De verhouding van dogmatiek en ethiek1
De verhouding van dogmatiek en ethiek is steeds een moeilijke vraag geweest. De nieuwere theologen klagen er over dat het na de Reformatie met de ethiek al spoedig mis is gegaan. Brunner schreef in 1932 dat er sedert de Reformatie geen enkele ethiek van 't centrum uit is ontworpen.2 Nu is na de verschijning van zijn Das Gebot und die Ordnungen het boek van Quervain Die Heiligung verschenen in 1942, dus tien jaar later en een tweede deel Kirche, Volk und Staat, dat van 1945 is en in 't bijzonder aandacht wil schenken aan de vragen, die door het oorlogswee worden opgeroepen.3 Daarop moet dan nog een derde deel volgen.4
Deze ethiek van Ouervain is geboren uit besprekingen in en rondom Wuppertal, in verband met de opkomst van het nationaal-socialisme. Zij is van grote betekenis omdat zij als 't ware uit de branding geboren is en een produkt is van een conflict tussen het Evangelie en een geheel volk. Daarbij vergeleken is dan het boek van Brunner nog een ouderwetse ethiek, academisch en beschouwend. Zoals ook de ethiek van Aalders5 dat nog is, al is zij van 1941 en dus bijna contemporain aan die van Quervain. Het boek van Aalders is samenvatting van een levenswerk, meer dan uitgangspunt voor een nieuwe bezinning. Het boek van Quervain doet hier en daar denken aan Augustinus' De Civitate, dat een troostboek wilde zijn voor degenen die Romes val in 411 hadden meegemaakt en daarbij vreselijke ervaringen hadden opgedaan, of ook wel gevallen waren. Quervain schrijft zelf dat het voor lapsi geschreven is.a
[Dit boek is natuurlijk niet het enige van die aard. Er zijn boeken als van Jacques Maritain, Humanisme Intégral,6 dat zich bezighoudt met de toekomst der christenheid in de vorm van nieuwe middeleeuwen, maar dan minder sacraal en meer profaan, minder clericaal en meer la:icaal, min er theologisch en meer humanistisch, minder katholiek en meer pluralistisch en toch een christenheid, toch onder leiding der kerk, toch theocentrisch, toch voortzetting der incarnatie, toch een eenheid.
Maar dit roomse boek, hoe goed ook geschreven, is toch niet van dezelfde orde als een boek van Quervain. Dit laatste mist alle speculatie. Het gaat geheel van de Schrift uit en vermijdt ook iedere generalisatie.] Het wil voor iedere wonde en iedere zonde uit het Evangelie zalf brengen en bij elke moeilijkheid en gewetensnood de voorwaarden aanwijzen, waaronder die misschien kan worden opgelost, zonder zelf de oplossing te geven.
Zulk een werk zijn ook de collegedictaten van Barth uit de zomer van 1928 niet, waarin hij een cursus over ethiek gaf en die getypt zijn verkrijgbaar gesteld.7 In strikt bijbelse gebondenheid komt het overeen met Quervain, maar het is uit de aard der zaak meer professoraal-didactisch gehouden.
Wat Barth en Quervain gemeen hebben, dat is de strenge afleiding uit het centrum, die trouwens ook Brunner wil. Barth drukt dat hier kort en krachtig uit, als hij schrijft, dat er geen christenen zijn dan alleen in Christus.8 De ethiek wil dan helemaal niet uitgaan van een antropologie, van een leer van de mens in 't algemeen, maar evenmin van een mens in christelijke zin.9 Zulk een zelfstandig wezen, dat zich christen noemt, is voor deze ethiek niet toelaatbaar. Van die christen zou dan zelfstandig allerlei kunnen uitgaan, zonder dat er zekerheid bestond, dat dit volgens Gods wil geschiedde.
[De hoorder des Woords wordt niet een zelfstandige dader, maar hij blijft de horende en dat is zijn heiliging. Een heilige wordt hij niet dan alleen in nieuwtestamentische zin, dat hij bij Christus gerekend wordt en uit Hem leeft door geloof en gehoorzaamheid. Dogmatiek en ethiek zijn dus één.] Alleen is de dogmatiek niet éénzijdig dogmatiek, maar tevens altijd ook ethiek. Niet alsof wij de zaak dan omkeren en de mens laten handelen, nadat God in de dogmatiek gehandeld heeft. Neen, er zijn alleen christenen in Christus. God handelt aan de mens. En de ethiek houdt er zich mee bezig wat dit voor de mens meebrengt; wat hij is, als hij naar Gods Woord hoort. Bijvoorbeeld hij wordt geroepen en heeft dan een beroep, nadat hij eerst geschapen is en dus leeft. Hij wordt verlost en is dus dankbaar.
Dat deze ethische kant van de dogmatiek naar voren komt, vindt Barth wel nodig.10 Hij meent dat de ethiek vaak veel te veel in de dogmatiek verscholen bleef.
