O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De achtergrond van de bergredeInhoudDe opstanding →

Verzamelde Werken, deel 2 · p. 57–83

Dingen die verborgen waren1

Woord vooraf

Aan de behandeling van de gelijkenis van de zaaier en die van de arbeiders in de wijngaard liet ik een korte beschouwing voorafgaan over de gelijkenissen in 't algemeen. Ik deed dat om de lezer enigszins in te leiden in deze stof, maar ook om mijn wijze van behandeling te rechtvaardigen.

De tekst van de stukken gaf ik volgens de vertaling van prof. Brouwer. Voor losse aanhalingen uit de bijbel hield ik mij echter aan de Statenvertaling.

Gelijkenissen

En hij sprak veel tot hen in gelijkenissen.

(Mattheüs 13 : 3a)

Tussen God en mens, hemel en aarde, moet op de een of andere wijze gelijkenis bestaan. Al is God ook oneindig, almachtig en heilig, en wij beperkt, afhankelijk en zondig, de overeenkomst moet er wezen. Anders zouden wij Hem niet kunnen kennen en liefhebben.

Als we nu moeten zeggen waarin die overeenstemming bestaat, dan is dat heel moeilijk. De bijbel spreekt van het beeld en de gelijkenis Gods. Maar als de kerk dat gaat uitleggen, begint de moeilijkheid. God is zo groot en wij zijn zo gering. Dat is echter het grootste bezwaar nog niet. Dit onderscheid sluit de gelijkenis niet uit; van groot en klein spreken wij juist bij wijze van vergelijking. Maar God is de Schepper en wij zijn zijn schepselen. Tussen Hem en ons staat het niets, waaruit Hij ons geschapen heeft. En kan door dat volstrekte ledig, dat niets tussen Hem en ons in, een straal van een beeld gedrongen zijn? Was er een spiegel die het opving, zodat het ons aan de andere zijde van dat grote niets werd toegekaatst? Was er een oorspronkelijk raadsel, dat ons werd opgegeven, een donkere gelijkenis, een duister woord, waaruit de eerste kennis van God ons opging? Paulus zegt zoiets in dat prachtige hoofdstuk over de liefde in de eerste brief aan de Korinthiërs. Hij zegt dat onze kennis van God niet regelrecht is; niet van aangezicht tot aangezicht. Wij staren ons nog blind in de gelijkenis; wij stotteren nog over een kruisraadsel vol donkerheid. Het beeld en de gelijkenis zijn niet helemaal onze glorie, onze roem, onze sterkte. Ze betekenen evengoed ons kruis en onze onkunde. Zij maken ons nog niet wakker tot de eeuwige lach, zoals Gods aangezicht het zal doen buiten de spiegel om.

En toch houden heiden en christen, allebei, aan de gelijkenis vast. Haar uit het oog verliezen, zou de buitenste duisternis betekenen. De oude Grieken wisten, dat gelijk slechts door gelijk gekend wordt. En ze wisten ook dat gelijk door gelijk wordt verblijd. Kennis en liefde beide hebben de gelijkenis nodig. - En reeds bij hen is dat geen vanzelfsprekende zaak. Die kennis is hun een wonder en die liefde is liefde op het eerste gezicht, die zich zelf een raadsel is.

Maar nog beter dan de heiden kent de christen door het Evangelie de betekenis der gelijkenis. Hij heeft niet alleen vage vermoedens, maar hij weet zeker dat er een beeld van de onzienlijke God is; een oorspronkelijke gelijkenis, die aan alle werkelijkheid, aan alle woord en alle waarheid ten grondslag ligt. Dat wij zelf er niet zouden wezen, geen woord zouden kunnen uitbrengen, geen kennis van God en de wereld zouden hebben, als 'in den beginne' niet het Woord, het beeld Gods, de gelijkenis van de Zoon op de Vader, was geweest. Als niet het grote geheim van de liefde tussen de Vader en de Zoon aan de wereld ten grondslag lag. Zo is het dan geen wonder dat Jezus, van wie wij belijden, dat Hij die Zoon van God was, veel door gelijkenissen gesproken heeft. Het zou ons moeten verbazen, als het anders was. Er bestaat een "evangelie in beelden", heeft Koetsveld gezegd, "beginnende met de zaaier, en besloten door het avondmaal, dat in zekere zin de laatste en schoonste parabel is."a2 Inderdaad is dat het geval. Wij kunnen Jezus' geboorte, zijn prediking, lijden en sterven ook lezen in de gelijkenissen, die Hij gesproken heeft. En evenzo zijn wederkomst en het toekomende oordeel. Dat is wel heel duidelijk en men behoeft de evangeliën maar op te slaan om er door getroffen te worden. Want wel staan er in het Oude Testament enkele stukken, die aan Jezus' gelijkenissen doen denken, maar men moet ze zoeken. Paulus heeft niets dat er op lijkt. Waarom heeft Jezus dan zijn hele Evangelie in gelijkenissen gezet? Is dat hiermee reeds verklaard, dat Hij een oosterling was, aan wie deze wijze van spreken eigen zou zijn, in 't bijzonder in Syrië en Palestina, zoals een bekend kerkvader heeft opgemerkt?3 Of was de parabel een zo gebruikelijk leermiddel van alle joodse rabbi's, dat Jezus, die toch ook een rabbi genoemd wordt, er als van zelf op aangewezen was?

Wat dat laatste betreft, moet wel toegegeven worden, dat er in de Talmoed meer stof van die aard voorkomt, dan vroegere verklaarders van de nieuwtestamentische gelijkenissen wel eens hebben beweerd. Oudere en jongere tijdgenoten van Jezus - vooral jongere - hebben aan de joodse overlevering overlevering een aantal parabels nagelaten, die soms vrij sterk lijken op die uit de evangeliën. Wel valt, als men de zaak wat nauwkeurig bekijkt, de oogst weer niet mee, en ligt ze over enkele honderden jaren verspreid. Maar ze is toch aanwezig. Doch deze overeenkomst is bij lange na niet voldoende om ons een inzicht te geven in het feit, dat er een evangelie in beelden bestaat. Want het is toch wel niet overdreven daarvan te spreken. Bij Mattheüs, Markus en Lukas zijn ze als gezaaid, en ook Johannes sluit op andere wijze daarbij aan. Voor deze bloei moet toch een andere verklaring zijn, dan dat in de joodse literatuur hier en daar ook een bloempje te vinden is. Eer krijgt men de indruk dat wat er aan knop in het Oude Testament aangetroffen wordt, hier openbreekt. Jezus - en niet de Joden - heeft de wet vervuld met krachten en tekenen. En zo heeft Jezus ook het beeld tot zijn bestemming gebracht in leer en leven. Hij is zelf de spiegel, waarin alles wordt weerkaatst. Zaaien en oogsten, tarwe en onkruid, brood en wijn, schat en parel, het spiegelt zich hier alles in de godheid.

Daarom mogen wij de gelijkenissen ook niet te zeer van de retorische zijde bekijken. Wij mogen ze niet als een kunstvorm behandelen. Natuurlijk zijn ze met zulke vormen op de een of andere wijze wel verwant. Jezus spreekt immers ook een taal en die taal heeft een grammatica; en zo heeft zijn rede een regel. Maar naar die kant moet men de verklaring der gelijkenissen niet zoeken. Men mag er geen gesloten letterkundig wereldje van maken, waar Jezus dan zelf half buiten staat.

De nieuwere uitleggers zijn die kant wel eens opgegaan. Zij waren geschrokken van de manier waarop kerkelijke schrijvers soms letterlijk aan alles in de gelijkenis een betekenis trachtten te geven en daarbij het onderscheid tussen een parabel en een allegorie geheel uit het oog verloren. Een allegorie is een manier van vertellen, waarbij men bij ongeveer ieder woord, althans iedere zin aan iets anders denkt. Dat doet de gelijkenis niet. Zij laat, als ze met het beeld bezig is, de zaak waar het om gaat even los, om de draad van het verhaal rustig voort te kunnen spinnen. Maar de nieuwere uitleggers, waar ik over sprak, hebben dat weer overdreven en het voorgesteld alsof Jezus, door zijn eigen vertelkunst meegesleept, de draad van zijn Evangelie schier liet glippen, om dan straks, als het verhaal uit was, één punt daaruit als toepassing aan te wijzen of te laten raden.

Maar zo los staat Jezus niet in zijn eigen onderwijs; ook niet in de hele bijbel. Hij is zelf het beeld en de gelijkenis Gods. En het Evangelie is zijn kleed, dat van Hem niet te scheiden is. Zelfs in de taal die Hij voert, staat Jezus niet zo vrij. Vele woorden, die Hij gebruikt, hebben van te voren al een andere betekenis; ze zijn allegorisch. Een koning betekent God; een maaltijd het eeuwige leven; knechten zijn de mensen. Dit is in de joodse verhalen reeds het geval. Maar bij hen is de spanning der verkondiging niet te vergelijken bij die welke in Jezus' prediking zit. Er bestaat een joodse gelijkenis van de wijze en dwaze gasten, die sterk herinnert aan die van de wijze en dwaze maagden uit het Evangelie. Maar bij de Jood is de toepassing deze, dat men bereid moet zijn voor de dood. Bij Jezus moet men gereed zijn voor de parousie, d.i. zijn koninklijke verschijning. Er is groot verschil tussen de rustige levenswijsheid van de eerste en het geweldige Evangelie van de laatste.

