O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De zon, de liturgie en de preekInhoudHeiligheid in het puin →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 300–302

De zon, het orgel en de preek1

In nr. 51 (30e jrg.) van dit blad las ik een heel goed geschreven artikeltje van mr. K. Vonk, over De zon, de liturgie en de preek. Het heeft zijn wortels in een ervaring uit de prille jeugd van de schrijver en betrekt daardoor ons hart in zijn expectoratie. Er loopt een filosofische lijn door en doetdaarmee een beroep op ons denken. Ik meen dat het geen kwaad kan als ik aan de uitnodiging die daarin ligt, gevolg geef en mijzelf naar beide zijden, het gevoel en de gedachte, rekenschap geef van de dingen die hier worden te berde gebracht. Mr. Vonk ziet de kerkdienst als een liturgische ruimte, waarin de preek zich beweegt. Ongeveer dus zoals een oppasser in een museum of een oud kasteel. "Het verwonderend oog waart rond binnen de vaste contouren." "Een al te menselijk woord in de rondleidende preek stoort niet", evenmin als een rafeltje aan de broek van zo'n oppasser.In het bijzonder zijn het in dit geval de buitenste contouren van de liturgie, de numineuze achtergronden, die de ziel van het kind, dat in mr. Vonk gelukkig nog leeft, geboeid en gebannen houden. Het zonlicht en het orgelspel. Daaraan kan het 'jochie', dat mr. Vonk nog aan grootvaders hand ziet lopen, zich niet zat zien en horen en het kan dat ook nu nog niet. Dat is werkelijk geen wonder, want dat zijn louter heiligheden; dat is de hemel. Ikzelf had met de koster altijd een vriendschappelijke strijd over de uitsluiting van de zonnestralen buiten de kerk; de mensen hadden er last van en ik kon ze niet missen om te kunnen preken. Ook het orgel is een hemelse heiligheid. In de nu zo gehavende grote kerk te Arnhem hoorde ik eens grootmeester De Wolf2 Bachs Praeludium en Fuga in A-moll spelen. Toen de aartsengelen hun bazuinen van de mond hadden genomen en er in de laatste maten alleen nog wat schel gepijp van hemelse kinderen overbleef, werden op het pedaal twee, door een volle maat gescheiden diepe bastonen hoorbaar. Ik heb in mijn leven niets gehoord wat mij zo de sensatie gaf van met het oor waarneembare voetstappen Gods. Toen Hij was binnengekomen ontstond een heilig zwijgen.

En daar begint de preek. Wij zijn niet in de hemel, maar wij zijn, zoals 'de existentiefilosofieën', die mr. Vonk aanvoert, het noemen, ergens geworpen. Wij zijn op deze aarde terechtgekomen. Nu, dat is op zich zelf nog niet zo heel erg. Onze heiligheden, het zonlicht en het orgel, zijn er ook en kunnen haar tot een paradijs maken. Toen Adam en Eva geschapen werden, scheen de zon al en toen zij in het paradijs leefden, hoorden zij, als de wind des daags in de bomen orgelde, zeker dezelfde wondere voetstappen, die ik eenmaal waarnam onder de A-moll van Bach. Maar wij zijn uit het paradijs ook weer geworpen en wij zijn tussen de distelen en de doornen terechtgekomen. En nu wordt de zaak minder eenvoudig. Onze heiligheden zijn er nog wel. De zon schijnt ook op en tussen de doornen. Maar zij groeien er harder van dan het goede zaadje, dat het ongeluk gehad heeft er tussen te raken en er door verstikt wordt. En het orgel vinden wij zelf ook wel weer uit, maar dat doet toevallig een zeer onkerkelijk man, de zoon van iemand, aan wie wij de laatste wereldoorlog te danken hebben (Gen. 4 : 21). Onze kerkdiensten zijn begonnen door een andere tak van het menselijk geslacht (Gen. 4 : 26).

De zon en het orgel zijn wel enigszins gecompromitteerd, als zij in deze diensten een plaats krijgen. Dat gaat maar niet zo regelrecht toe. Het Evangelie komt van Golgotha en daar was, zelfs op de middag, geen zonlicht. Het christendom stamt uit de catacomben en daar was evenmin zonlicht of orgel. Het doet ons wet vreemd aan, maar het is wel verklaarbaar, dat Calvijn orgelpijpen liet omsmelten tot avondmaalskruiken, om van ergere orgeldegradaties maar te zwijgen.