Wanneer wij dit uitgangspunt nu dadelijk vergelijken met dat van Quervain, dan treft ons dat bij deze laatste de ethiek zo mogelijk nog oorspronkelijker in de dogmatiek ligt gefundeerd. Quervain merkt op dat door Christus de dienst niet ten gunste van het kindschap is opgeheven.11 Christus zelf is de knecht Gods. De kerk is voortzetting van Israël.12 En de wet houdt haar oorspronkelijke betekenis. Christus geeft geen tweede decaloog. Hij overbiedt Mozes niet door het gebod der liefde. Daarom vindt Quervain Luther wat eenzijdig, als hij zo de nadruk legt op de dodende betekenis der wet. [Luther zegt dat de Egyptenaren ons niet aangaan. De Tien geboden zijn geboden en daarmee uit. Quervain verstaat met Calvijn en Kohlbrugge de wet als bondsboek bij de verlossing uit Egypte.] Hij noemt de usus tertius het eigenlijke, het troostvolle gebruik, de eigenlijke oorspronkelijke wet. Israël, dat de wet ontving, was tegelijk ook zoon.
Brunner wil in 't algemeen ook op dit standpunt staan. Wij hoorden reeds dat hij klaagde over het feit dat na de Reformatie de ethiek niet vanuit het centrum werd ontworpen. Maar als verschil met Barth geeft hij zelf aan, dat hij meent dat de bepaling van de juiste grondbeginselen weer afhankelijk is van het rechte doordenken van de problemen der verschillende levensgebieden.13 Die gebieden, waar de theoloog zich zo spoedig leek gevoelt, gebieden, waarvan hij de techniek niet beheerst.
Op een andere wijze komen wij op het spoor van verschillen als wij letten op het delingsprincipe van de stof.
Barth verdeelt volgens de onderscheiding van het regnum naturae, gratiae, gloriae. Het gebod van de Schepper, de Verzoener, de Verlosser. Leven - wet - belofte. De drie grote gezichtspunten uit de dogmatiek. Daarbij worden dan echter in de ethiek de zedelijke aspecten beschouwd. Het leven als gebod van de Schepper. De wet, het woord van de Verzoener. De belofte van de Verlosser. Deze drie worden vervuld in het geloof, de liefde, de hoop.
Quervain laat het christelijk leven opgaan in het drievoudig ambt van profeet, priester en koning. Maar daarnaar deelt hij de hele ethiek niet in. Het vormt slechts de grondslag der heiliging. Het christelijk leven wordt ook gezien onder het teken van kruis en opstanding, dus vernedering en verhoging. Terwijl wet en geboden daarna afzonderlijk behandeld worden. Het zedelijk gezichtspunt is dus bij Quervain meer oorspronkelijker; meer als gelijkgerechtigd met het dogmatische gezien. Ethiek is niet precies de keerzijde van de dogmatiek, maar stoelt tenslotte op eigen wortel. De geschreven wet is volgens Quervain door de reformatoren weer ontdekt.b
Dat wil echter niet zeggen, dat Quervain minder dan Barth, het Evangelie als de bron van het christelijk handelen zou zien, eer omgekeerd. Hij legt de vinger bij een uitspraak als van Calvijn: vivificatio est laetitia in Christo.14 [En het is zelfs enigszins vermoeiend en eerlijk gezegd een enkele keer een beetje prikkelend om de ethiek altijd weer in de vorm van dank of lofprijzing te zien gebracht, op de manier van de tale Kanaäns bij Kohlbrugge. Maar toch is er in dit boek een soort existentiële zedelijkheid, die boven het juridische uitgaat, als ik mij niet bedrieg.] Ons leven staat niet in het teken der wet, die de gebreken bij ons vaststelt, maar in het teken der genade, die ons de volheid des levens schenkt.c Zo is het christelijk leven niet slechts een werking des geloofs, maar het leven in geloof.15 "'t Is ook niet mystisch vervlochten in Christus' opstanding. Christus legt zijn volheid, de vrucht van zijn leven en dood in ons arme leven. Maar omdat het zijn vrucht is, heet het: gij zijt gestorven. Let wel: daarom heet het. Quervain vindt Romeinen 6 het hoofdstuk van het sterven en opstaan een te smalle basis voor de ethiek; het is niet de leer der heiliging. Een langzame afbouw van de heerschappij der zonde, noemt Quervain mythologisch. Christus heeft de zijnen door zijn dood aan de heerschappij der zonde onttrokken. De troost van Romeinen 6 kan niet veralgemeend worden. Zij is er voor de gelovigen en alleen in de acte van het geloof, niet daarnaast. Quervain meent dat de troost van Romeinen 6 in de Reformatie ook niet altijd is verstaan. Niet op het sterven, maar op het gestorven zijn kwam het aan. De actieve vorm lag Calvijns leerlingen beter dan de passieve. 't Is Gods werk dat bestaat in geloof en dit geloof is gehoorzaamheid. [Alweer echter niet een bepaalde gehoorzaamheid, zoals bijvoorbeeld gehoorzaamheid staat naast dapperheid, maar concreter.] Kohlbrugge gaf als voorbeeld Davids gaan onder het schelden van Simeï.15a 't Is een weg, die wij (zegt Quervain) als geheiligden in lofprijzing van Christus gaan.