Daarom moet het bij Jezus wel heel duidelijk zijn, dat Hij over andere dingen spreekt. Nog veel minder dan de joodse rabbi's kan Hem de taal en het verhaal als een neutraal voertuig dienen, waarin Hij stilletjes wat contrabande uit zijn koninkrijk in deze wereld binnensmokkelt. De toepassing kan er niet, als bij de fabel, los achteraan komen, zodat men de vervelende moraal laat varen voor de interessante vertelling. Bij Jezus staat de volle spanning van het Evangelie er van 't begin af achter. De hele gelijkenis staat in vlam en ieder woord gloeit van het vuur der laatste dingen. Dat de parabel onduidelijk is, en evenzeer moet dienen om de bedoeling te verbergen als te openbaren, komt dan ook niet van de moeilijke inkleding - want die is meestal eenvoudig genoeg - maar hiervan, dat de dingen waarover het gaat zo ver boven de gedachten der mensen liggen. De gelijkenis is allegorisch in hogere zin. Niet door het vernuft van een schriftgeleerde, maar door de eenvoud van de Zoon, die spreekt van zijn gelijkenis met de Vader.

Waar de dingen zo staan moesten wij eigenlijk het woord parabel, die zuster van de fabel, maar vermijden. Het is niet goed, van het Evangelie een stukje literatuur te maken en alles wat daartoe leiden kan, moet men nalaten. Ik houd er ook niet van om van Jezus' humor te spreken. En zo zou ik Hem ook niet graag naast Aesopus, Phaedrus4 of La Fontaine geplaatst zien. Daarvoor zijn de gelijkenissen te heilig.

Het is beter bij de lezing en verklaring van de gelijkenissen met onze gedachten binnen de bijbel te blijven. Men moet ook niet met een half oog naar Demosthenes of Cicero kijken. Evenmin als van Jezus' humor, zou ik ook van zijn redenaarskunst durven spreken. Hij is profeet, priester en koning en bij alle drie is het woord ondergeschikt; ondergeschikt aan de last, het offer en de Geest. Willen wij daarom verband zoeken, dan zijn wij op het Oude Testament aangewezen. Dat is het boek van de schepping en zo komen wij bij de spiegel terug, waar ik in 't begin over sprak. God is in Christus de mens gelijk geworden, maar daarmee zijn wij Hem nog niet gelijk. De gelijkenis loopt niet door. Een donkere streep in haar spectrum, de zonde, de dood, houdt God en mens uit elkaar.

En zo komt het dan dat mensen, die oren hebben om te horen, toch niet horen, en dat ze ogen hebben en toch niet zien. Jezus vertelt het hun en zij verstaan het niet. Wat Jezus bedoelt is zo anders; de gelijkenis is zo allegorisch, dat de Heilige Geest eerst moet komen om haar in ieders eigen taal verstaanbaar te maken. Tot zolang is het glossolalie, spreken in tongen. ⚑De kerk heeft dat van 't begin af aan begrepen. Zij zoekt iets achter de gelijkenissen. Dat haar leraren daarbij vaak heel willekeurig te werk gingen, valt niet goed te praten. Men ging de verkeerde kant op, als men in de drie maten meels uit de gelijkenis van het zuurdeeg, de drie werelddelen terugvond. Die verklaring werd door Columbus in de war gebracht. Mensen doen vaak een beetje dwaas. - Maar hier kon men dan toch merken, dat iemand zocht naar de zin. En kinderlijk zoeken is stichtelijker dan volwassen geblaseerdheid. Veel kwaad is er niet van gekomen; Amerika is toch wel ontdekt. Erger is het als men, zoals Lessing en Herder5 zoveel aandacht vraagt voor het kunstige en menselijke in het verhaal, dat de hogere zin daarbij op de achtergrond dreigt te komen. Men mag dat niet zoeken bij de Man van smarten. Bij het kruis past geen aardse schoonheid. In de gelijkenissen zoeken wij niet het aangezicht des mensen, maar dat van God. Het komt niet te pas om bij Jezus' verhalen van 'Erdgeruch' te spreken. Zij willen onze aandacht vestigen op het Koninkrijk der hemelen. Iedere gelijkenis heeft haar eigen geheim. Zij heeft een uitlegging nodig, die haar precies in de kritiekste spanningen van het Evangelie plaatst en haar al haar schijnbare kalmte ontneemt. De verborgenheid van Jezus' zending, de verhouding van Vader en Zoon, ligt er in verscholen. Er zit meer donkerheid in dan men vaak geneigd is te vermoeden. Het 'evangelie in beelden' is hetzelfde als dat van de gebeurtenissen en beide eindigen bij het kruis. Het is één spiegel, waarin wij de hele wasdom van het Koninkrijk der hemelen in beeld aanschouwen, van het zaad tot het brood dat gebroken wordt.

Voor de uitlegging van de nieuwtestamentische gelijkenissen zullen wij dus 't meest hebben aan een vergelijking met het Oude Testament. Ook daar heeft deze leervorm vaak een actief karakter en valt ze samen met een handeling, soms met het leven van de profeet. Als Jeremia een koopbrief in een stenen pot begraaft (Jer. 32 10-15) of wanneer Jesaja met zijn zonen, die symbolische namen droegen, door de straten van Jeruzalem loopt, dan zijn zij zelf levende gelijkenissen (Jes. 7 : 3). Zij doen dienst als spiegel, waarin de raad Gods met het volk Israël wordt weerkaatst. Maar de uitlegging ligt verborgen in het Woord des Heeren, dat tot de profeet geschiedt. Men moet dat gehoord hebben, om ze te weten. Men moet de Geest hebben. Ogen en oren zijn op zichzelf niet voldoende.

Op dat verborgen Woord, de Gelijkenis in de gelijkenis, komt dus alles aan. En dat Woord is nu onder het Nieuwe Testament volkomen verschenen. Het Woord dat 'in den beginne' was, is in Jezus vlees geworden. Daarom komt het bij de gelijkenissen vooral aan op Hem die ze spreekt. In een andere mond zou het verhaal zijn zin verliezen. En zo komt het dan ook dat dezelfde verharding, dezelfde blindheid en doofheid, die rondom Jezus gezien worden, ook rondom de gelijkenissen openbaar wordt. Wat Jezus daaromtrent zegt in Mattheüs 13 en parallelle plaatsen, kan men niet begrijpen, als men daar niet aan denkt. Daar horen wij ook, dat Jezus zelf zich regelrecht op Jesaja beroept als zijn voorganger in het spreken van gelijkenissen. De zin van de gelijkenis moet geopenbaard worden door de Vader, evengoed als het geheim, dat Jezus de Christus is. Dat dit zo was kon Petrus, toen hij Jezus beleed, door middel van vlees en bloed niet weten. En evenmin is het hebben-van-oren voldoende om een gelijkenis te verstaan.

En nu blijft nog over te vragen, waarom Jezus zijn beelden altijd kiest uit de natuur en het dagelijks leven. Waarom maakt Hij zo weinig gebruik van de oudtestamentische geschiedenis en van de boeken van Mozes, wat Stefanus en Paulus telkens deden? Hij spreekt toch ook van Wet en Profeten, het Oude Testament? Waarom dan deze leervorm uit natuur en leven? Lijkt Jezus daarin dan toch meer op de rabbi's van zijn dagen dan op de profeten en hun opvolgers, de apostelen? Waarom spreekt de Zoon in deze gelijkenissen?

Wij kunnen slechts met veel terughouding daarover iets zeggen. In de evangeliën treden er zoveel dingen terug, die men bij profeten en apostelen wel vindt. Waar is de kerk bij Jezus en waar zijn de sacramenten? Waar zijn hier die spiegels van het Koninkrijk der hemelen, die overal elders te vinden zijn? Ze zijn nergens. En nu vlucht de Zoon met zijn onderwijs in die dingen, die de armen van geest kennen; tot die welke men 'het eerst leert', voor men nog de kunst van redeneren verstond. In die diepe schachten van de meest primitieve kennis, waar de dieven, de schriftgeleerden, de uitleggers, de theologen niet kunnen doorgraven en stelen, daar verbergt Jezus de kennis van zijn koninkrijk, in afwachting dat iemand alles zal verkopen wat hij heeft, om die schat te delven.

De zaaier

En hij sprak veel tot hen in gelijkenissen en zeide: Zie, een zaaier ging uit om te zaaien.

En als hij zaaide, viel een deel langs de weg, en de vogelen kwamen en aten het op. Een ander deel viel op steenachtige grond, waar het niet veel aarde had, en terstond schoot het op, omdat het geen diepte van aarde had, doch als de zon hoger rees, vermengde het, en omdat het geen wortel had, verdorde het. En een ander deel viel tussen de doornen, en de doornen wiesen op en verstikten het.

En een ander deel viel in de goede aarde en gaf vrucht, ⚑het ene honderd-, een ander zestig-, en een ander dertigvoud. Wie oren heeft, hore.

(Mattheüs 13: 3-9)

Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien.

En als hij zaaide, viel een deel langs de weg, en het werd vertreden en de vogelen des hemels aten het op. En een ander deel viel op de steenrots, en uitgesproten, verdorde het, omdat het geen vocht kreeg. En een ander deel viel te midden der doornen; en de doornen, mede opwassende, verstikten het. En een deel viel in de goede aarde, en uitgesproten zijnde, droeg het honderdvoudige vrucht. Dit zeggende, riep hij uit:

Wie oren heeft om te horen, die hore.

(Lukas 8 : 5-8)

De eerste gelijkenis

De zaaier is de eerste uitgewerkte gelijkenis van Jezus. De Heer moge dan vroeger wel eens een beeld of vergelijking gebezigd hebben, een echte gelijkenis vinden wij pas hier. Dat blijkt niet alleen uit de plaats waar zij staat in de evangeliën, maar ook uit de diepe indruk, die het verhaal gemaakt heeft. Dit is een van de twee of drie gelijkenissen, die alle synoptische evangeliën ons hebben bewaard. De evangelisten vertellen ook alle drie, hoe de discipelen naar de zin er van vragen. En ze geven ons de verklaring, die Jezus zelf daarvan geeft. Deze gelijkenis opent dus de rij.

