Bijlage 1
Hoofdmomenten uit de reorganisatiestrijd in de Nederlandse Hervormde kerk
De kerk der Reformatie in Nederland heeft aan Calvijn met de leer de daarin vervatte kerkorde ontleend. Daardoor treedt naast het belijden aanstonds het ordenen naar voren in onderlinge samenhang. Van de ambten, drie of vier in getal (dienaar des woords, ouderling, diaken en doctor), werd dit accent van ordening het meest tot uitdrukking gebracht door de ouderling. Daarom draagt dit type kerkorde dan ook de naam presbyteriaal. Soms voegt men er nog de benaming synodaal aan toe. Men wil daarmee zeggen, dat de kerk geregeerd wordt door middel van vergaderingen, waarin de ambten bijeenkomen. De bedoeling van deze structuur is het vermijden van alle hiërarchische opbouw met behoud van een eigenaardige concentratie van gezag, waardoor men toch tot beslissingen kan komen. Niemand heeft schoner karakteristiek van dit type kerkorde gegeven dan Gunning (zie n. 33.b).
Van meet af en met volharding is men gekant tegen alle hiërarchie. De grondstelling luidt: geen ambt zal over het andere heersen. Daarom spreekt men ook niet van lagere of hogere ambten, slechts van meerdere en mindere vergaderingen, doelend niet op meer of minder aanzien, maar op een grotere concentratie van ambtelijkheid door grotere gebiedsbestrijking. Deze kerkvorm kent naast een intern regelende functie ook een uitwaartse gerichtheid op het leven rondom en buiten de kerk: de staatkundige en maatschappelijke werkelijkheid van het gemenebest. Overeenkomstig de grondlijnen van de kerk dient ook de brede gemeenschap te worden ingericht. Van meet af riep deze politieke spits van de gereformeerde kerkorde spanningen op. Want al is de gereformeerde theocratie positief geladen, juist daarom vermag de kerk zich kritisch op te stellen ten opzichte van de overheid. Hoezeer de overheid ten onzent de kerk vreesde, blijkt uit het feit, dat zij er met volharding en met succes naar heeft gestreefd om te verhinderen dat de nationale synode zou worden bijeengeroepen. Het falen van de kerk om haar eigen weg te gaan - desnoods tegen de wil van de overheid in - mag niet op rekening geschreven worden van de Dordtse kerkorde. Het is eerder symptoom van een bepaalde mentaliteit, ook in de kerk aanwezig, waardoor men zwicht voor macht van regenten. Ofschoon de weerstand van predikanten en kerkeraden soms pittig kon zijn (vgl. o.a. R. B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam, Amsterdam 1965-1978, m.n. dl. 1), maar al te vaak ging het spreekwoord op: wat de heren wijzen, moeten de gekken prijzen. Toen dan ook de bordjes verhangen waren en andere heren en wetten hun intrede deden in de vorm van de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland, de keizerlijke Franse regering en ten laatste het Koninkrijk der Nederlanden onder de soevereine vorst Willem I, toen bleef die neiging tot zwichten voor het 'goddelijk' gezag der overheid duidelijk aanwezig. Wat was er namelijk gebeurd? Koning Willem I had - buiten de kerk om (vgl. J. C. A. van Loon, Het Algemeen Reglement van 1816, diss. Amsterdam VU., Wageningen 1942) - de ambtenaar J. D. Janssen (zie n. 29.3) het Algemeen Reglement voor de Nederlandse Hervormde Kerk doen vervaardigen, ingevoerd bij KB van 7 januari 1816. Het vertoont een centraliserende structuur: de koning, top van de piramide, houdt door benoemingsrecht en goedkeuring van beslissingen, controle over de hiërarchie der (kleine) besturen: algemene synode, provinciale en classicale kerkbesturen, kerkeraden. Een geestelijk functioneren der kerk overeenkomstig eigen wezen en rechtsregels was daarmee onmogelijk gemaakt. Zie n. 34.5; zie ook bijlage 2a; vgl. A. J. Rasker, a. w., p. 26 vv. Wel