[Datzelfde, dat het een weg is, zegt Barth ook.d Maar bij hem doet het minder existentieel aan. Daar is het fenomenologisch, meer een weg door de dogmatiek. Bij Quervain is het, existentieel, een weg door het leven. Zijn boek wil ons de knecht Gods doen zien, in het drieërlei ambt, in vernedering en verhoging, onder het kruis als opgestane, onder het gebod als een gave Gods, een teken van zijn verbond, de geboden vervullende door Christus te danken.]
Brunner wil, zoals wij zagen, ook een ethiek van 't middelpunt uit. Zo legt ook voor hem de satisfactie de grond van het christelijk ethos, en wil de predestinatie zeggen, dat het goede in Gods macht ligt.16 Maar bij hem blijft de ethiek veel minder - laat ik zeggen - gemeentelijk. Men komt in een andere sfeer. Zo wanneer hij de incarnatie als beginsel van de ethiek stelt in deze vorm, dat theocratie en humanisme onverbreekbaar aan elkaar verbonden zijn.17 Dat is geen reformatorische gedachte.
[Zij wijst in de richting van de natuurlijke theologie, van ordinantiën Gods, de algemene genade van het neocalvinisme.] Brunners ethiek gaat dan ook op, zoals men weet, in een beschrijving van zulke ordinantiën. Brunner heeft ook dezelfde aan het centrum georiënteerde uitspraken als Barth en Quervain. [Zo dat goed is, wat God doet en dat de mens in Gods doen moet gaan staan.18 Dat de natuurlijke ethiek een 'Trümmerfeld'is;19 dat de ethiek niet afweer van wettelijkheid, maar strijd tegen wettelijkheid is.20⌫ Dat wij niet naar God toe, maar uit God moeten leven.21 Dat God handelt en wij ontvangen. Dat wij aan Gods doen moeten zien wat liefde is; dat het hele Nieuwe Testament een onoplosbare eenheid van dogmatiek en ethiek is.22] Brunner leert ook dat de ethiek de wederhelft van de dogmatiek is.23 Wij mogen geloven, dat is genade.24 Wij moeten geloven, dat is het gebod. Maar dit is veel meer een woordspeling dan het bijvoorbeeld bij Quervain zou kunnen zijn. Het moeten krijgt bij Brunner meer zijn motivering en zijn inhoud van het schepsel uit. De ethiek is geloof aan een waarheid, waarvan de stralen in het schepsel gebroken zijn.25 Gods wil komt hier tot ons in het schepsel.26 Voor die uitgedrukte en uitdrukkelijke wil moeten wij halt maken. En dat geldt in 't bijzonder van de schepping van de mens. Zo verstaan wij dat theocratie en humanisme bij hem onmiddellijk verbonden zijn.e Met dood materiaal mogen wij veel vrijer omgaan dan met levend.f De wil Gods treedt ons niet tegemoet - en hier komt het nu op aan in een moeten dat vrij boven het bestaande zweeft, maar uit het zijnde zelf, omdat het geschapen is en zo het karakter van Woord Gods draagt. En het bestaande heeft al een vorm door de schepping. Het is geen materiaal voor ons. Wij moeten de vorm eerbiedigen. Dat geldt, zoals gezegd, allereerst van 't mensenleven. Het gegevene heeft Gods wil aan zich dragende in zijn gestalte. En daarom moeten wij ons door die gestalte laten bepalen. Wij moeten ons laten ordenen in deze orde.
En dat geldt niet alleen van het natuurlijke maar ook van het historische zijn.27 Wij staan onder de wil van de Schepper. Het 'Gebot der Stunde' dat bijna een Nederlands woord geworden is, komt voor Brunner tot ons uit de wereld die ons omringt. Met God moeten wij conservatief zijn en aan het werk der onderhouding meedoen. Maar omdat de zonde in de wereld gekomen is, komt de wil Gods in het geschapene door de vorm alleen indirect tot ons. Er is niets in de wereld dat God niet wil, maar er is ook niets dat Hij helemaal niet wil. Ons conservatisme mag niet heidens zijn. Wij hebben de orde in het geschapene te zoeken. Daarom kan men het christelijk ethos met evenveel recht revolutionair noemen.
Brunner heeft voor een ethiek der ordinantiën gekozen, om de verwarring in de wereld niet nog groter te maken. Zulke praktische overwegingen geven vaak de doorslag en dat is niet onbegrijpelijk. Uit wat ik zo pas weergaf over zijn conservatisme, dat ook revolutionair genoemd kan worden, merkt men dat hij zijn uitgangspunt in zijn theologie niet vergeten is. Wanneer Quervain over Brunners Ordnungen-ethiek schrijft laat hij heel duidelijk merken, dat hij dat heel goed verstaat, ook al kan hij hem daarin niet volgen.28 Er is veel onderscheid tussen Brunner en bijvoorbeeld Kuyper. Daartegen treedt Quervain beslister op29. Maar toch heeft het natuurlijk gevolgen als iemand als Brunner in onze tijd, waarin zoveel waarden onzeker worden, aan de vormen en ordinantiën een zekere vastheid en soliditeit toekent, waarin God tot ons spreekt, ook al hebben wij de orde en de ordening nog te zoeken. - Het is ook niet zonder betekenis dat hij de mens en de geschiedenis in het bijzonder zulk een vormentaal laat spreken en zo theocratie en humanisme verbindt. Daardoor komt Brunner veel dichter dan de anderen bij de roomse leer van incarnatie als vormend principe voor het menselijk leven en bij de moraaltheologie. Dit punt is wel van veel belang in verband met de grote actuele vraag die thans aan de orde is: de oecumenische vraag van Rome en het calvinisme.