Maar ze doet meer. Ze geeft op zinnebeeldige wijze de verborgen reden aan, waarom Jezus op die manier begint te prediken. Als de discipelen haar goed verstaan hadden, dan had Jezus hun niet behoeven te zeggen, wat de bedoeling daarvan was. In de vertelling ging het over zaad dat geen vrucht voortbracht. Drie vierden van de gelijkenis zijn daaraan gewijd. Die gaan over mensen die oren hebben, en er op de een of andere wijze niet mee horen. In de uitlegging die Jezus zelf geeft heet het dan telkens

dat is degene die het woord hoort; ⚑maar ...

en dan volgt er iets dat doet zien, dat hij het toch ook weer niet hoort. En aan het slot van de gelijkenis staat als moraal van de fabel: Die oren heeft, hore.

Daarom kan men zeggen dat deze gelijkenis een omkleding is van de reden, waarom Jezus in gelijkenissen spreekt. Het is de grondvorm; de 'gelijkenis der gelijkenissen'.6

Godzoeker en opstandeling

Daarmee komt het beeld dat Jezus gebruikt op treffende wijze overeen. Zaaien is een eerste handeling in het mensenleven. Het is een primitief iets. Het sluit dadelijk aan bij de opening der cultuur toen, naar de prachtige uitbeelding bij Stefan George,

aartsvader groef aartsmoeder molk.b

Op dit werk uit het primitieve leven grijpt Jezus terug als Hij een beeld zoekt voor wat Hij gaat doen, wanneer Hij in gelijkenissen spreekt. Ik geloof weer niet dat wij op het dichterlijke van het beeld de nadruk moeten leggen. Dat Jezus oog had voor de natuur, voor de vogelen des hemels en voor de leliën des velds, zal wel waar zijn, maar dat doet er weinig toe. Hij is hier in de dingen zijns Vaders; doch daarmee bedoelt Hij nooit een wandeling in het vrije veld of een spelevaart op het meer Gennesareth, maar een moeilijke discussie met de schriftgeleerden of een lange werkdag tussen blinden en kreupelen. Van de natuur weten Wordsworth of Guido Gezelle7 te spreken. Maar de evangeliën zijn te kort en te kostbaar om daar veel op te letten. Het zou een soort godslastering zijn als we zeiden, dat in Jezus een dichter was verloren gegaan.

Zaaien is een mooie handeling. Het is de royaalste beweging die ik ken. De hand die het doet wil zeggen: ik houd niets voor mij zelf; ik geef honderd procent van alles wat ik bezit; en ik geef al mijn goed aan de armen. Maar zo'n zaaier hoort bij de natuur; hij is een stukje van de akker, waarover hij heen schrijdt.

Maar de zaaier, die Jezus in de gelijkenis zet, is niet uit de natuur, maar uit de cultuur genomen. En dan is hij zo'n onschuldige figuur niet. Hij is een opstandeling tegen God en het lot. Hij wil opstaan uit het graf der natuur tot de oogst en het bouwen van schuren; tot het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid. Hij verzet zich tegen de voorzienigheid, die de vogelen des hemels voedt, de leliën des velds bekleedt. Hij wil zelf de zorg des levens ter hand nemen. De broodnood kiest hij tot zijn deel om zo de weg te zoeken tot het hoogste goed. Hij is de concurrent van de Schepper en probeert een andere wereld wakker te roepen; een wereld die geen herhaling zal zijn van de eerste, maar een verbetering, een veredeling, tot de honderdvoudige vrucht toe.

De zaaier, dat is de mens, die afscheid neemt van de roof. Hij stelt zijn huis boven op de aarde, in het zonlicht en aan de rand van het woud, vanwaar hij de horizon kan zien. Daarvan zegt de psalmist: "de zon opgaande maken zij (de wilde dieren) zich weg en liggen neder in hun holen. De mens gaat dan uit tot zijn werk en naar zijn arbeid tot de avond toe" (Psalm 104 : 22 v.). De cultuurarbeid is geboren uit de afkeer van de roof en de jacht. De zaaier, zijn netten verlatende, is God gevolgd. Maar hij is een tweeling. Hij is navolger Gods en tegelijk opstandeling tegen Hem. Achter zijn bestaan schuilt een mysterie; en hij heeft lust aan het geheim, aan de verborgenheid, het raadsel. Aan de schat in de akker, het brood; aan het zuurdeeg in het meel. Hij heeft niet genoeg aan de vrucht, die aan het wildpad hangt, voor ieders oog. Hij wenst te kennen datgene wat men ogen hebbende, niet ziet; oren hebbende, niet hoort; een hart hebbende, niet opmerkt. Zijn begeerte gaat uit naar wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord en wat in het hart des mensen niet is opgeklommen. Zijn leven gaat uit naar de gelijkenis.

Een tweeling is hij; een mysterie. Hij is afhankelijk van de natuur als niemand anders en tegelijk oordeelt hij haar als een god. - Hij ploegt en hij egt, hij zwoegt en hij zweet, hij wiedt en hij wacht; maar ook schift hij het gewas van de akker. Het onkruid, dat toch ook groeit, bindt hij in busselen en werpt het in het vuur; de tarwe draagt hij in de schuur. Maar ook dan nog staat zijn gerechtigheid niet stil. Hij maakt onderscheid tussen het dertig-, het zestig- en het honderdvoud. En pas deze standaard der volmaaktheid vindt, als bij God, genade in zijn ogen.

Hij schept met de hogere kracht mede. Maar ook daarin is hij onberekenbaar. Soms buigt hij zijn knieën, als de regen het kruid doet groeien en het lang wordt, en hij weet zelf niet hoe. Maar als de hemel van koper blijft, als z'n tong aan zijn gehemelte kleeft en de halm op de akker verdort, dan steekt hij met zijn gaffel naar boven en toont weer zijn opstandige aard.

Zo is de zaaier, de beginner der cultuur, als hij probeert een stukje goede aarde te bereiden; niet platgetreden, van stenen gezuiverd, van doornen gewied. Een lijder de ganse tijd zijns levens, maar inzonderheid aan het einde, als de natuur hem vergeldt de last, die hij haar aandoet tot op deze dag; deze geweldige die het koninkrijk wil nemen met geweld.

De verborgenheid

En toch heeft hij het raadsel, de gelijkenis lief. Hem berouwt het niet, dat hij zijn netten heeft verlaten en God gevolgd is. De vogelen des hemels hebben ogen en zij zien. Het zaad ligt op de weg en zij pikken het weg. De wilde dieren zelfs zien hun buit in de nacht; zij dragen het licht in hun ogen. Maar hij niet. De zon opgaande gaat hij uit tot zijn werk. Maar waar is het zaad, dat in de goede aarde viel? Waar blijft dat andere deel dat voor de zaaier zelf bestemd is, het vierde? O bange nacht tussen vallen en opstaan; tussen het sterven van het tarwegraan en het ontwaken in het zonnelicht! O zwarte donkerheid in de koele schoot der aarde, in het duistere graf! O angstige stilte voordat de morgenstond nadert en de voeten gehoord worden van hen, die het goede boodschappen. Wie is hij die deze kastijding verdraagt, om een zoon genaamd te worden en geen bastaard? Wie heeft oren om te horen en hoort?

Maar de zaaier wil gehoorzaamheid leren uit wat hij geleden heeft. Het wachten vervult zijn waken en dromen, zijn liggen en zijn opstaan. De wind predikt iedere dag het evangelie van het brood over de akker. Maar hij heeft niet genoeg aan de deugden van de klaarlichte dag, de dapperheid, de gerechtigheid en de matigheid. Hij zoekt andere, waaraan de nacht een aandeel heeft: het geloof, de hoop en de liefde.

Zo is hij dan uitgegaan uit het duister van de roof om met God te werken zolang het dag is en hij werkt ook; maar hij heeft ontmoet een andere nacht, waarin de dood als koning is gezeten. En wie zal hem het licht doen zien? En wie zal hem geven zijn dagelijks brood? En wie zal hem geven de vrolijkheid des oprechten van harte?

De donkere streep in het spectrum

Dit is een gelijkenis. Het is niet het Koninkrijk der hemelen zelf. Maar het is toch een beeld. Men kan er over spreken bijna met dezelfde woorden als over de Zaaier, die Zoon des Mensen heet. Soms schijnen beeld en zaak in elkaar over te gaan. Soms doet de overeenkomst aan als een flauwe herinnering en is men geneigd de woorden over te nemen waarmee de joodse rabbi's hun parabels inleiden: Waar lijkt de zaak toch op?

Maar het meest opvallend is toch nog de donkere streep, die beeld en zaak uit elkaar houdt. Wij hebben oren en horen toch niet; ogen en zien niet. Deze zaaier kan het toch niet wezen, hoe mysterieus zijn gang over de akker ook mag zijn. De cultuuruitgang betekent wederkeer en geen bekering. Hij gaat uit van de nacht en keert in tot een dieper nacht. Hij breekt met de roof, maar om te eindigen in nog feller roof. Hij kent niet de opstanding en de wedergeboorte, de waarlijk goede aarde van de honderdvoudige vrucht. Verklaar ons de gelijkenis! zo roepen onze harten. Is dit ons lot en dit het oordeel dat over ons gekomen is, dat de hemelen Gods eer verkondigen en het uitspansel zijner handen werk en dat we dan nog onwetende zijn? Is de cultuur, met haar machtig initiatief, haar scheppende kracht, haar volgen van God, haar zoeken van het mysterie, niet anders dan ijdelheid? Is haar eindeloos zwoegen, haar bereidheid tot het offer, haar hijgen naar het hoogste goed tevergeefs? Is haar wil om te oordelen, haar onomkoopbare waarheidsdrang, haar onverbiddelijk criticisme niet eerbiedwaardig? Heeft zij niet het recht, zij die was uitgegaan tot de arbeid op de dag, voor haar bereidheid om aandeel te nemen in Gods nacht, een hoog loon te ontvangen? Wordt haar opstandigheid niet dubbel geboet door haar volgen van God tot het bittere einde?