bleef de gereformeerde karaktertrek van zelfstandigheid tegenover de staat evenzeer doorwerken. Als lichtend blijk daarvan staat overeind het protest van de classis Amsterdam tegen het reglement van de koning, dat het uitgangspunt werd van de reorganisatie-strijd in de negentiende en de twintigste eeuw. J. C. A. van Loon heeft in zijn bovengenoemde dissertatie aangetoond dat er nog méér protesten zijn geweest. Maar het aantal blijft summier en de toon is uiterst onderdanig. Gegeven echter de algemene tendens om in te binden waar men de toorn des konings vermoedde, moet men des te meer bewondering koesteren voor de durf van de classis Amsterdam en de kracht der argumenten, die zij op echt gereformeerde wijze naar voren wist te brengen. In feite is dit Amsterdams protest van 1816 de eerste aanval geweest - in een strijd van bijna anderhalve eeuw - op de organisatie door de soevereine vorst aan de kerk opgelegd. Steeds meer heeft men ingezien dat het reglement de grote sta-in-de-weg was om te komen tot normale kerkelijke verhoudingen. Allerlei scheldnamen zijn er in machteloze woede aan gegeven: Saulsharnas, Nessuskleed, Procrustesbed, staatscreatuur, de Nederlandse uitvinding van de negentiende eeuw, de ongerijmdheid zelve. Noordmans heeft telkens weer zijn verwondering uitgesproken over dit vermogen om 'te duren'.
Tenslotte heeft hij zelf - door de kwaliteit van zijn theologische verantwoording en door zijn doorbreking van het richtingsdenken (vgl. H. Bartels, a. w., p. V, 107, 109, 143 v., 193, 213 v.) - een voorname stoot gegeven tot de verdwijning van het oude reglement en aan het in werking treden van een kerkorde, die zijn ideeën omtrent een bijbelse gestalte der kerk weerspiegelt.
Al spoedig na 1816 boog de strijd tegen het algemeen reglement van Willem I uiteen in twee richtingen, de juridische en de medische, vertegenwoordigd door Groen en Da Costa. Bij Groen ging vóór alles de leer, dwz. de handhaving der belijdenis en de uitbanning van onbijbelse prediking; daarnaast en daarna wilde hij ook opkomen voor een andere kerkorde, waarin het leven der kerk beter tot zijn recht zou kunnen komen. In de strijd voor beide doeleinden zag hij het recht als onmisbaar, dwz. de kerkrechtelijke bestrijding der dwalingen en de strijd om de reorganisatie.
Da Costa echter verwachtte alleen maar onheil van een kerkelijke rechtsgang. Slechts door interne genezing, door verdieping en zuivering van het geestelijk leven kon herstel intreden. Was het bij de een: door reorganisatie tot reformatie, bij de ander heette het: door reformatie (eventueel) tot reorganisatie. Beriepen zich de 'juridischen' veelal op het profetenwoord: "Sion zal door recht verlost worden" (Jes. 1 : 27), de 'medischen' haalden de apostel nogal eens aan, die mbt. dwalenden had opgemerkt: "Zij zijn van ons uitgegaan, want zij waren uit ons niet" (1 Joh. 2 : 19).
Terwijl De la Saussaye sr. ten einde toe vasthield aan de medische weg, ofschoon hij het waarheidsmoment in de juridische weg erkende, was er bij zijn leerling Gunning aan het eind van zijn leven een kentering door de invloed van de Groen-leerling Hoedemaker. Die laatste vijf jaren van Gunnings leven zijn niet alleen voor hemzelf maar voor de gehele Hervormde Kerk van de allergrootste betekenis geweest, aangezien plaatsvond wat zo uiterst zelden geschiedt, dat tegenstanders van formaat elkaar werkelijk weten te overtuigen. Dat G. en H. daarna de krachten hebben gebundeld is van onschatbare betekenis geweest voor de geschiedenis van de reorganisatie. Dit feit kan men de beslissende wending noemen. Voor Noordmans betekende hun samengaan een blijvende inspiratie in de strijd (vgl. VW., dl. 1, p. 390 vv., 397 v.; dl. 5, nr. 22 en 74).