Maar afgezien daarvan is de manier, waarop Brunner hier een brug zoekt te leggen tussen zijn theologisch uitgangspunt en de stof der ethiek - huwelijk, familie, arbeid, bezit, techniek, volk, staat - geen gevolg van een verslapping, maar uit de nood des tijds geboren. Op de een of andere manier, hoe dan ook, moet men toch midden in die vragen terechtkomen. Wat hebben de mensen anders aan een ethiek. Quervain springt er in zijn tweede deel Kirche, Volk, Staat ook midden in [en hij slaat daarbij voorlopig zelfs familie, maatschappij en cultuur over, omdat het andere nog nodiger is.] - Het verschil blijft echter dat Brunner, zoals hij zelf ook zegt, zich de vragen meer laat stellen door de structuren en de stoffen van de betreffende gebieden en daardoor gevaar gaat lopen om, wat hij zelf noemt, op de grenzen van het dilettantisme te verkeren.30⚑
[Het verschil met een meer theologische behandeling wordt misschien dadelijk vrij duidelijk als ik alleen maar herinner aan een paar publikaties van Barth uit de tijd van de politieke spanning voor de wereldoorlog. Ik denk aan Gotteserkenntnis und Gottesdienst,31 waarin hij de Schotse belijdenis van 1560 behandelt, maar dat tegelijk een politieke geloofsbelijdenis is. En aan zijn Rechtfertigung und Recht,32 waarin geloof en recht worden geconfronteerd. In de dictaten van 1928 vind ik dat nog weinig. Daarin maakt Barth zich nog met enige moeite en - eerlijk gezegd - een beetje sloom - het is een Sommersemester - van de dogmatiek los. Men was nog maar op de helft van de beide wereldoorlogen.]
Hoe nu Brunner zich bezighoudt met de terreinen van familie, maatschappij, staat, cultuur, kerk weet men wel zo ongeveer: althans men kan het zich voorstellen. Het is een betrekkelijk gewone ethiek, zoals wij die kennen van La Saussaye33 en Aalders, die overigens ook weer het verschil van een volle generatie vertonen. [Beide zijn christelijke ethieken, maar die van La Saussaye nog niet recht raad wetend met het christelijk karakter daarvan, zodat hij de subjectieve zijden van de dogmatiek half psychologisch ontwikkelt in de beschrijving van de heilsweg, terwijl hij dan de zakelijke ethiek, ontleend aan de verschillende gebieden met hun ordeningen, daarna behandelt. - Aalders meer algemeen zijn categorieën ontlenend aan de idee van het ethische zelf, om daarin de openbaring des bijbels te laten meespreken, als het op de inhoud aankomt. Op deze ethieken, die onderling weer helemaal niet op elkaar lijken, lijkt die van Brunner dan weer. Dat wil zeggen, zij keert enigszins terug tot een zakelijke methode, minder religieus en psychologisch dan van La Saussaye en minder wijsgerig dan die van Aalders, in zekere zin moderner dan beide, veel moderner dan La Saussaye, die heel ouderwets is, maar in sommige opzichten ook moderner dan Aalders, omdat het bijbels uitgangspunt er radicaler is uitgewerkt van meet af, en omdat Brunner dieper is ondergedoken in de moderne probleemstellingen.]
Het modernst, niet alleen omdat deze delen van 1942 en 1945 zijn, maar ook om de wijze waarop hier direct van de nood des levens uit geschreven wordt, is het boek van Quervain. Hier wordt getracht om zo zuiver mogelijk, juist vanuit het geloof, de naaste toekomst van het moderne leven vlak in het gezicht te zien. De indruk die men soms krijgt, is die van een zeker quiëtisme. Ik wees al op de tale Kanaäns. Maar Quervain wijst dit quiëtisme zelf af. Hij keurt het af in sommige leerlingen van Kohlbrugge uit vroeger dagen.34 Er is, onder een zekere schijn van terugtrekken op een geloofspositie, toch een agressieve houding tegenover de demonische machten die de wereld zoeken te regeren. Er is een proclamatie dat Christus de Heer der wereld is en de schrijver maakt daarmee ernst bij alles wat hij schrijft over de actuele vragen. Ik zou het zo willen zeggen: hij wordt nooit theoretisch en ook niet zakelijk. Hij laat de techniek techniek en de oorlog oorlog maar daar midden in laat hij het gebod van Christus gelden.