Dit is een gelijkenis; op wie lijkt de zaak? Wij hebben ogen en zien niet; oren en horen niet. De gelijkenis loopt niet door; ze is niet regelrecht. Dit is het niet en zo komen wij er niet. Het moet ons gepredikt worden en uitgelegd. Wij hebben de Heilige Geest nodig. Er is wel iets waarvan dit alles profeteert, met al het licht en niet minder met de donkerheid, die er in is. Maar het is er geen stuk van; er is een klove tussen, waar niemand kan overgaan. Wij hebben een Middelaar nodig; de oorspronkelijke gelijkenis, zodat wij niet meer vragen: waar lijkt de zaak toch op? maar uitroepen: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Buiten Hem is onze kennis een doolhof; betekent onze cultuur ondergang. Zij kan wel uitgaan, maar niet ingaan. Zij kan God volgen, maar niet één met Hem zijn. Zij begint met de dag en eindigt met de nacht. Zij zoekt de opstanding en vindt de dood. Maar Hij die het beeld en de gelijkenis Gods is, is één met de Vader. Gaat Hij uit, dan keert Hij ook weer. Sterft Hij, dan staat Hij weer op. Zijn koninkrijk is de goede aarde.

De lofzang van het brood

Een zaaier ging uit om te zaaien en nu is het de Zoon des Mensen zelf. Deze gelijkenis is de ouverture van het evangelie in beelden van de zaaier tot het avondmaal. Het begin van de passie van Jezus, die het onderwerp is van de verborgenheid der godzaligheid. Wij zien Hem daar uitgaan op de akker der wereld om daar de lofzang te zingen van het brood; en als Hij gedankt had brak Hij het en zeide: neemt, eet, dat is mijn lichaam. Hij gaat om te zien of er geen andere oogst te kweken is dan die, welke de wereld voor ieder die ogen heeft te zien geeft, en voor ieder die oren heeft, te horen geeft, met een klagelijk geruis van Adam tot Johannes de Doper toe. Deze kreupelen, blinden, doven, melaatsen, bezetenen, deze onbarmhartigen en eigengerechtigen; tollenaren en zondaren; dit mengsel van invaliden en rovers. Het is geen wonder dat Hij daarover niet voor ieders oren vrijuit spreken kan en dat Hij zegt: Ik spreek in raadselen omdat ze toch niet horen; of toornig: Ik doe het opdat ze niet horen. Want al is het dat Hij Mozes zou willen naspreken toen deze zeide: och, dat al des Heeren volk profeten ware! op deze wijze: och, dat al de schare mijn discipelen ware! toch blijft er verschil tussen degenen die alleen de kleine gelijkenis verstaan en die anderen, die iets zien van de grote. Hij is juist begonnen dat onderscheid met nadruk te leren, toen Hij zijn hand uitstrekte over zijn discipelen, met de woorden: zie mijn moeder en mijn broeders. De schifting tussen de natuur en de Geest is juist begonnen heel duidelijk te worden. De grote passie begint zich reeds af te tekenen. De natuur zal verlaten worden; de Geest zal in de handen des Vaders gegeven worden.

Daarom heeft ook deze Zaaier een welbehagen in de verborgenheid der gelijkenis, het raadsel van de Geest. Wel wandelt ook Hij in het licht en werkt zolang het dag is, evenals de eerste zaaier, maar toch heeft ook in zijn Evangelie de nacht, in welke Hij verraden werd, en het graf waaruit Hij moest opstaan, een centrale plaats. In alle gelijkenissen is iets van het donker van die nacht en van het raadsel van de kruiswoorden. In die nacht der gelijkenissen durft maar één tot Hem te komen om te spreken over de grote wedergeboorte, die er nodig is om het koninkrijk Gods te zien, omdat men ogen kan hebben en het toch niet zien. En als zijn zweet straks bloedzweet wordt, omdat de regen uitblijft op de velden, die Hij in de Geest toch wit gezien had om te oogsten; en als zijn tong aan zijn gehemelte kleeft en Hij uitroept: mij dorst!; als zijn akker een kerkhof geworden is, zijn koninkrijk een hoofd schedelplaats, en Hij schier dreigend uitroept: mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? dan is er slechts één - o wonder één rover! maar waar is een andere - die oren heeft om te horen.

Zo staat de gelijkenis van de zaaier aan het eerste begin van de passie. Het is geen gedicht van een natuurkind uit de heuvels en dalen van Galilea, eindigende met een berustende heenwijzing naar het zware werk onder de mensen, dat Hij op zich genomen heeft. Geen fabel of parabel, vol zonnig leven, met aan het einde een dorre moraal. Neen, neen; ze is uit het hart van het Evangelie gesneden. in aansluiting aan het Oude Testament. Het is een visioen van de allerhoogste profeet. een litanie van de énige hogepriester, een zang van de eeuwige koning.

Onze cultuur

Een zaaier ging uit om te zaaien. Wij zagen de cultuurmens uitgaan tot zijn werk en tot zijn arbeid tot de avond toe. Hij nam afscheid van de nacht en van de roof en zijn netten verlatende volgde hij God. Hij stelde zijn huis boven op de aarde, waar hij Gods akker kon overzien tot de kimmen van de eeuwige dag toe. Hij verkocht alles wat hij had voor de schat in de akker, het hoogste goed. En zo maakte hij scheiding tussen de dag en de nacht.

Maar een andere nacht omhulde hem met zijn vleugelen. Het donkere mysterie van het werk dat hij liefhad, brak naar alle kanten uit de verborgenheid in zijn leven uit. De dood, de koning der verschrikking, trok de heerschappij in zijn leven tot zich. Steeds groter werd de afstand tussen zijn wenend-zaaien en zijn juichend-dragen van de schoven in de schuur. Eerst was het slechts als de schemering, die de hond en de wolf uiteen moet houden. Nu is het de Hades van het gasmasker en de onderaardse kelder, die leven en dood moet scheiden. Zijn goede aarde, zijn cultuur, was niet diep genoeg, platgetreden, banaal; steenachtig en vlak; met doornen van begeerlijkheid en wellust bezaaid. Zijn mysterie was niet echt; zijn geloof verdorde omdat het geen diepte van aarde had.

Het Evangelie

Maar dan is het er weer: een zaaier ging uit om te zaaien. Hij die het geen roof behoefde te achten Gode gelijk te zijn, vernietigde en vernederde zichzelf. Hij zwoer voor immer de roof af. Zaaier en tarwegraan tegelijk, daalde hij af in de diepste nacht, in de koelste schoot die de wereld kent. Hoe groot is hier de afstand tussen de avond en de morgen, tussen de Goede Vrijdag en Pasen? Hoe lang duurt de sabbat der rust? Met geen zonsopgang en zonsondergang is hij te meten, de nacht van het verlaten zijn van de Vader; de nederdaling ter helle. Tussen die avond en die morgen is een klove, waar niemand kan overgaan. Aan de ene zijde is de cultuurmens, de rijke man, gekleed in purper en fijn lijnwaad, levende alle dagen vrolijk en prachtig. Hij moet met Jezus dorsten – maar nu voor eeuwig. En aan de overkant de arme Lazarus, de arme van geest, de verborgen mens des harten, zonder meer. Hij houdt met Jezus avondmaal in zijn koninkrijk; zijn verbroken lichaam en zijn vergoten bloed. – Hier is de goede aarde. Een metgezel van de honden wordt er gezaaid; een vriend van Abraham staat er op.

Vrede op aarde

De deur waar Jezus uitgaat ligt niet naast de onze. Het is er anders mee dan met de eerste zaaier, die zijn woning bouwde op de oppervlakte der aarde en aan de rand van het woud en die wederkeerde tot de holen en tot de roof. Het is de Heer uit de hemelen tegenover de eerste Adam, uit de aarde aards. Jezus' werk is geen voortzetting van het onze. Het Evangelie predikt geen veredeling van de menselijke cultuur. Het is geen aardse aangelegenheid, maar een oproep tot het Koninkrijk der hemelen. Wie in Christus wil wandelen, moet een wandel in de hemelen oefenen en hij moet daar gezet worden. Geen rover klimt er in, tenzij de Heer hem gedenkt met een: heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. Want geen wisseling van nacht en dag kan er ons ooit brengen; geen overgang van aardse cultuur-duisternis in aards cultuurlicht, als wij niet uit onze duisternis worden getrokken tot zijn wonderbaar licht. Geen nacht der geschiedenis - ook de onze niet - is zwart genoeg om de korrel des levens te ontbinden en tot ontwikkeling te brengen, tenzij de nacht in welke Hij verraden werd en als Hij gedankt had brak Hij het. En geen stilte is diep genoeg in het moederlijk verwachten van de moderne tijd op weg naar de nieuwe mens, dan die waarvan de evangelist verhaalt als hij schrijft: En zij gaven Hem kinnebakslagen. Doch Jezus zweeg stil. - Dan is het uit met de zwaarden en de stokken. En zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden en hun spiesen tot sikkelen: het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.

Dat is de akker van het Koninkrijk der hemelen, die de hemelse Zaaier in het bloedzweet zijns aangezichts van stenen en distelen zuivert tot de honderdvoudige vrucht.