Overzicht van de jaren 1827-1 929
Terugziend op het verloop der gebeurtenissen noteren wij de volgende jaren:
1827: Ds. D. Molenaar publiceert zijn Adres aan mijn hervormde landgenoten (gedurfd voor die tijd), waarin hij op drie punten verandering wenst: de proponentsformule, de leervrijheid en de samenstelling van de algemene kerkvergadering (niet door benoeming van bovenaf maar door verkiezing van onderen op);
1841: Adressen van ds. Moorrees e.a. met betrekking tot het 'quia' en het 'quatenus', d.i. de kwestie hoe men het woord 'overeenkomstig' in de zinsnede uit de proponentsformule: "dat wij de leer welke overeenkomstig Gods heilig Woord in de aangenomen formulieren is vervat" interpreteert, òf als 'voor zover die overeenkomst aanwezig is' òf als 'omdat die overeenkomst aanwezig is'. Leest men quia (omdat), dan schakelt men de twijfel uit, maar leest men quatenus (voor zover), dan zet men het gezag van de belijdenis en wellicht uiteindelijk van de Schrift zelf op losse schroeven. De synode werd van al die adressen niet koud of heet. Adressanten kregen te horen, dat als de synode veranderingen nodig oordeelde, zijzelf die wel zou toepassen. Eigenlijk vond ze het wel zo gemakkelijk dat beide interpretaties mogelijk bleven.
In 1842 schrijft Groen zijn adres aan de algemene synode der Nederlandse Hervormde Kerk over de formulieren, de academische opleiding der predikanten, het onderwijs en het kerkbestuur, Leiden 1842, mede ondertekend door zes geestverwanten ('de zeven Haagse heren'). Zij eisen van de synode handhaving van de oude leer, herziening der reglementen en handhaving van de tucht en keren zich tegen de 'stelselmatige loochening der leer' en 'het verraad aan de dierbaarste belangen onzer kerk'. Met name keerden zij zich tegen de 'Groninger school', die de eeuwige Godheid van de Zoon en de verzoenende kracht van het bloed van Jezus betwijfelde. De synode legt dit adres naast zich neer, waarop Groen c.s. zich tot het volk richtten om zich tegen de dwaalleer te verzetten (Aan de Hervormde gemeente in Nederland). Zij vragen: "handhaving ener christelijke kerktucht in leer en in wandel, meerdere werkzaamheid en invloed der classicale vergadering, vermeerdering der leden van de synode, zoal niet van lastbrieven voorzien dan toch met verantwoordelijkheid krachtens de verplichting tot handhaving der hervormde leer". (Vgl. G. J. Vos Azn., Groen van Prinsterer en zijn tijd, 2 dln., Dordrecht 1886en 1891,dl. 1,p. 205vv.)
In 1848 volgt een nieuwe adres-beweging (Groen en Heldring), die scherper onderscheid maakt tussen de hervormde kerk en het genootschap, waarin deze vorm heeft aangenomen.
Behalve op handhaving van Schrift en belijdenis komt nadruk op het raadplegen der gemeenten. Ook dit adres wordt terzijde gelegd. Intussen werkte de synode zelf aan een herziening van het reglement, die door de koning werd aanvaard en bekrachtigd (1852). De kerk ging hierdoor echter slechts van de ene onderdanigheid in de andere over, te weten van die aan de koning in die aan de synode. Wel werd het algemeen kiesrecht als principe gesteld en in 1866 geëffectueerd; maar de gehoopte omzetting van de besturen kwam niet tot stand. De besturen-kerk zat zo stevig in elkaar dat er van een presbyteriaal-synodaal leven niets kon komen.
In 1864 kondigde de synode leervrijheid af (Hand. Syn., p. 230). Het modernisme (vgl. Otto J. de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, Nijkerk 1972, p. 329-332) was daaraan niet vreemd. Van de kansel af zorgde deze nieuwe richting voor opschudding (zie n. 22.5), door alternatieve doopformules, heterodoxe uitspraken alsmede door aannemingskwesties (zie n. 47.20). Ook de modernen wisten met adressen de synode te vinden, vragend om doorvoering van de leervrijheid, een andere classicale indeling en een modus vivendi (zie n. 33.22; 65.14).