In dit opzicht is de ethiek zeer scherp gesteld. Het geloofsstandpunt betekent geen idealisme, maar is zeer existentieel. peripatein, wandel, is hetzelfde als halacha.35 De halacha is bij de rabbijnen de leer van de rechte wandel, een onderwijzing over de wet. Het Evangelie, zoals het door Paulus gepredikt wordt, betekent geen verdringing van de wandel door de leer, door het dogma: het betekent niet een verdringing van de gehoorzaamheid door het geloof. - Het gaat om de rechte wandel, de wandel in de Geest, om beslissingen, waarvoor ook Saulus stond, om steeds nieuwe beslissingen. De gave des Geestes is aan het Woord gebonden. Farizeeën en schriftgeleerden zijn ook nauwkeurig, maar houden de beslissing tenslotte in eigen hand, casuïstisch. Onder het kruis door is maar één weg. De mens is geen heer over zijn eigen heiliging. Waar het Evangelie aangenomen wordt, daar gaat het altijd om de gehoorzaamheid des geloofs, om de wandel naar de Geest.
Deze wandel is de wandel der kinderen Gods, het leven in het kindschap.g Zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Niet een geest van dienstbaarheid, knechtschap, maar van het kindschap. In het als-een-kind-gezind-zijn, ligt de gehele wandel volbracht.h Hier moet ik er even opmerkzaam op maken in verband met wat ik vroeger over kindschap en knechtschap bij Quervain aanhaalde, dat het kindschap ongerept blijft. Van de vreugde, de dankbaarheid gaat in deze dienst niets af. Het kindschap Gods heeft echter een dienend en dragend karakter. De knecht Gods is de plaatsbekleder, de kruisdrager. Ik meen dat hierop gewezen moet worden om misverstand te voorkomen. Quervain verduidelijkt dit knechtschap niet helemaal. Wat hij hier over het kindschap zegt, maakt echter duidelijk, dat hij in de ethiek geen ander Evangelie verkondigt. De knecht-figuur is symbool voor het existentieel karakter der ethiek, voor de Ebed-Jahwe gestalte van de christen in Christus.
De kinderen Gods die alleen in Christus een eigenlijk bestaan hebben, moeten zich door de wereld heen geloven.36 Zij staan aan alle kanten absoluut bloot. Een der manieren waarop zij in verzoeking komen zich te beschermen, is het aannemen van scheppingsordeningen. Quervain meent dat het reformatorisch christendom voor deze verzoeking bezweken is. Men heeft daardoor getracht iets van het leven te ontrukken aan de dood, waaraan alles sterven moet. Men kan zich niet vinden in het onbegrijpelijke van het leven. Men vreest weg te zakken en maakt vastigheden om zich heen. Dit houdt echter een verachting in van de erfenis in de hemelen, de welbewaarde. [Men richt zich in de wereld in. Wie echter als kind roept, wie door de Geest geleid wordt, die wacht op Christus' hulp alleen. Het kind heeft het voorrecht van het zuchten en schaamt zich niet over het lijden. Het behoeft niet met opeengeklemde tanden door het leven te gaan.] De Zoon, het vleesgeworden Woord, heeft deze zwakheid op zich genomen. Wie bij Hem behoort, kan de levensnood in eigen en des naasten leven niet meer over 't hoofd zien. Waar deze vleeswording, en de prediking dat Christus heersen moet, en dat de laatste vijand, de dood, te niet gedaan wordt, gehoord wordt, daar is een humanisme op grond der hoop, het ware welgegronde humanisme.
Hier zijn wij weer op een punt aangekomen, waarbij theocratie, hier christocratie en humanisme, samengenoemd worden. Deze toon geeft echter een andere muziek dan bij Brunner. Men heeft het zelf kunnen horen, hier worden eerst heel wat vastigheden weggeruimd voor er van humanisme sprake is. Het is een humanisme in hope.
Ter verduidelijking wil ik op een derde opvatting van humanisme wijzen van rooms-katholieke zijde. Het is eveneens een poging om vaste grond onder de voeten te krijgen in de verwarring van onze tijd. Ik denk aan wat Jacques Maritain wil in zijn boek Humanisme Intégral. Ook dit humanisme wil christelijk zijn. Maar het vindt zijn steun niet in de erfenis der hope of in de scheppingsordeningen; maar in iets wat daar tussen in ligt: in het christendom, dat in de historie gebouwd werd op de incarnatie van de Logos en dat in de middeleeuwen een schoon, doch in zijn schoonheid vluchtig en gehaast bestaan vond. Het is het humanisme der analogie, volgens de beginselen van Thomas Aquinas, niet vast genoeg, te mooi en te haastig om scheppingsorde te kunnen heten: te vast gefundeerd echter op wat God in de godmensheid van Christus gegeven heeft om niet de begeerte te wekken dit huwelijk van hemel en aarde in moderne tijden op moderne wijze, minder sacraal dan in de middeleeuwen en meer aangepast aan de lekenmentaliteit van onze dagen, weer te verwezenlijken.
Dit drieërlei humanisme, dat van de creatie, de incarnatie en van de inspiratie, brengt drieërlei ethiek mee.