Spreuk of boodschap

Dit Evangelie schenkt geen rustige levenswijsheid, die in het geheel van onze kennis pasklaar kan worden ingevoegd. Het is als een kosmische straling, die onze gehele zondige wapenrusting, ook de dikste culturele pantserplaten doorboort, tot ze het hart getroffen heeft en de stof des levens tot wedergeboorte wekt, waarover alleen in de nacht der gelijkenis door Jezus gesproken kan worden. Het Evangelie is geen spreuk, ofschoon ook de spreuk, de aardse levenswijsheid, nog iets heeft van een evangelie. Beide worden geschreven met een bedrijvige werkwoordsvorm. Voor de spreuk noemen de taalgeleerden dat de aoristus gnomicus. Iets dat op het begin van de fabel lijkt: er was eens. Zo de parabel: een zaaier ging uit. Maar in de spreuk is dat nog slechts een rudiment. Ook in de fabel en de parabel is het niet echt menens. De haast van het verhaal wordt in de moraal en de uitlegging tot rust gebracht. In het Evangelie gaat alles andersom. Ik zei reeds eerder dat men een gelijkenis eigenlijk geen parabel moet noemen. Jezus' gelijkenissen sluiten meer aan bij de 'parabel in actie', zoals men die vindt in het Oude Testament. Men moet aan de vertalers van het Nieuwe Testament eens vragen, hoeveel haast er zit in het Evangelie van Markus. Hoe bedrijvig het verhaal naar het einde spoedt. Hier regeert een aoristus evangelicus. Hij beschrijft de koninklijke daad van de Verlosser die niet stilstaat, voordat Hij zeggen kan: het is volbracht. Daarom, al weten wij wel dat in een parabel een zaaier iemand is, die van het begin der wereld tot het einde telkens weer uitgaat, in deze gelijkenis van Jezus verstaan wij daaronder de Zaaier die éénmaal uitgaat, van Bethlehem naar Golgotha.

Psychologie of Evangelie

Dat geldt ook van de onderdelen van de gelijkenis. Het is goed daarop te letten; want voor dat wij het weten maken wij haar tot een compendium, een samenvatting van wijsheid voor iedere prediker; een soort homiletiek. Jezus zou dan vertellen, wat iedere zondag gebeurt als de dominee preekt. Het zou iets zijn om mee te geven aan een kandidaat, die op beroep preekt, om hem te waarschuwen dat een 'hoorder' nog geen hoorder is.

Maar het zaad langs de weg; op een steenachtige plaats; tussen de doornen, dat kan niet enkel slaan op welmenende groepjes mensen in de kerk. In het Evangelie komt geen kerk voor. Jezus kan hier niet het oog gehad hebben op de slaperigen, de heilbegerigen, de bekommerden en de bekeerden, zoals een bevindelijk prediker zijn gehoor zou indelen. Jezus was al lang uit de synagoge geworpen. Hij preekte nu voortaan in de wereld. Jezus had ook wel eens iemand die sliep als Hij sprak; wat erger is: die sliep als Hij bad. Maar Hij schrijft het niet aan de Boze toe. "De geest is wel gewillig", zegt Hij, "maar het vlees is zwak." "Slaap nu voort, die mij verraadt, is nabij." Neen, neen, wat Jezus hier bedoelt, dat moet verstaan worden in verband met de roeping tot het Koninkrijk der hemelen, waaraan zijn discipelen gehoor gegeven hebben. Zij hebben het gehoord, ook al verstaan ze nog niet alles. Zij zijn het zaad in de goede aarde, van de hemel gezaaid. Drie zaaisels zijn er mislukt; maar nu staat er een oogst te velde. Dit is de toekomende eeuw, die begonnen is met Johannes de Doper. En de minste in die eeuw is meer zelfs dan Johannes de Doper.

In verband daarmee moeten wij de gelijkenis verstaan. Niet kerkelijk, als een predikraadsel, maar als een wereldspiegel. Het zijn zolderingen in de raad Gods; trappen naar het Koninkrijk; mensengeslachten in verschillende verhouding tot het Woord. De gelijkenis verhaalt dingen die verborgen waren van de grondlegging der wereld en die voor enkele oren openbaar beginnen te worden. Dat er nog een ander zaadveld is dan die drie, waar alles werd weggepikt, verschroeid of verstikt. De goede aarde van de honderdvoudige vrucht, de standaard-vrucht. Zo komt de gelijkenis meer in overeenstemming met de scheppende heffing, de barende kracht van het Evangelie. Zo worden wij van de matte herhaling der aardse wijsheid van de spreuk pas verlost en komen tot de koninklijke voortgang in het werk naar de raad des Heeren.

Wanneer men dan vraagt naar de namen van die andere tijden en plaatsen, waar het zaad niet in goede aarde viel, van de grondlegging der wereld tot Johannes de Doper toe, dan gaan onze gedachten weer in het Oude Testament terug. Wij denken aan de tijd van Adam tot Noach, toen de mensen aten en dronken en huwden en toen het zaad des Woords een zo harde grond vond, dat er niets van overbleef. Of aan het Israël van Abraham tot Mozes, dat viel in de hete woestijn, omdat het Woord geen diepte van aarde had. En het derde deel doet ons denken aan de Joden van Mozes tot op Christus, aan wie, zoals Paulus het zegt, de woorden Gods waren toebetrouwd, en waar de grote Zaaier nu zelf tussen de doornen staat, die het zaad verstikken; en die straks tot een kroon om zijn slapen worden gelegd.

Ik zeg niet, dat Jezus daaraan precies gedacht heeft. Er wordt veel latent in het Evangelie, dat we bij de profeten en apostelen aantreffen. Maar als Paulus straks in zijn brieven de zin des Heeren vertolkt, dan komen die wereldperioden van Adam tot Mozes en van Mozes tot Christus toch te voorschijn. En Jezus weet toch ook zelf te spreken van de wereld van Noach als de meest onvruchtbare tijd van het Godsrijk.

Het aangezicht in de spiegel

Zo stuwt dan alles in de gelijkenis naar het einde op, naar de goede aarde en de oogst. En bij die laatste weer van het dertigvoud tot het zestigvoud en van het zestigvoud tot het honderdvoud. Lukas noemt zelfs alleen dat laatste en zwijgt van het dertig en het zestig. En zo moet het toch ook zijn in het Evangelie, dat geen cirkelgang is en geen wederkeer in zichzelf zoals de cultuur, maar een wenend zaaien en een juichend maaien. Een komen van wat verborgen was van de grondlegging der wereld; van het Woord dat in den beginne bij God was en het was God. En dat heeft ook onze tijd nodig om te horen en om te geloven. Niet een nieuwsgierig en ongeduldig peuteren in de ziel om te zien wat alzo het lot kan zijn van het goede woord. Daarbij komt niet veel goeds te voorschijn. Want de gelijkenis met God zullen wij er niet ontdekken. Er komt wel veel anders aan het licht, dat ons de moed beneemt in het Evangelie te geloven en ons terugzet midden in onze zonde. De donkere rede, het raadsel, de spiegel, waarin wij de gelijkenis moeten zien, staat buiten onze ziel. Alle gelijkenissen van Jezus hebben daaraan hun donker en hun licht ontleend. Zij delen in het wezen van Hem, die het Beeld is des onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creaturen. En in Hem zien wij, dat wij toch op God gelijken. Niet omdat die gelijkenis klaar en duidelijk is, want men kan ogen hebben en ze toch niet zien. Maar omdat door de verborgenheid van de gelijkenis, het donker van deze rede, het bewolkte van deze spiegel het aangezicht breekt van Hem, die aan ons gelijk geworden is. Niet de kennis en niet de cultuur; niet wat de ziel meebrengt en wat ze verwerft, maar deze eeuwige Liefde blijft en zij is het medium en Hij is de middelaar, waardoor de stralen van Gods vriendelijk aangezicht naar ons toe worden geleid en waarin wij Hem gelijk zijn. Want het licht is gezaaid voor de rechtvaardige en vrolijkheid voor de oprechte van harte. Maar waar is het hart en waar de wereld, waar dit goede zaad wil gedijen, als het niet zulk een wereld is, waar deze hemelse Liefde de zon is? Maar waar is ook het hart, dat niet zou dragen honderdvoudige vrucht, als de Zaaier met zijn eigen vernietiging en zijn eigen vernedering er de sfeer schept?

De openbaring der verborgenheid

Zo blijkt dan waarom alles in de gelijkenis naar het einde dringt. Het is niet om daar op te houden. Want alles zal ophouden: maar de liefde vergaat nimmermeer. De gelijkenis gaat boven zichzelf uit. Het 'evangelie in beelden' van de zaaier tot het avondmaal, van het zaad tot het brood, kan niet eindigen, evenmin als het evangelie in geschiedenissen. Er is een laatste hoofdstuk in ieder evangelie, dat beide voleindigt in de opstanding. Wat doet iedere halm op de akker anders dan opstaan uit haar graf? Wat doet de honderdvoudige vrucht anders dan Pasen vieren? Dan is de omtrek der gelijkenis verbroken, want dan gaat het niet meer over zaaien, maar over oogsten. En daarover gaat het toch eigenlijk; dat is de oplossing van de donkere rede, de openbaring der verborgenheid, het beeld in de spiegel. Dat is het wat het oor, diep in 't zand, niet horen kan en toch horen moet. En zo eindigt ook het evangelie in geschiedenissen in Mattheüs 28, Markus 16, Lukas 24, en Johannes 20, 21 in iets wat niet het einde is van het vorige, maar de zin van het geheel; de oplossing van wat te voren een raadsel was. Daarin vat straks Paulus het hele Evangelie samen en zegt: indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel (1 Kor. 15 : 14). Driemaal is het zaaisel mislukt: maar de vierde maal staat het op en niet dat driemaal maar dat vierde is de zin der gelijkenis.

En zo staat het ook met ons leven en onze cultuur. Als het beeld en de gelijkenis inwendig blijven neemt de boze het weg of het verdort of wordt verstikt. Het is altijd een boze geschiedenis met dat goddelijke in het mensenleven. Maar als de doorbraak komt; als wij uitgaan tot de gelijkenis buiten ons leven; als de wedergeboorte komt, dan zullen wij het koninkrijk Gods zien.

De arbeiders in de wijngaard

Het koninkrijk der hemelen is te vergelijken met een heer, die in de vroege morgen uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard.

Hij kwam met de arbeiders overeen voor een dagloon van een denarius, en zond hen daarop naar zijn wijngaard. A Is hij nu omtrent de derde ure uitging, zag hij anderen werkeloos staan aan de markt, en tot dezen zeide hij: gaat ook gij naar de wijngaard, en wat billijk is zal ik u geven.

Zo gingen zij ook heen.

Als hij wederom uitging omtrent de zesde en de negende ure, deed hij desgelijks.