In 1873 dient de synode over deze en andere adressen te oordelen. De algemene synodale cie. wordt het niet eens en komt met vier voorstellen, waarvan ze er één kiest, te weten het loslaten van het belijdend karakter der kerk, het stichten van "belijdende kerspelen". Maar vervolgens wordt dit alles weer in tweede lezing verworpen.
In 1876 nieuwe adressen, in 1878 voorstellen tot vernieuwing. Kuypers Traktaat van de reformatie der kerken (1883) roept op tot de strijd. Velen gaan mee. Amsterdam is het middelpunt. Het scheelt weinig of de Amsterdamse kerkeraad, grotendeels op de hand van Kuyper, krijgt het heft in handen op grond van de theorie van het zgn. 'akkoord van kerkelijke gemeenschap' (zie n. 50.6). Negen andere gemeenten in de classis wil men daartoe brengen. Dan grijpt het classicaal bestuur (lees G.J. Vos Azn.) in en de tachtig Amsterdamse kerkeraadsleden worden geschorst (4.1.1886) en afgezet (1.7.1886). Slechts langzaam, gedurende decennia, rijpten de inzichten omtrent de geestelijke noodzaak van reorganisatie.
Eerst meende men zijn doel te bereiken door de kerkeraden te vullen met belijdende ambtsdragers. Daarna concentreerde men zich op handhaving van de belijdenis, waarbij het al of niet voortbestaan van het 'genootschap' er minder op aankomt. Tenslotte gaan velen, als de 'Doleantie', het "afwerpen van het juk der synodale hiërarchie", op 16 november 1882 een feit wordt, mee met Kuyper in zijn opvatting, dat rechtstreekse herinvoering van de Dordtse kerkorde aan de kerk haar gewenste gestalte zal kunnen hergeven. (Waar dit laatste gevoelen ook nog wel in confessionele kring bleef leven, is N. er steeds op uit geweest betrokkenen te waarschuwen voor repristinatie en voor 'ras-calvinisme' (zie bijv. de brochures Beginselen van kerkorde en Evangelie en volkskerk).)
In 1889 ligt een adres van Hoedemaker en de kerkeraad van Nijland op de synodetafel, waarin zij de bestaande organisatie voor onwettig verklaren, want door de koning opgedrongen; slechts onder protest, ter wille van de belangen die hun zijn toevertrouwd en de rechten die zij als leden en opzieners der kerk bezitten, onderwerpen zij zich aan een organisatie, onwettig in haar oorsprong en niet gewettigd door zgn. stilzwijgende aanvaarding door de kerk. Betoogd wordt dat de huidige kerkvorm meer episcopaat dan presbyteriaal is, dat wel uitwendige handhaving van de belijdenis maar niet inhoudelijke bijbelse leertucht mogelijk is, dat zij leidt tot leervrijheid en eindeloze partijschap, dat alle gemeenschap in arbeid en gebed door zulk een ongeestelijke organisatie wordt onmogelijk gemaakt. Het adres eindigt met de eis, dat de presbyteriale organisatie als een recht der kerk wordt hersteld. De synode antwoordt: "De kerk heeft voor alle dingen rust nodig. Och, werd zij niet langer nodeloos beroerd" (Hand. Syn. 1889, p. 367-382). ⚑De jaren van 1900-1905 zijn reeds aangeduid in hun beslissende betekenis voor de reorganisatie-strijd (zieboven). Wij vermelden uitdiejaren nog het volgende:
April 1901 houdt Hoedemaker te Utrecht zijn grote rede op de ambtsdragersvergadering over Ontwerp tot reorganisatie der Hervormde Kerk. Gunning laat verschijnen: Niet bij elkander houden maar uit de grond opbouwen, Nijmegen 1901. Beiden bepleiten herstel der classicale vergaderingen voor echt geestelijke arbeid, oefening van tucht en reorganisatie. G. spreekt hierover ook op de Utrechtse predikantenvergadering van 1901. Als dr. J. Th. de Visser met zijn bekende drie bezwaren (tijd nog niet rijp, orthodoxen verdeeld, uitbanning is toch de opzet) komt, antwoordt G. in Onze zonde (Nijmegen 1901): De kerk begaat de zonde, het geloof in Christus te maken tot een mening onder andere meningen; verder 1. de nood is groot, hier past geen uitstel, 2. orthodoxen hebben trots verschillen een familieband, 3. laat ons op de kracht der waarheid vertrouwen. In datzelfde jaar verschijnt een brief van Gunning, Hoedemaker en Kromsigt aan de synode om een commissie voor reorganisatie te benoemen. Tijdens de synodebespreking verklaren 9 van de 19 leden dat "het belijden van Jezus Christus als de Here der heerlijkheid, het Hoofd der gemeente, de enige Zaligmaker van zondaren is de heilige roeping der kerk". Nu protesteert de secretaris der synode tegen dit vertoon van godsdienst (!). En als G., hoogbejaard, toegang vraagt tot de synode om de voorstellen te bepleiten, wordt hij afgewezen (zie Hand. Syn. 1901).
Hoe in 1902 een dubbele aanval op het synodale bolwerk, enerzijds van G. J. Vos, anderzijds van Gunning en Hoedemaker c.s. werd afgeslagen, daarover bericht n. 63.65.
In 1903 schrijft Hoedemaker: De vrijmaking der Hervormde Kerk een nationaal belang. Advies inzake reorganisatie van het kerkbestuur, Amsterdam 1903. In datzelfde jaar had de voorzitter van de synode de merkwaardige moed te stellen: "Predikanten die open verklaren dat de tegenwoordige organisatie de heerschappij van Christus belemmert en die toch kalm onder de organisatie blijven arbeiden, die aan die organisatie hun positie ontlenen en hun inkomen genieten, die keer op keer jongelieden tot lidmaten aannemen en dezen trouw aan de organisatie laten beloven ... dat toont dat het deze mannen geen ernst is. Heel de beweging ... komt voort uit ongeloof. . ." (Hand. Syn. 1903). Gunning grijpt naar de pen en schrijft zijn Open brief aan de synode der Nederlandsche Hervormde Kerk (Amsterdam 1904). Ph. J. Hoedemaker, P. J. Kromsigt, B. van Meer (confessioneel) en Chr. Hunningher (ethisch) ondertekenen mede. Gesproken wordt van "de heilige toorn des Heren over een kerk die Hem verloochent".
De synode van 1905 behandelt een concept-wijziging algemeen reglement van de hand van Slotemaker de Bruïne en Blanson Henkemans. Hoofdpunten: er komt een grote synode van 45 leden; de bevoegdheid der classicale vergaderingen wordt uitgebreid; de provinciale synoden worden hersteld; art. 11 (zie bijlage 2a) komt te vervallen en een nieuwe alinea van art. 13 zal luiden: "Tuchtzaken aangaande de belijdenis van de leden der gemeente worden behandeld naar de regel dat de NHK. de heilsopenbaring verstaat in de zin, die daaraan gehecht is door haar synode van 1618 en 1619 blijkens de aldaar laatstelijk herziene of vastgestelde belijdenisgeschriften."
H. en G. hadden tegen deze voorstellen het bezwaar, dat zij bleven steken in een verbetering van de bestuursvorm, terwijl een nieuwe doordenking van de geestelijke achtergronden der kerkorde mbt. de noties van lichaam van Christus en van de verhouding van Schrift en belijdenis nodig was (LW., p. 672-674). De voorstellen werden verworpen.