Daarom geloof ik, dat de zon en het orgel met ons bestaan tussen de puinhopen en met de atoombom boven onze hoofden niet veel te maken hebben. Dat verband leggen Heidegger en Sartre allerminst. Existentie, in hedendaagse zin, wil zeggen, dat wij midden in de zonde en de dood liggen en daar schijnt geen zon of pijpt geen orgel ons uit. Een domorgel als te Keulen staat zielig tussen de ruïnes. Dan is er geen andere weg dan dat op de een of andere manier toch weer, zoals Calvijn het noemt: een of ander mannetje uit het puin verrezen in de naam van God spreekt.a Dit vind ik nu op mijn beurt existentiële taal.

Dat wij sedert die tijd, de zestiende en zeventiende eeuw, het verband tussen woord en werkelijkheid zoveel anders hebben leren zien, zoals mr. Vonk wil, kan ik daarom niet toegeven. Dat er in de rechtsopvattingen, laatstelijk ook onder de invloed van professor Scholten,4 een en ander veranderd is, is mij bekend. Maar daarin is de tegenwoordige rechtswetenschap alleen maar een late en vertraagde navolgster geworden van de zestiende-eeuwse theologie. Het doorzetten van de preek in de kerk betekent een breuk met de 'ratio scripa'. 5Descartes heeft de filosofie en de natuurwetenschap, natuurlijk op een heel andere wijze, daarvan ook losgemaakt. ⚑Zij was dus allerminst zijn voedingsbodem. De rechtswetenschap komt het allerlaatst in beweging, omdat het recht een zeer stabiel ding is.

In onze dagen schrikken velen voor de werkelijkheid, ook voor de werkelijkheid der kerk. Zij willen terug naar de heiligheden. Maar daar is geen weg daarheen. Er is alleen maar de weg van het Woord, dat vlees geworden is; dat in onze zondige werkelijkheid is gekomen. Op die weg gaan de profeten en de apostelen en al die mannetjes, die uit het puin verrijzen. "Zoals Hij vroeger zijn volk niet naar de engelen heeft gestuurd, maar leraars uit het slijk heeft verwekt, om engelenwerk te doen, zo wil Hij ons heden ook nog door mensen onderwijzen."b Sommigen, zoals Amos, werden van achter de koeien geroepen. Hij zal misschien wel eens wat mest aan zijn broek gehad hebben. Dat is geen heiligheid. Ik denk aan een rijmpje, dat ik eens las op een hek voor een prachtige weide bij het dorpje Midsland op Terschelling:

Mest en is geen heiligheyt
Maar doet wond'ren daar het leit.

Het zal wel van Cats zijn; ik heb het niet nagezocht. Maar Cats en de bijbel hebben in ons land vaak naast elkaar gelegen. Het zijn beide existentiële boeken. Zij bevatten woorden, die in de werkelijkheid ingaan, al worden ze ook nog zo vaak geschreven of gedrukt. Jezus zegt het ook in de gelijkenis van de vijgeboom, dat mest beter is dan heiligheid om de boom in het leven te houden en vruchtbaar te maken. Had de heiligheid getriumfeerd, dan zou hij omgehakt geworden zijn (Lukas 13 : 6-9).

Voetnoten

  1. a

    Inst. IV, 3, 13↩

  2. b

    Calvijn, Inst. IV, 1, 5.6↩

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde De zon, het orgel en de preek in WNHK. 31 (25 jan. 1947) nr. 4, ongepagineerd; het werd overgenomen in Kerk en Eeredienst. Nederlandsch Hervormd Tijdschrift voor Liturgie 2 (1947), p. 162 v.↩

  2. 2

    Cornelis de Wolf (1880-1935), Nederlands componist, organist, pedagoog, studeerde aan het conservatorium te Amsterdam, alwaar hij in 1901 de eerste aldaar uitgereikte Prix d'Excellence verwierf. De Wolf was vanaf 1918 als organist verbonden aan de Eusebiuskerk te Arnhem. Hij werd in 1925 hoofdleraar orgel aan het conservatorium te Amsterdam, in 1932 idem te Den Haag. In deze functies leidde hij een belangrijke organistengeneratie op.↩

  3. 3

    Inst. IV, 3, 1: "... homuncio quispiam ex pulvere emersus in nomine Dei loquitur..."↩

  4. 4

    P. Scholten (1875-1946), van 1907-1945 hoogleraar in de juridische faculteit te Amsterdam, heeft grote invloed gehad door zijn commentaren in juridische vakbladen en door zijn leerboeken. Voor de Hervormde Kerk heeft hij veel betekend door zijn aandeel in de totstandkoming van de kerkorde van 1951. Zie ook VW., dl. 5, p. 480 v., noot 64.↩

  5. 5

    Zie p. 299, noot 4.↩

  6. 6

    Inst. IV, 1, 5: "Sicuti autem veterem populum non abiegavit ad Angelos, sed doctores excitavit e terra, qui vere praestarent munus Angelicum: ita et nos hodie humanitus vult docere."↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De zon, de liturgie en de preekInhoudHeiligheid in het puin →