En als hij omtrent de elfde ure uitging, vond hij er nog staan; en hij zeide tot hen: wat staat gij hier de ganse dag werkeloos?

Zij antwoordden:

niemand heeft ons in dienst genomen.

Hij zeide tot hen:

Gaat ook gij naar de wijngaard.

Als het nu avond geworden was, ⚑zeide de eigenaar van de wijngaard tot zijn opzichter: roep de arbeiders en betaal het loon uit, te beginnen bij de laatsten, tot de eersten toe. Als nu degenen van de elfde ure kwamen, zo ontvingen zij elk een denarius, als daarna de eersten kwamen, zo meenden dezen, dat zij meer zouden ontvangen; maar ook zij ontvingen elk een denarius.

Als zij die in ontvangst namen, ⚑zo morden zij tegen de heer, zeggende: deze laatsten hebben één uur gewerkt, en gij hebt hen gelijk gesteld met ons, die de last van de dag en de middaghitte gedragen hebben. Doch hij antwoordde een hunner: vriend ik doe u geen onrecht, zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarius? neem hetgeen u toekomt en ga heen.

Ik wil aan deze laatsten hetzelfde geven als aan u; staat het mij niet vrij, met het mijne te doen wat ik wil? of is uw oog boos, omdat ik goed ben? ⚑Zo zullen de laatsten eersten zijn ⚑en de eersten laatsten.

(Mattheüs 20: 1-16)

Een andere gelijkenis

De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard draagt een heel ander karakter dan die van de zaaier. Bij de besprekingen van die laatste kwamen we bijna vanzelf tot een half-epische, half-liturgische behandeling. Het begin der cultuur geeft stof voor een heldendicht; en de daden van de Verlosser zijn voor de liturgie de aangewezen onderwerpen. Bovendien brengt deze ouverture van het evangelie in beelden onwillekeurig tot een gedragen toon. Er is een plechtige aanslag voor nodig.

De gelijkenis, die we nu gaan bespreken, gebruikt een veel gemoedelijker beeld. Het gaat over een heer, die arbeiders huurt om in zijn wijngaard te werken. Maar eigenlijk is het te doen om het slot van de geschiedenis, dat nog weer huiselijker van aard is. Op de betaling komt het dan aan en op de huisvaderlijke zorg, om een billijk en goed loon mee thuis te brengen. Wij zijn daarmee midden in de burgerlijke maatschappij. Onze aandacht wordt niet meegenomen naar de oorsprongen der mensheid, maar we worden midden op de markt des levens gezet. We staan in de bedrijvigheid van het dagelijkse doen; het geroezemoes van de arbeidersbeurs; de inspanning van de dagtaak; de kleine jaloersheden van het vak. Het ziet er helemaal niet episch uit en toch is het zo'n groot en belangrijk stuk van het mensenleven. Wat zou er van ons terecht komen als wij al maar hoog van de toren bliezen en onze dagelijkse taak verzuimden?

Men kan er Jezus niet van beschuldigen dat Hij dit over het hoofd heeft gezien. Hij spreekt gaarne naar aanleiding van zulke dingen. Een vrouw die brood gaat bakken; een andere die een penning verloren heeft; een derde die een rechter de deur plat loopt. Of een oude zondaar van een rentmeester, die op een zeer dubieuze manier voor zijn pensioen zorgt; een gierige boer die om zijn schuren heenloopt.

In onze gelijkenis zijn we getuigen van een toneeltje, dat om een schilder roept. Een opzichter roept de arbeiders bijeen, die in een wijngaard gewerkt hebben. Klokke zes heeft geslagen en de schaduwen zijn heel lang geworden. Het is er nu goed wezen, zo de laatste uren van de dag, vooral het allerlaatste. Maar midden op de dag, als de zon de druif over de pit heen moest helpen of de brand in het sap moest stoven, dan was het er niet altijd even behaaglijk. En toch moest er voortgewerkt, want de denarius, het afgesproken loon, moest worden verdiend. Maar merkbaar is wel, dat twaalf volle uren, waaronder de hitte des daags, zijn volgemaakt. Men ziet het gemakkelijk wie het zijn, die wat achteraankomen, als de opzichter roept; de laatsten, hoe aangenaam de roep tot de avondrust en de uitbetaling ook in hun oren geklonken moge hebben. En men kent ze er ook uit, die eersten, die vooroplopen en die de achteloze en lenige houding van de markt nog niet geheel hebben ingeruild tegen de strammere figuur van de werkman. Zie vooral die allervoorsten, die hun hand al ophouden om hun loon in ontvangst te nemen! Zij moeten het zijn, die pas ter elfder ure zijn gekomen.

Ergernis

Hier is al stof voor grimmige filosofie over het mensenleven. Het staat er toch duidelijk, ook in de gelijkenis, dat de betaling plaats had: te beginnen bij de laatsten. En de moraal van de parabel - als ik haar toch eens zo noemen mag - is deze: Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten. Er is geen vergissing mogelijk; het betreft hier zelfs het hoofdpunt van het verhaal. Maar is het niet een rare wereld, waarin dat het geval is? Daar staan nu die frisse kerels, die's avonds tegen vijven in de wijngaard zijn aangekomen of misschien nog iets later en die in de schaduw een beetje beweging hebben genomen na het stilstaan op de markt de hele dag. En in hun hand ligt al de blanke denarius. En zij die veel langer hebben gewerkt mogen toezien. En zelfs 't allerlaatst komen diegenen aan de beurt, die het hele rijzen en dalen van de oosterse zon hebben meegemaakt en een volle dagtaak hebben verricht. Wij begrijpen dat er een zeker ongeduld wakker wordt in hun gemoed, naarmate de betaling voortgaat en de beurt aan hen komt, die de eersten waren als het de arbeid betrof en de laatsten, als het aan de betaling toekwam. En als ze zo staan toekijken: wat is dat? Het loon blijft gelijk; steeds maar die onveranderlijke denarius; geen sprake van progressie in de uitbetaling; geen spoor van overwegingen wegens overwerk. Het geldstuk, dat straks ook in hun handen wordt gelegd, heeft al lang zijn glans verloren als het zover komt. Het verzoet de arbeid niet meer; eer verbittert het hun stemming; de dag is hun vergald. Moeten zij nu, 't eerst aan het werk en 't laatst betaald, niet meer ontvangen? Dit soort recht lijkt hun het hoogste onrecht.

Mij dunkt, wij zien die zure gezichten voor ons. Misschien zou alleen een Rembrandt in staat zijn hun trekken zo te schilderen, dat de gelijkenis, sprekend' werd. Maar wie iets van het leven gezien heeft weet ook zó wel, welk een tere snaar, in het mensenleven Jezus hier heeft aangeraakt. Ik denk aan een verhaal uit het begin van de bijbel. Twee broers hebben samen geofferd. Beiden gaven zij het beste wat ze hadden, de een van zijn veldvruchten, de ander van zijn kudde. En zie, God zag het offer van Abel aan, maar dat van Kaïn zag Hij niet aan. Waarom niet? Hier is het werk gelijk, doch het loon ongelijk. In onze gelijkenis is het andersom: het werk is ongelijk en het loon is gelijk. Maar het resultaat is hetzelfde: het vervallen aangezicht; de nijd die verrotting der beenderen is. Waarom is onze mathematische wereld, geschapen door een God die, naar de mening van een groot grieks wijsgeer, altijd mathematiseert,8 niet zo ingericht dat zulke onregelmatigheden niet voorkomen? Waarom zorgt God niet dat de ergernissen uitblijven? Als op moord de doodstraf staat, moet dan niet alles naar evenredigheid geregeld worden? En is de arbeider zijn loon niet waardig? Wordt niet, wie veel liefgehad heeft, veel vergeven? En wordt niet met vele slagen geslagen, wie wist wat hij deed en met weinige, wie dat niet wist? Wat moet er van een wereld worden, waarin geen maatstaf bestaat voor de dingen, geen evenredigheid, geen gerechtigheid?

Dit is niet alleen een gevoelige plek in het gemoed, het is ook een wonde in de geschiedenis; en hoe langer hoe meer. Onze tijd weet er van mee te praten. Wij kunnen zeggen dat de hele vulkanische beweging waaraan de hedendaagse maatschappij onderworpen is, er mee in verband staat. Het gaat om de zuivere evenredigheid van arbeid en loon; om het afnemen van hen die ledig staan aan de markt; om de ergernissen, de cumulaties in de salarissen; om het irriterende van het uitbetaald worden zonder prestaties. Wij zouden onze gelijkenis ook kunnen noemen: de gelijkenis van de werkverschaffing.9 Hier zijn mensen die hard hebben gewerkt; en zij kunnen het niet verder brengen dan anderen, die ledig aan de markt hebben gestaan. En er zijn anderen die voor de vorm iets hebben gedaan; en die evenveel krijgen als die produktief werk hebben gedaan. Wat een rare wereld waarin wij leven! Wat een klachten, ergernissen, ontgoochelingen!