In 1908 en 1909 werden voorstellen verworpen van de heer Schrieke, van de Confessionele Vereniging, van een aantal classes en van een provinciaal kerkbestuur. Herstel der classicale vergaderingen werd bepleit in 1911, maar als immer vergeefs. Over het voorstel van dr. F. J. Los mbt. een nieuw reglement, een breed uitgewerkt voorstel (1914), maakte men zich ter synode zelfs vrolijk. De Confessionele Vereniging en de Gereformeerde Bond waren in deze tijd zeer actief. Men poogde zowel verscherping van de proponentsformule te verkrijgen als weglating van de geest-en-hoofdzaakformule bij het stellen van de belijdenisvragen (zie bijlage 2a, art. 39). Opmerkelijk was dat ook orthodoxen als dr. G. A. Wumkes zich hiertegen mede verzetten als toch te riskant voor de atmosfeer der vrijheid, waarin alles in de kerk zich moest kunnen voltrekken.
Het voorstel van de Utrechtse theologische faculteit (waaronder ook T. Cannegieter en Hugo Visscher) (1916) met betrekking tot een bepaalde modus vivendi, waarbij gedacht werd aan de vrijheid tot het organiseren van richtingengroepen binnen de kerk, kreeg aandacht, maar werd verworpen.
In 1918 komen de vrijzinnigen met een voorstel mbt. filiaalgemeenten, die autonomie krijgen mits gebonden aan art. 39 Godsdienstonderwijs, art. 27 Examen en art. 6 Opzicht en tucht (zie bijlage 2a). De vrijzinnigen volharden in het pleit voor het recht der minderheden. De Gereformeerde Bond denkt aan een kerk naast de Hervormde Kerk, alleen door stoffelijke banden met de NHK. verbonden.
Van 1922 af wordt het roepen om een grote synode steeds sterker. Aan het begin van de jaren twintig worden de kerkelijke kwesties geconcentreerd op het punt van de predikantstraktementen. Deze bevinden zich in een deplorabele staat. De Bond van Nederlandse predikanten wordt opgericht door C. J. Bartels, D. Boer, O. Noordmans en M. J. A. de Vrijer. ⚑De theologisch meest gefundeerde onder hen, Noordmans, publiceert niet alleen in het Orgaan, maar zoekt de openbaarheid van een blad als de NRC., waarin hij toont goed op de hoogte te zijn van alle implicaties van de zaak, ook op kerkrechtelijk gebied. (Zie zijn mening, in nr. 3, 4, 10, 11, 12, 13, over L. J. van Apeldoorn.)
Overzicht van de jaren 1929-1951
1929: Ontwerp-1929, door cie. Haitjema-Te Winkel, beogend het herstel van ambt en belijdenis, met regeling tucht, vervanging besturen door vergaderingen en inschakeling overgangstijd; verworpen januari 1930. Zie n.14.1; bijlage 2b; vgl. H. Bartels, a.w., p. 8-33.
10 juni 1930: Oprichting Kerkherstel, strevend naar reorganisatie in de geest van het ⚑rapport-1929. Zie n. 14.1; vgl. H. Bartels, a.w., p. 34-40. 15 februari 1931: Oprichting Kerkopbouw, op basis van 15 punten. Zie n.15.1; vgl. H. Bartels, a.w., p. 40-55.
Juli 1931: Bespreking en verwerping voorstellen tot vredig samenwonen der richtingen in de synode (mogelijk maken van predikbeurten door predikanten naar keuze òf beroep van predikanten naar keuze door groepen, mits voldaan wordt aan voorwaarden). Zie n. 19. l; 20. l; 23. l; vgl. H. Bartels, a.w., p. 56-70.
Juni 1 933: Voorstel (KHe.) - grote synode verworpen. Zie n. 31. l; vgl. H. Bartels, a.w., p. 70-75.
Juni 1933: Ontwerp-Kerkopbouw gereed (grote synode; karakter: belijdend, missionair, met oplossing voor minderheden-vraagstuk). Zie n. 3 0. l; 31.1; 32.1; 34.2; bijlage 2c; vgl. H. Bartels, a.w., p. 76-100.
Januari 1935: Verwerping door synode van het ontwerp-KO.
14 juni1935:Noordmans houdt zijn rede De naaste toekomst der kerk ter opening van nieuwe verstandhouding KO./Khe. Zie nr. 48. Vgl. H. Bartels, a.w., p. 109.
