richting en de Geest. Dan is het een dood ding. Dan ontstaan juist de lijdelijkheid en de verstandelijkheid, waarvoor we het wilden veilig stellen. Dan komt er reden voor onrust en ongerustheid. Het geloof zelf is een onrustig ding (Luther3). En daarom behoeven wij er ons niet ongerust over te maken.

Het geloof ontvlucht de grens, die het gemeen heeft met hetgeen achter is; het jaagt naar hetgeen voor is. Het schept achter zich een ledig en dit ledig is het hol of de hel der lijdelijken. Ze zijn daar, waar het geloof geweest is en nooit terugkomt; waar men absoluut veilig is voor zijn onrust.

Heel anders is het wanneer het geloof tegenover de werken en de vroomheid gesteld wordt. Deze worden daarmee tegelijk geëerd. Ze worden in ernst genomen. De afgrenzing van beide behoort bij het geloof. Men vindt ze overal in bijbel en historie. Geloof is een werk. Luther zegt: het enige werk.4 De werken zijn het genus, het geslacht en het geloof is een soort werk. Maar de nota specifica, het onderscheidende kenmerk van geloof is zo geweldig, dat het de soort geheel in de schaduw stelt. Het is als een adelaar in een reigersnest of een koekoek onder de spreeuwen.

Het geloof moet beschreven worden met het oog op Hem, waarnaar het zich uitstrekt, de Heilige, wiens naam geen soortbegrip is. Maar daarmede houdt onze gewone logische manier om de dingen te benaderen ook op. Slechts indirect kunnen wij hier denken. Dat is geen vinding van de nieuwste tijd, maar men wist het in de middeleeuwen even goed. Men spreekt daar van een oneigenlijk begrip, naar analogie. Begrip is aan de soort gebonden. Met dat al zit het geloof in het nest der werken en in de schoot der vroomheid. Ook der vroomheid! 'Geloof is nooit zonder vroom gevoel', aldus Calvijn.a5 Wanneer het er niet zat, zou het omkomen even grif als een vondeling in de winternacht. Wij zijn geen goden, maar mensen. Maar wee ons, als we het in de soort laten ondergaan. Als we zijn wonderbare geboorte vergeten. Het is een werk, maar een ééngeboren werk; een werk Gods. Het is nooit zonder vroomheid. Maar het is nooit vroom. Het is geloof.

Zo eren wij de werken en de vroomheid als wij de grens naar die zijde trekken. Het zou onbillijk zijn hetzelfde te doen tegenover lijdelijkheid en verstandelijkheid. Daarmee heeft het geloof geen gemeenschappelijke grens. Het is geen soort lijdelijkheid of verstandelijkheid. Deze beide liggen ver achter in het ledige en in de dood. Het geloof is de pijl, die 'van ons af en verder' geschoten wordt naar de volheid en het leven Gods.

Wanneer Paulus vraagt: "zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade des te meerder worde" (Rom. 6 : 1), dan zegt hij dat niet 'sola fide' en ook niet helemaal 'bona fide', zoals ds. H. het noemt. Daar bedoelt hij de lijdelijkheid, waarover de apostel des geloofs en der activiteit nooit bona fide, maar slechts met een korte vloek kan spreken. Dat ligt te ver van zijn geloofspositie af. Paulus zegt dan ook: 'Dat zij verre!'

Bona fide kan hij slechts spreken over de werken en hij spreekt er over: vaak en nooit zonder goede trouw. Daarmee heeft zijn geloof een grens. Ze zijn niet ver af, maar 'liggen hem bij' (Rom. 7). Ze liggen maar al te na. Het zijn zonden, die toch begonnen waren om het goede te doen. Het zijn 'goede werken'.

Bona fide kan hij er over spreken. Ze waren goed bedoeld. Maar sola fide kan hij het ook hier niet doen. Dat kan hij alleen als het de gerechtigheid Gods geldt.

Voetnoten

  1. a

    Inst. III, 2, 8.↩

Eindnoten

  1. 1

    Verschenen in AWCC. 5 (1928/29) nr. 4.↩

  2. 2

    Bedoeld is het artikel Sola Fide in AWCC. 4 (26.10.1928) nr. 52. De schrijver van de Kerkelijke Kroniek is W. A. Hoek.↩

  3. 3

    Mogelijk Vorrede Römerbrief WA. Deutsche Bibel 7, 10: "O es ist eyn lebendig, schefftig, thettig, mechtig ding umb den glawben . . ."↩

  4. 4

    Mogelijk De captivitate Babylonica, WA. 6, 530: "(fides) quae opus est omnium operum excellentissimum et arduissimum."↩

  5. 5

    Calvijn, Inst. III, 2, 8: "fidem a pio affectu nullo modo esse distrahendam."↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Geloven op gezagInhoudLekengedachten over logica →