Wij willen daarom nu ook vragen naar concrete toepassingen. Daarbij moet vooropstaan, dat 't gebod door Quervain concreet genomen wordt. De heiliging mag ons niet van de Tien geboden emanciperen.37 Dat de ethiek weer op de noemers van de Tien geboden wordt teruggebracht, ziet men schier overal in publikaties, grotere en kleinere. Barth doet het ook in zijn voorlezingen van 1928. Maar deze vorm wordt bij Quervain doorbroken door de aanwijzing dat Christus alle macht heeft en niet de Tien geboden.38 Het blijft een wandelen in de Geest.39 Daarmee wordt echter geen vergeestelijking bedoeld. Juist niet. Een van de dingen die in deze ethiek telkens terugkeren, is de afwijzing van de afleiding der ethiek uit een levensbeschouwing. Dit bezwaar geldt tegen Rome en ook tegen het moderne idealisme.
[Daarbij gaat men uit van een bepaalde opvatting van de mens en van het leven en daaruit leidt men beginselen af.40 In plaats dat de Logos in Christus spreekt gaat hij als rede zich veralgemenen en de autoriteit der Schrift wordt daardoor vernietigd. Zo meent Quervain dat het kapitalisme niet is ontstaan uit de gereformeerde belijdenis, maar uit een gereformeerde levensbeschouwing, die dan natuurlijk allerlei vreemde elementen bevatte.41 Constructies als van Kuyper vinden dan in Quervain natuurlijk een criticus.]
Ook het kruis mag niet symbolisch worden.42 Het kruis van Christus mag niet gegeneraliseerd.43 Kruis is geen principe, geen leus. Een kruisteken is daarom ongewenst. Het kruis is voor Quervain een last die God oplegt en die men niet zelf opneemt. Ons leven staat niet in het teken des kruises, maar het kruis staat in ons leven, als God het daar wil plaatsen. Liever nog: het kruis is Christus opgelegd en in beginsel kan dat niet herhaald worden. [Het kruis is het teken dat Christus op het leven gezet heeft.44 Daarmee is getriumfeerd over machten als nomos, bios en eros. Daarvoor komt de wandel in de Geest in de plaats. Dit leven heeft zijn doel nu in de opstanding.] De scheppingstheologie met haar ordeningen stelt het kruis van Christus buiten werking.45
Quervain wijst er op dat het gebod Gods een onrustig ding is.46 Het is geen element van zekerheid, maar van onrust. Zo merkt hij op dat de evangelische christenen met de roomse samenwerken voor de instandhouding van de familie. En toch dient de christen niet de familie, maar het gebod Gods.i En dat gebod kan de familie en de gemoedelijkheid komen te storen. Huisgenoten staan tegen elkaar op.
Sedert de vorige wereldoorlog is de orde des volks op de voorgrond gekomen.47 En de uitkomst is, dat het volksbestaan verstoord wordt. Calvijn had niet als volksgenoot, maar als vreemdeling een roeping in Genève.48 Het volk moet de gezondenen opnemen.49 -Wanneer men dit bij Quervain leest denkt men aan de Joden die de gezondene van de Vader niet hebben opgenomen, en aan de gevolgen die dit voor hun volksbestaan heeft gehad.
Zo dient ook de man de vrouw om Christus' wille en omgekeerd.50 Quervain wil ook hier niet conservatief-biologisch gaan redeneren. Man en vrouw worden wel niet gelijkgesteld, maar zij staan en vallen toch ieder voor hun eigen Heer. De huisorde is ook voor Calvijn niet het voornaamste. Belangrijker is dat Christus als hoofd over man en vrouw wordt erkend.
Wat de overheid betreft wijst Quervain er op, dat de gereformeerden ook leerden zoals de luthersen, dat men ongerechtigheid moet verdragen als Gods gericht.51 Maar het is toch niet alleen de taak van de hofprediker de vorst voor onrecht te waarschuwen - men denke aan Ambrosius en Theodosius - maar ook de standen hebben het recht tegen onrecht te strijden. In ons land beriep men zich daarop tegen Philips. In de Schotse belijdenis hebben ook gemeenteleden het recht dat te doen. Hier breekt dus iets anders door. Het rijk van Christus doet een invasie in de civitas terrena.52 Dit is gehoorzaamheid aan het gebod Gods.
Dit is een goed voorbeeld van wat Barth in zijn Sommersemester in 1928 zei, dat de theologische ethiek eigenlijk een invasie in de menselijke ethiek betekent.53 Men komt er niet met de scheppingsordeningen en laat ik er bij zeggen, ook niet met een nieuwtestamentisch humanisme op de grondslag van de incarnatie, een inrichting van een corpus christianum naar roomse opvatting en neocalvinistische opvatting. Er ligt in de theologische ethiek een ander element. Confusione hominum et providentia Dei54 kan men ook de invasie op de 'Franse kust in 1944 een invasie van de theologische ethiek in de Europese ethiek noemen. "The war was necessary", zei een Canadees soldaat tegen mij, toen ik hem vroeg, waarom hij geheel vrijwillig naar Laren gekomen was. Deze heren kraakten wel eens het een en ander, maar zij hebben ook een bedorven ethiek in ons werelddeel gekraakt. Hun legerethiek stond vaak hoger dan hun individuele ethiek.