September 1935: Kerkherstel en Kerkopbouw richten zich gezamenlijk tot synode ter zake van reorganisatie.
November 1936: Het Akkoord, gezamenlijk door KHe. en KO. met synode opgesteld en ingediend, wordt door synode aanvaard en tot uitgangspunt gemaakt van definitieve voorstellen. Zie n. 48.1; 50.1; 52.2; nr. 53; bijlage 2d; vgl. H. Bartels, a.w., p. 108-129.
23 november 1936: De Vereniging van Vrijzinnig Hervormden, die bezig was zich meer kerkelijk te oriënteren (zie nr. 52I1), profileert zich in een beginselverklaring ter zake van vrijheid en verscheidenheid van geloven en belijden en tegen leertucht. Vgl. H. Bartels, a.w., p. 125-137.
April-november 1937: In Kerkopbouw vindt de discussie plaats tussen Brouwer en Noordmans ter zake van de afleidbaarheid van kerkorde uit de Schrift. Zie nr. 54-61; vgl. H. Bartels, a.w., p. 137-144. ⚑28 juni1937: Ontwerp-1938 gereed en ter synode; zie bijlage 2e; belangrijke punten uit beide ontwerpen opgenomen, zoals: belijdend karakter kerk, regeling voor minderheden (niet huisgemeenten), overgangsbepalingen, regering door ambten en vergaderingen, visitator/moderator enz. Art. 8 centraal: omschrijving wezen en doel der kerk.
12 januari 1938: Het ontwerp aanvaard door de synode; daarna moet het de kerk door; strijd ontbrandt; N. schrijft zijn Kerkelijk denken voorwaarde voor kerkorde. In zijn De spanning der kerk is de interne splitsing in KO. openbaar. De classicale vergaderingen zijn in meerderheid tegen. Zie nr. 63, 64; vgl. H. Bartels, a.w., p. 162-201.
Augustus 1938: Synode verwerpt het voorstel- 1938, draagt het althans over aan de Alg. syn. cie. Ontgoocheling bij velen, ook bij N. Samen met de kerkelijke hoogleraren moet de Alg. syn. cie. een nieuwe weg vinden.
Augustus 1940: Instelling Gemeenteopbouw o.I.v. H. Kraemer om de reorganisatie 'van onderen op' (dus door reformatie) te bewerkstelligen. Zie n. 74.4.
Februari 1942: Cie. voor de beginselen van de kerkorde ingesteld. Paul Scholten leidinggevend. N. kan o.m. door vervoersproblemen hier niet goed aan meedoen.
April/juli 1944: Ontwerp-werkorde aanvaard, 8 additionele artt. bij Alg. Regl. met bijbehorende invoeringsbepalingen, welke taak, samenstelling en werkwijze der Gen. Syn. regelen; in feite dus: de constituante.
31 oktober 1945: Gen. Syn. op grond van de Werkorde voor het eerst bijeen in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.
11 december 1945: Cie. voor kerkorde benoemd.
24 november 1947: 'Nunspeets' ontwerp aangeboden.
14 oktober 1949: Aanvaarding in eerste lezing.
7 december 1950: Nieuwe kerkorde aangenomen. Zie voor deze en vorige data n. 76.2, 5; bijlage 2e; vgl. A. J. Rasker, a.w., p. 297 vv.
In de strijd voor de predikantstraktementen ontwikkelt de theoloog Noordmans een nieuwe weerbaarheid en een vermogen tot leiding geven. Deze eigenschappen stelden hem in staat tot zijn voorvechtersfunctie in de reorganisatiestrijd-nieuwe stijl. Zijn geslaagde bemoeienis met de predikants-traktementen gaf hem ervaring en inzicht, maar ook de moed om door te gaan op het pad van structurele veranderingen in de Hervormde Kerk. Hij heeft zich een eigen invalshoek verworven om de problemen te lijf te gaan.