Klein en groot in het Koninkrijk der hemelen

Wij zien het alweer: dat dagelijks leven, waaruit Jezus zijn gelijkenissen kiest, is zo onschuldig niet als het er uit ziet. Zo van die kleine trekjes, kleine oneffenheden, als men ze zo noemen wil, kunnen plotseling een betekenis krijgen alsof God opnieuw bezig was de wereld te scheppen. Hier en daar een voeg in de samenleving, nauwelijks zichtbaar voor het blote oog, kan ineens een klove worden, waar niemand over kan gaan, alsof het de afgrond was tussen hemel en hel. En een geringe ontstemming, die in de ene eeuw in een hoekje van een boekje over ethiek achteloos wordt afgedaan, kan in een andere eeuw het aanzien geven aan een geheel nieuwe levensbeschouwing. Het is niet zo vreemd dat Jezus, op de grenzen van twee werelden, van deze en de toekomende eeuw, van de gelijkenis uit het dagelijks leven concludeert tot het Koninkrijk der hemelen. Wat schuilt er een mysterie in het stukje zuurdeeg of gist, dat die vrouw in de gelijkenis verbergt in drie maten meels! Waar is het einde van de beweging, de gisting, die zij daarmede in Gods schepping teweeg brengt? Hoe trilt de hele wereld heden ten dage onder het smartelijk vibreren en fronsen van de wenkbrauwen van die arbeiders uit de gelijkenis; die de eersten waren en de laatsten werden! Jezus heeft niet voor niets gezegd, dat-Hij zijn gelijkenissen spreekt, opdat men oren hebbende, niet hore. De verborgenheden van de grondlegging der wereld af, de dingen van zijn koninkrijk, zitten wel diep verscholen. Het baat ons tenslotte niet veel als wij met deze gelijkenis in de gemoedelijkheid van het dagelijks leven proberen te vluchten. Eén blik in het verband waarin onze gelijkenis staat is ook voldoende, om ons daarvan te overtuigen. Want dadelijk na de laatste woorden daarvan staat in de tekst van Mattheüs het volgende:

Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de zoon des mensen zal worden overgeleverd aan de overpriesters en schriftgeleerden: en zij zullen hem ter dood veroordelen, en zij zullen hem aan de heidenen overleveren, om hem te bespotten en te geselen en te kruisigen; en ten derde dage zal hij worden opgewekt.

Daar staat in eens de hele inhoud van het Evangelie; bijna alles wat ook in de Twaalf artikelen staat.

De moralist

Maar wij moeten terugkeren naar de ontevreden arbeiders. Zij morren - murmureerden zegt het oude bijbelse woord zoveel tekenachtiger - nog steeds. Zo'n stemming vertrekt niet zo haastig; zij duurt een tijd. Maar Jezus is geen moralist. Dan zou Hij ook daarbij blijven staan. Hij zou ze ons uittekenen, ten voeten uit, als zielige of flinke kerels, al naar gelang van de opvatting die hij van het geval had. Maar dat doet Jezus niet. Hij laat ze zoals ze zijn en oordeelt ze niet. Misschien hebben ze wel voor een deel gelijk. Wie heeft helemaal ongelijk in een wereld, waarin het rechte vaak krom en het kromme recht gepraat wordt? Maar Jezus moraliseert niet. Hij predikt het Evangelie. Hij laat hen redelijk aan het woord komen en niemand kan zeggen, dat het een slechte kans is die Hij hun geeft als Hij hen laat zeggen: ⚑deze laatsten hebben één uur gewerkt, en gij hebt hen gelijk gesteld met ons, die de last van de dag en de middaghitte gedragen hebben.

Mij dunkt, dat sluit als een bus en er is geen speld tussen te krijgen. Jezus laat dat zo. Er zou over de verhoudingen in het mensenleven nog wel meer te zeggen zijn en wij zouden kunnen doorpraten en doorredeneren. En al hadden we dan nog schoner gelijk en al kon niemand er een woord tegenin brengen, dan waren we nog even ver. De mensen zouden toch weer hetzelfde doen en toch weer hetzelfde zeggen.

De goede God

Maar nu gaat de gelijkenis verder:

Doch hij antwoordde een hunner:

Vriend, ik doe u geen onrecht; ⚑zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarius? neem hetgeen u toekomt en ga heen.

Ik wil aan deze laatsten hetzelfde geven als aan u, staat het mij niet vrij, met het mijne te doen wat ik wil? of is uw oog boos, omdat ik goed ben?

Hebt ge wel eens, lezer, in een donkere stoffige schuur gestaan, terwijl daar plotseling door een glazen dakpan een bundel zonnestralen viel? En hebt ge dan niet met ontroerde verbazing gezien hoe die stoffige ruimte in die éne stralenbundel werd omgetoverd tot een profetie van een hogere wereld?

En hebt ge wel eens gezeten in een gezelschap van ontstemde mensen, die de goede toon niet meer konden terugvinden, als daar ineens binnenkwam, onbevangen en lachend, de huisvrouw, en hebt ge dan niet met weldadige ontspanning gemerkt, hoe de beklemming verdween als sneeuw voor de zon?

En hebt ge wel eens gezeten met een hart vol zorgen, te veel om op te noemen; de ene gedachte in oorlog met de andere en de ene stemming in volle tegenspraak met de andere? En is dan wel eens door de zoldering van uw leven een woord van God gevallen, zoals Jezus door een gesloten deur kwam, zodat het daarbinnen opklaarde als met een toverslag?

Zo is het woord van de heer uit de gelijkenis. Hier strijken flitsen evangelie-licht over de eisen van ons duffe zedelijk en maatschappelijk leven. Let wel, ze worden niet ontkend. Jezus denkt er niet aan te zeggen, dat men ze zomaar aan de kant kan zetten. De heer uit de gelijkenis houdt er zich aan. Hij heeft gebruik gemaakt van het contractrecht, en daarbij de billijkheid in acht genomen. Hij wil zich ook wel verdedigen naar die maatstaf. Hij zegt: vriend, ik doe u geen onrecht. Maar dan stuurt hij verder heel dit samenstel van rechtmatigheden naar huis; hij legt het corpus juris ter zijde en eist vrijheid om verder volgens een hogere regel te werk te gaan. Zijn antwoord is correct, maar wat uit de hoogte. Laten ze weggaan met hun denarius, met het overeengekomen loon. Hij wil gelegenheid hebben ook tweemaal, viermaal, twaalfmaal zoveel te geven als hij met hen heeft afgesproken. Met de billijkheid en de rechtvaardigheid is hij klaar. De werkdag is om; nu komt het feest van de goedheid. "Staat het mij niet vrij, met het mijne te doen wat ik wil? Is uw oog boos omdat ik goed ben?" Laten ze toch naar huis gaan en hem niet hinderen. Met hen is hij gereed. Hij wil er niets afdoen, van wat op de markt des levens als recht geldt. Maar mag men daar niet boven uitgaan? Is er naast de wereld van de maat geen ruimte voor die van de overvloed?

Het is niet zo gemakkelijk om van deze eisen der rechtmatigheid en zijn pleitbezorgers af te komen. Ze blijven staan en men merkt het ook in de gelijkenis, dat de heer niet dadelijk met hen is gereed gekomen. Men voelt dat aan de droogheid en gestrengheid van de toon, waarmee hij hen tenslotte laat gaan. Ze zullen hun opmerkingen hebben herhaald en met hun gelaatsuitdrukking een daarbij passende kritiek geoefend hebben. Overal in de evangeliën vertoont zich deze menselijke moraliteit naast de goddelijke genade. Ze is er in de gelijkenis van de verloren zoon in de houding van de oudere broeder, en verder in de hele commentaar, waarmee de wetgetrouwe Joden Jezus' werkzaamheid vergezellen van het begin tot het einde toe.

De werkverschaffing

En nu lezen wij nog eens de hele gelijkenis over. Wij zien die heer uitgaan naar de markt, bij zonsopgang, in de morgenuren, bij de hitte van de dag, in de middag en ter elfder ure. Er is grote bedrijvigheid in dit verhaal. Wij worden herinnerd aan Jezus' woorden: "Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook." Ledig aan de markt te staan, is een wanklank in de schepping. De vloek onzer dagen ontgaat aan Gods ogen niet. De arbeid staat hier als een goddelijke roeping aangetekend. Maar dan komen de moeilijkheden. De hitte des daags, het zweet des aanschijns, de lengte van de dag, de ongelijkheid, de taak, de onevenredigheid in het loon. Effen is moeilijk treffen,10 dicht het volk, en ze hebben gelijk. Dat mocht een aartsengel wel eens met grote letters op onze planeet kalken.

En nu komt daar aan het slot die openbaring van ongehouden goedheid een verzoenend licht over de oneffenheden van het leven werpen. Het is meer dan de straal van billijkheid, waarvan de berijmde psalm 19 spreekt en die van Gods wet uitgaat. Het is een glimlach Gods tegen zijn kinderen over al die dingen heen en tegen al die dingen in. Ieder mag zich zonnen in de lach, ook degenen, die menen het volle pond te hebben bijgedragen, als ze maar mee blij willen wezen, als God het hele spelletje van morgen en avond in de war maakt; al die nette figuurtjes afsponst en al die rekensommetjes uitveegt. Maar ze willen dat meestal niet. Ze voelen zich zo deftig en gewichtig, zo akelig braaf met hun brede gebedsriemen, hun grote mantelkwasten, hun ereplaatsen aan de maaltijd, hun vooraanzitting in de synagogen, hun begroeiing op de markt en door de mensen aangesproken te worden met 'rabbi!' En nu moogt gij, lezer, zelf deze laatste tekst, uit Mattheüs 23, vertalen in goed-hollands, zodat er geen gebedsriemen en mantelkwasten en rabbi's staan, maar wat anders. En gij moogt het, als God u zijn Heilige Geest wil geven - wat Hij altijd wil - vertalen in uw allereigenste taal, zodat niemand het verstaat dan gij zelf. En lees dan de gelijkenis. En dan vraag ik u: zoudt gij toch eigenlijk, eigenlijk niet liever behoren tot die laatsten, die laatkomers, die zo duidelijk merkten, dat die hele arbeid in de wijngaard toch eigenlijk een spelletje was; niet alleen dat spelemeien in de schaduw, maar ook die hele hitte des daags, en dat het om iets anders te doen was, om de goedheid van de heer, die hen van de markt nam en hen in de werkverschaffing deed? En is het niet een raadselachtig ding dat die eerstgehuurden, de echte loontrekkers, daar niets van merkten, ofschoon ze de hele dag tijd hadden om er over na te denken en dat het alleen goed doordrong tot die laatsten, die de eersten werden? Zoudt ge niet menen dat het beste stuk van de hele affaire u ontgaan was, als ge bleef hangen in de troosteloze ernst van de mechaniek des levens en nooit gekomen waart tot het spel, tot de muziek?