De sterkste afweer van ongerechtigheden ziet Quervain in de vrije, onverkorte prediking van Christus' opperheerschappij.55 Wordt deze niet in de naam van een ideologie, maar in volmacht uitgeoefend, dan zouden correcties als die welke wij beleefd hebben, niet nodig zijn.
Quervain wijst er op dat de rechtsstaat voor de oorlog het ergst misbruikt werd door mensen, die beweerden hun vaderland te dienen.56 Bepaalde groepen gebruikten de rechtsorde in hun eigen belang. J. Maritain had dat voor Frankrijk aangewezen in zijn boek A travers le désastre (1941).
Quervain geeft als voorbeeld de liquidatie van de Pruisische jonkers, die in 1895 reeds door Max Weber werd voorspeld.57 Hij zei: Zij hebben hun taak volbracht en liggen nu in economische doodsnood, waaruit geen socia-le politiek hen kan redden. - Zo ook de burgerij. Quervain wijst er op dat de nood op altijd nieuwe plaatsen doorbreekt. Hij noemt dat een, voor partijmensen en aan wereldbeschouwingsprogramma's gebonden mensen, ergerlijk en spookachtig gebeuren. Wij willen liever op reeds in ons systeem verwerkte ongerechtigheden gewezen worden, dan tot nieuwe beslissingen worden opgeroepen.
Inderdaad heeft Quervain daarin gelijk. Men wil liever de goede werken nalaten, waarmee de Heidelbergse catechismus heeft afgerekend, dan de zwarte handel, die toen nog onbekend was.
In verband met dit alles, met het doorbreken van de scheppingsorde door de Christusregering, staat in deze ethiek het op de voorgrond komen van het gebod, met een licht verweer, van de zijde van de ethicus, tegen Paulus en Luther. De reformatoren kenden drieërlei gebruik: de usus elenchticus, politicus en tertius.58 Sommige luthersen en sommige kohlbruggianen legden - zo Quervain - alle nadruk op de eerste.59 Deze kohlbruggianen lieten dan in de zede, het recht, de kerkorde Gods water over Gods akker lopen.j Men wilde geen scheiding immers tussen gelovigen en ongelovigen. De tertius usus, de wet als leefregel werd afgewezen of als instinctief opgevat. Daartegenover een gevaarlijke isolering van de tertius usus bij gereformeerden; perfectionisme en christelijke levensstijl; vivre selon la parole de Dieu, zo luidde de eed te Genève.
Quervain zet nu de usus tertius voorop.60 Het gebod leidt op de rechte weg. Het gebod wordt dan het tweede deel van het verbond, waarin twee delen begrepen zijn. Niet zo opgevat, dat de plichten van het verbond in tweeën gedeeld worden, zodat God en de mens elk de helft doen, maar zo dat God het doet en de andere helft in het volbrachte mag wandelen. De wandel heet dan een danken; het is een lofprijzing van Gods gaven, uitkomende in getuigenis geven van het gebod en de bereidheid om het kruis op die weg te dragen.
Deze ethiek is dus - ik merkte het vroeger al op - minder dan bij Barth in 1928 een weg door de drie delen van de dogmatiek. Er is iets van wat bij Kohlbrugge heet een afweer van een door een ringetje gehaalde leer.61 Er is iets existentiëlers, iets directers in. Christus met zijn koninkrijk, zijn heerschappij staat er voor de deur. En zo wordt het duidelijk dat wij in de scheppingsordeningen niet iets mogen vastleggen, wat daardoor aan zijn gebod zou worden onttrokken. Nog veel minder mogen wij ons zelf wereldbeschouwingen aanschaffen om daaruit een ethiek af te leiden.
Er blijft natuurlijk een grote moeilijkheid als iemand het gebod van het ogenblik zo op de voorgrond stelt. Waar blijven wij met de opvoeding, als de ethiek niet meer is dan een soort plaatsbespreking voor het gebod.62 Hoe komt er enige samenhang in het leven, als de inhoud van het gebod van ogenblik tot ogenblik ontdekt moet worden?63
Deze moeilijkheid blijft over de hele linie. Zij wordt erkend door alle drie hier besproken ethici. Als Barth de geboden behandelt, maakt hij er opmerkzaam'op, dat die geboden niet meer zijn dan getuigenissen omtrent geboden aan een ander gegeven.k De waarheid is niet theoretisch, maar openbaart zich in onze beslissing voor of tegen het gebod.64 Het gebod is geen ding, dat ik als ding kan behandelen en overdragen aan een ander. God is een 'Hij' en niet een 'Zijn'. Socrates werd gedood zegt Barth, omdat hij een 'Hohiraum' schiep in de ethiek.65 De geboden zijn geen geboden voor ons.66 Wij vertrouwen dat God 't ook aan anderen zegt.67 De naaste kan mij niet binden en ik hem niet.68 Hoe gaat het gebieden toe? vraagt Barth.69 In de theologie moet het voorwerp zich zelf bekend maken. Wij kunnen niet meer dan de naam van Jezus Christus noemen. 't Leven is een voortdurend gewogen worden.70 Maar 't is God die de wet gegeven heeft, dat moeten wij blijven zeggen trots Paulus en Luther.71 De lex is, aldus Calvijn, van huis uit gratuitae adoptionis foedere vestita.72 De Wet is het concrete Evangelie. Zij gaat gepaard met de toezegging, dat wij uitverkoren zijn.