Van huis uit doordrongen van de noodzaak tot reorganisatie in de lijn van Groen-Hoedemaker, tot eigen verwerking van deze erfenis gekomen door zijn aanraking met de persoonlijkheid van Gunning, heeft hij in het samengaan van beide 'profetische' denkers een belofte vermoed voor toekomstige verwerkelijking. Van confessionele en ethische draad (resp. aan te duiden als: 'Sion zal door recht verlost worden' en 'de waarheid is ethisch') vlocht hij kerkordelijk weefsel.
Tijdens de jaren twintig stuwde hem in de richting van deze synthese zijn kennismaking met de dialectische theologie ofte wel: de oriëntatie van de theologie aan de prediking der kerk in de wereld. De zaak-Geelkerken (1926) beduidde enerzijds een stimulans, vormde anderzijds een waarschuwing voor een te rechtlijnige oplossing. De opkomst van de oecumenische beweging, door hem gevolgd mede vanuit de optiek van de door hem gerespecteerde W. J. Aalders, bracht hem meer en meer in de banen van een meer naar buiten, op de wereld gerichte herordening van alle kerkelijk denken als voorwaarde voor reorganisatie van kerkelijke structuren. Ontkomend aan confessionele 'kortsluiting', wist hij zich (Gunning!) sterk verbonden met de ethische theologie door talrijke inzichten op centraal theologisch terrein, zoals de verantwoording ten opzichte van wetenschap, cultuur, geschiedenis en existentie. Dit bracht hem in het gezelschap van hen die bezwaarhadden tegen het ontwerp-1929, waarop Th. L. Haitjema c.s. hun stempel hadden gedrukt, zoals A. M. Brouwer, Ph. A. Kohnstamm en G. van der Leeuw. In deze kring leefde, in het voetspoor van De la Saussaye en Gunning, een sterk verzet tegen de organisatie van 1816.
Evenwel: de nog grotere afkeer van leertucht, die vooral bij figuren als Brouwer en Obbink bestond, deed hen telkens het van twee kwaden dan nog het minst kwade verkiezen, te weten: wachten op een reorganisatie zonder processuele leertucht. Deze ethische theologen verwachtten herordening in diepste wezen niet van kerkordelijke activiteit. In het door hen opgestelde program van vijftien punten was kerkorde er slechts één van. Reorganisatie kon alleen komen door inwendige vernieuwing. Noordmans heeft de hoop gekoesterd vanuit zijn deelgenootschap aan het ethisch elan niet alleen de ethischen maar ook de vrijzinnigen mee te krijgen. Maar voor het ontwerp-1938 met zijn kerkjuridische paragraaf werd de steun in zijn eigen vereniging steeds geringer, zoals uit de kolommen van het algemeen Weekblad blijkt.
Noordmans' historische betekenis ligt in het voorbereiden van de verstandhouding tussen Kerkopbouw en Kerkherstel. De beslissende stap in die richting is de lezing De naaste toekomst der kerk. Hier bevindt zich het scharnier in, de reorganisatiebeweging van de jaren dertig.
Onder zijn metgezellen bezat Noordmans de theologische helderheid en de praktische kennis van zaken, het vanzelfsprekende gezag en de meeslepende schrijftrant om op het beslissende ogenblik op te treden als facile princeps in het pleit voor deze bijkans onmogelijke zaak. Door zijn confessionele 'erfmassa' heeft N. de ethischen behoed voor een bloot negatieve houding ten opzichte van leertucht, een voetstoots opteren voor een modus vivendi en een slechts pragmatische oplossing van het kerkelijk probleem. Tegelijk kon hij door eigen congenialiteit de ethische theologie vruchtbaar maken voor kerkordelijke verwerkelijking.
Zo wist hij de confessioneel-theocratische momenten van Hoedemaker c.s. en de katholiek-apostolische van Gunning uit eigen voorraad aan te bieden. Uit de verbinding van die twee ontstond de nieuwe kerkorde. Vlees van zijn vlees. En been van zijn gebeente. Hij leefde nog om het te zien gebeuren. De spankracht van retardatie (zie n. 69.13) werd aan hemzelf bewaarheid.