Gods laatste te zijn

En nu zegt gij misschien, dat het leven toch heus heel ernstig is en dat men het ook zo moet opvatten. Men mag er de hand niet mee lichten. Er moet, om te beginnen, orde zijn en die eerst komt, moet ook eerst malen. En er moet gerechtigheid zijn: de arbeider is zijn loon waardig. En wij moeten Gods medearbeiders zijn: help u zelf zo helpt u God. Dit zijn wijze spreuken en ze staan ook nog wel eens in de bijbel. Maar op die wijze komt ge niet tot de bruiloft, tot het beste kleed en de ring, tot het gezang en gerei, tot de goedheid Gods die boven dat alles uit is. Misschien wel tot de vooraanzitting; maar niet tot het: vriend ga hoger op. Wel tot het'de eerste' zijn; maar gij zult dan niet weten wat het zeggen wil Gods laatste te zijn.

Wat dat betekent wordt ons in de gelijkenis getekend. Als de dag om is, de arbeid gedaan, de zon gedaald, dan komt het feest der hemelhoge goedheid nog. Dan heeft God tijd voor zijn laatste werk aan de 'laatsten'. Dan zijn de anderen naar huis; zij die hun loon al gekregen hebben of die, zoals de ouderwetse Statenvertaling het zo krachtig zegt: hun loon weg hebben. Staat het mij niet vrij met het mijne te doen wat ik wil? Zo luidt het dan. Dan is God helemaal vrij om God te zijn, om goed te zijn. De loontrekkers zijn weg; de billijkheid is uit wandelen gezonden; de deftige rechtmatigheid op pensioen gesteld. Alles verandert nu. De denarius is geen loon meer, maar een cadeau. De afrekening is geen betaling meer maar een uur van geschenken. De ontvangst is geen verdienste meer, maar genade. En de wijngaard is tot paradijs geworden.

Waar gelijkt de zaak op?

Dit alles is een gelijkenis: maar de gelijkenis gaat over in Evangelie. De heer, dat is God en de wijngaard is het Koninkrijk der hemelen. Niet een enkele gedachte alleen, dat de laatsten eersten zijn, en de eersten laatsten, wordt als moraal van de parabel overgebracht op het Godsrijk. Zo literair spreekt Jezus niet. De gelijkenis staat onder veel hoger spanning en het Evangelie dringt door alle voegen het verhaal binnen. Door de aardse gelijkenis zien we weer in de gelijkenis, waarin wij geschapen zijn: het Beeld dat er was, eer de wereld was.

De gelijkenis gaat wel over de dingen van deze wereld, want Jezus is in deze wereld gekomen. En ze gaat ook wel over de maatschappij en over werkverschaffing; waarom zou ze niet. En ze gaat zelfs over communisme en over nationaal-socialisme en over de NSB.,11 want die treffen wij in deze wereld aan. En ze gaat over de moraal; hoe men zich tegenover de naaste houden en gedragen moet; en over de loonstandaard en de winkelsluiting, en over het dienstbodenvraagstuk. En verder over de kerkelijke vragen en over de arbeid in het koninkrijk Gods, over het ambt en over de arbeid-om-niet en over de diaconie en het bedeelden-stemrecht.12 En tenslotte gaat ze natuurlijk ook over Oud en Nieuw Testament; over Mozes en Christus; over de Farizeeën en de discipelen van Jezus; en hoe de Farizeeën eersten waren en laatsten werden en de discipelen precies andersom. En 't allerlaatst gaat ze ook nog over Petrus, Jacobus en Johannes, die de vooraanzitting begeerden in het Koninkrijk der hemelen, omdat ze alles verlaten hadden en de ganse dag gewerkt; en over de moordenaar aan het kruis, de allerlaatste, die de eerste werd in de wijngaard, in het paradijs.

Dit alles staat in de gelijkenis. En toch is ze geen stukje van een staatkundig program en geen sociale ethiek en geen huishoudelijke moraal en geen proeve van kerkinrichting. Geen stukje dogmatiek ook en zelfs geen bijbelse theologie. Het is een gelijkenis; een verborgenheid. Wij hebben ogen, en zien niet; wij hebben oren en horen niet. Maar als iemand een van die laatsten wordt, die in de gelijkenis staan, en als de Heilige Geest ogen en oren in hem wordt; als hij dan ziet in de oorspronkelijke spiegel en luistert naar de donkere rede; als hij met God in de avondkoelte staat en alle eersten zijn weg en alle eerste dingen zijn voorbij gegaan, dan verstaat hij de gelijkenis.

Dan weet hij wie God is, de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste. Die nadat hij in de eerste ure is uitgegaan en ter elfder, ter laatster ure nog weer; als de twaalf uren van de dag, de laatste zowel als de eerste, om zijn; als de klok op eeuwig stilstaat, nog tijd over heeft juist voor die laatsten om de dag zijner ongehouden goedheid te doen aanlichten uit de nacht zijner verborgenheden.

In het licht van die goedheid, die liefde in Christus, wordt al dat andere opgeheven. Dan dwarrelt in de straat van evangelielicht alles wat zo ernstig en rechtvaardig, zo fel en zo boos kan zijn, omdat God goed is. Want het zou in zich zelf geen ernst en geen recht, geen kracht en geen betekenis kunnen hebben, als het die niet ontleende aan de goedheid Gods. Al het vergankelijke is maar een gelijkenis.13 Stofjes in het eeuwige Licht zijn alle machten en overheden, de Sovjet-Unie en het Derde Rijk; de crisis en de bewapeningswedstrijd; de staathuishoudkunde en de burgerlijke moraal, de kerk en de sacramenten. Maar wie ogen heeft ontvangen om te zien, en vraagt wat die lichtstraal toch zoekt, waar hij heen wil, die ziet in zijn licht juist die laatsten staan, die in de donkere schuur van de werkverschaffing des levens een nieuwe hemel en een nieuwe aarde verwachten. Op het einde vinden zij elkaar. Hij die, ofschoon Hij altijd werkt, een eeuwigheid overhoudt voor het spel der goedheid, en zij die de politieke en de maatschappelijke, de morele en de kerkelijke ernst en deftigheid niet hebben kunnen vinden: de armen van geest. Het is een gelijkenis. Gelijk kent gelijk, en gelijk verheugt gelijk. Effen is hier treffen.

Voetnoten

  1. a

    C.E. van Koetsveld, De gelijkenissen van den Zaligmaker, 2 dln., 1854-1868 (in afleveringen verschenen), dl. 1, p. V.↩

  2. b

    Stefan George, Urlandschaft, in Der Teppich des Lebens (Gesamt-Ausgabe, dl. 5, Berlijn 1927-1934, p. 41): "Erzvater grub erzmutter molk . .↩

Eindnoten

  1. 1

    Verschenen in 1935, in een uitgave van J. Ploegsma, Zeist. Het 'Woord vooraf' vermeldde onderaan: Laren (G), Hemelvaartsdag 1935 met de naam van de schrijver.↩

  2. 2

    Het beeldend karakter van de gelijkenissen, dat zich in ons inprentte "toen wij als kinderen onze eerste kennis maakten met het Evangelie" (p. III), waarvan de beelden ons bekend waren "eer wij ze recht kenden als gelijkenissen", sprak voor Van Koetsveld zodanig, dat hij zijn werk liet verluchten met gravures, niet uit "schrijvers-ijdelheid", maar, zo verzekert hij: "de platen behoren bij de verklaring der Gelijkenissen." Van het boek is een kennelijke invloed op Noordmans' beschouwingen uitgegaan.↩

  3. 3

    Vgl. Hieronymus, Comment. in Ev. Matthaei, III, 18 (CChrSL. 72, 163): Familiare est Syris et maxime Palaestinis ad omnem sermonem paraboles iungere; geciteerd bij Van Koetsveld, a. w., p. XXV.↩

  4. 4

    Phaedrus, gestorven 50 na Christus, was een Latijns fabeldichter en voerde met zijn vertalingen van Aesopus de fabel als genre in de latijnse literatuur in.↩

  5. 5

    Voor Lessing (1729-1781) ging het in de bijbel om menselijkheid en "de opvoeding van het menselijk geslacht" daartoe. Bij Herder (1744-1803) wordt deze humaniteitsidee sterk met esthetisch-literaire noties verbonden.↩

  6. 6

    Vgl. voor deze gedachte Van Koetsveld, a. w., dl. 1, p. 25 v.↩

  7. 7

    William Wordsworth (1770-1850), afzijdig levend van mens en samenleving (na aanvankelijke reizen), schreef een heldere en eenvoudige natuur-poëzie, met het landschap van het Lake District als achtergrond, waarbij hij de natuur opvat als voorafspiegeling van het hemelse. Ook bij Gezelle (1830-1899) treedt het natuurelement sterk naar voren.↩

  8. 8

    Aldus Plato, volgens Plutarchus, die het voor een gedachte van Plato houdt, ook al heeft hij de uitdrukking in geen van diens werken letterlijk kunnen vinden; vgl. Plutarchs Moralia, E. L. Minar ed. e.a., dl. 9, Londen 1969, p. 118 v.↩

  9. 9

    Een vóór de Tweede Wereldoorlog gebruikelijke benaming voor de tewerkstelling van werklozen op projecten van aanvullende werkgelegenheid (meest graafwerkzaamheden).↩

  10. 10

    Vgl. F. A. Stoet, Nederlandsche spreekwoorden, uitdrukkingen en gezegden, dl. 1, Zutfen 19435, p. 211.↩

  11. 11

    De opkomst van de NSB. hing nauw samen met de problemen van crisis en werkloosheid.↩

  12. 12

    Tot 1919 waren de zgn. bedeelden van het actief en passief kiesrecht in de Hervormde Kerk uitgesloten.↩

  13. 13

    Zinspeling op het slot van Goethes Faust, di. 2, 5, de verzen 12104 v↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De achtergrond van de bergredeInhoudDe opstanding →