Deze oplossing van de wet in het gebod, en van het gebod in het gebod van het ogenblik, van het esse in de actus, van het Zijn en het Hij, van de idee van het goede in de wil Gods is kenmerkend voor alle drie. Voor Brunner dient de ethiek ook om hindernissen weg te nemen, om plaats te bespreken voor het gebod.73
Dit is natuurlijk een grenspositie. Alreeds omdat een mens een lichaam heeft en niet de absolute bewegelijkheid kent van een geest; omdat de wet der traagheid voor hem geldt; verder omdat zijn denken niet absoluut intuïtief is, maar discursief; omdat het geloof en de gehoorzaamheid uit het gehoor zijn en horen tijd vraagt - een preek soms nog wel eens twee uren daarom noem ik het 'Gebot der Stunde' een grenspositie.
Wij mensen leven ook niet in een ogenblik; het hic et nunc heeft eigenlijk geen vat op ons; wij hebben ons verleden en onze toekomst en die zitten aan elkaar vast.
Zo komt het dat Brunner in zijn boek een verbreding van de grenspositie heeft gezocht in de ordinantiën. Dan heeft hij ruimte om de hindernissen weg te ruimen. Hij heeft gelegenheid de ethische stof door te nemen en zich vandaaruit vragen te laten aangeven.
Dat is het eigenlijk ook als Barth en Quervain en thans zo velen met hen de stof der ethiek volgens de Tien geboden indelen. Immers, die geboden zijn volgens Barth en Quervain niet het eigenlijke gebod.74 Het zijn dan ook aanwijzingen van bepaalde gebieden, waarin plaats besproken moet worden voor Christus' gebod van het ogenblik.
Men kan dichterbij telkens ook nog weer posities opruimen, die zich nog weer meer verscholen en verraderlijker nestelen op de grond, waar Christus plaats moet vinden voor zijn regeren. Ethieken als van Barth en Quervain besteden daaraan ook een groot deel van hun overwegingen. Zij zoeken zo dicht mogelijk bij het eigenlijke gebeuren der gehoorzaamheid te komen. Bij het wandelen in de leer, het ware wandelen in de Geest, het danken voor Christus' vervulling der geboden, het christen zijn alleen in Christus en niet buiten Hem.
Deze ethieken zoeken de actus purus75 in de heiliging te benaderen. Alles wat beschouwing is in het denken, wat zich consolideert in het doen, dat wordt en bij Rome en in de nieuwere protestantse theologie aangewezen en als ondienstig en gevaarlijk afgewezen.
Om nog eens iets aan te halen, zo maar, op goed geluk, bij Quervain: De paulinische paraenese is geen moraal, maar opwekking tot geloof.76 't Is geen nieuwe heiliging, in tegenstelling tot 't volk Israël, Israël is ook zoon. Men moet niet de wet, maar de Vader dienen.
Dat is goed en mooi gezegd. Maar daar verdwijnt dan toch iets van de tegenstelling van Oude en Nieuwe Testament. Hier grijpt de actus purus van God die het gebod geeft door de tegenstelling van zonde en genade, Wet en Evangelie heen; de hele rompslomp van usus elenchticus, usus politicus, usus tertius wordt terzijde geschoven. Er is eigenlijk maar één usus, de usus tertius. Al deze verbredingen, die in de historie in de verschillende verbonden of testamenten vastliggen, worden opgelost.
Dit is een ethische tour de force; maar dat is eigenlijk oneerbiedig gezegd. Het is, door ernstige mannen toegepast, een jagen naar datgene waartoe men van Christus gegrepen is. Maar ook, hoe ernstig toegepast in een ethiek, blijft het clearing the ground, blijft het plaatsbespreking voor Christus. De limiet is niet te bereiken. Ook zulk een ethiek blijft kleine, steeds smallere posities innemen, van waaruit men wijst op het doel, dat geraakt moet worden. Het is als een waarnemer bij een schietbaan, die uit zijn kazemat de doelen aanwijst en controleert, maar die wacht op het schot, dat een ander moet afgeven. Als ethicus houdt hij zich ook zorgvuldig buiten schot, al is het dat hij in de gevarenzone zijn werk heeft.77
[Dit is inderdaad het geval. In de ethiek van Quervain wordt verwezen naar de gevaarlijke handelingen, die het gebod Gods meebrengt. Het is een ethiek van de vuurlinie, waar de schoten vallen. Dat ligt ook al in het existentiële uitgangspunt, dat hij met Kohlbrugge deelt, maar het hangt ook samen met de werkelijkheid, waarin wij leven. Quervain illustreert zijn ethiek hier en daar onder andere met het getuigenis der Nederlandse kerk, als hij zegt dat de kerk in Nederland bij de Jodenvervolging Gods bevel over Israël betuigd heeft.78 Nu werd duidelijk dat God in de Jood onze naaste ons voor de voeten legde; dat God de God dezer Joden is.]