O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Bijlage 1InhoudBijlage 3: Lezingen in samenvatting →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 648–666

Bijlage 2: Kerkorde-artikelen

a. Uit de Reglementen der Nederlandse Hervormde Kerk (1816)

Art. 11. Algemeen Reglement

De zorg voor de belangen, zo van de christelijke kerk in het algemeen als van de hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der godsdienstige kennis, de behartiging van de zending, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht, en de aankweking van liefde voor koning en vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn.

Art. 39. Reglement op het godsdienstonderwijs

De bevestiging van lidmaten heeft plaats in een daarvoor bepaalde godsdienstoefening, bij welke hun de volgende vragen, althans wat betreft de geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte, ter beantwoording worden voorgesteld:

"In tegenwoordigheid van God en van zijn gemeente vraag ik u: Vooreerst: Belijdt gij te geloven in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Heer, en in de Heilige Geest?

Vervolgens: Zijt gij des zins en willens bij deze belijdenis door Gods genade te volharden, de zonde te verzaken, te streven naar heiligmaking en uw Heiland in voorspoed en tegenspoed, in leven en sterven getrouw te volgen, gelijk aan zijn ware belijders betaamt?

Eindelijk: Belooft gij, tot de bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandse Hervormde Kerk in het bijzonder, met opvolging van haar verordeningen naar uw vermogen volijverig mede te werken?"

Na de toestemmende beantwoording van deze vragen en de toediening van de Doop aan degenen die nog ongedoopt zijn, worden zij plechtig en met gepaste toespraak tot lidmaten verklaard.

Art. 27. Reglement op het examen

(Daarenboven leggen de geëxamineerden de navolgende verklaring en belofte af en bekrachtigen die met hun ondertekening:)

"Wij ondergeschrevenen, door het provinciaal kerkbestuur van ... (of door de Commissie tot de zaken der Waalse Kerken) tot de openbare Evangeliebediening in de Nederlandse Hervormde Kerk toegelaten, beloven in het diep besef van onze roeping en in vertrouwen op God, dat wij daarin met ijver en trouw zullen werkzaam zijn om, overeenkomstig de beginselen en het karakter van de NHK. hiertelande, het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen en de belangen van het Godsrijk en in overeenstemming hiermede die van de NHK., met opvolging van haar verordeningen, naar vermogen te behartigen."

Art. 61

Bij de Synode berust de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht, onder verschillende waarborgen, in dit Algemeen Reglement en in bijzondere reglementen vastgesteld.

Art. 62

De Synode stelt de reglementen vast, welke voor de gehele kerk verbindend zijn. Zij zendt elk door haar voorlopig aangenomen regl. aan de Provinciale Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen, om er hun consideraties op in te winnen. De Synode neemt in haar vergadering van het volgende jaar kennis van deze consideraties en maakt daarvan naar eigen oordeel gebruik. Indien zij besluit, dat het regl. behoort te worden vastgesteld, met of zonder verandering, onderwerpt zij het aan de hoofdelijke stemming van de leden der Prov. Kerkbesturen ...

Tenzij de meerderheid der gezamenlijke leden, die hun stem uitbrengen, zich tegen verklaart, wordt zodanig regl., als finaal aangenomen, door de Algemene Synode Commissie uitgevaardigd. Met veranderingen in de bestaande reglementen wordt evenzo gehandeld.

Slotbepaling

In dit Reglement kan geen verandering worden gemaakt dan door de Synode. Tot verandering wordt vereist, dat eerst de consideratiën der P.K.-en en der Class. Ver.-en zijn gevraagd en voorts de toestemming van twee derden der gezamenlijke leden van de P.K.-en is verkregen, nadat deze gehoord hebben de Cl. Best.-en in hun ressort.

b. Ontwerp voor een nieuw Algemeen Reglement (1929, Kerkherstel)

Art. 4. Algemene bepalingen

De regering der kerk op grond van het koningschap van Christus wordt uitgeoefend in dier voege, dat in de NHK., met het oog op een ordelijke kerkelijke samenleving, krachtens haar belijdenis (art. 30 NGB.) zijn de volgende ambten: predikanten, ouderlingen en diakenen.

Toelichting: Naar presbyteriaal beginsel worden hier dadelijk de ambten genoemd als grondslag van kerkregering naar klassiek-gereformeerde opvatting, en in art. 5 de daarop gebouwde organisatie in beginsel aangewezen.

Art. 5

Krachtens deze ambten staan:
1. de gemeenten onder bestuur en opzicht der kerkeraden;

2. gezamenlijke gemeenten, verenigd, onder bestuur en opzicht der classicale vergaderingen;

3. gezamenlijke classes, met hun gemeenten, onder bestuur en opzicht der provinciale synoden;

4. gezamenlijke provinciale ressorten, met hun gemeenten, en de zaken die de ganse kerk aangaan, onder bestuur en opzicht der Alg. synode.

A rt. 9

Het bestuur en opzicht over de gemeenten, zoals dat vlg. art. 5 Alg. Regl. door de verschillende kerkelijke vergaderingen uitgeoefend wordt, beoogt in het bijzonder de toegewijde zorg voor de bloei der NHK., de handhaving harer leer, m.n. van de eerbiediging van Gods Woord als regel van geloof en leven (art. 7 NGB.) en de prediking van het heilig Evangelie van Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon onzen Heer (Zond. 6 HC.), de uitbreiding van Gods Koninkrijk, de bevordering van de kennis der heilswaarheid en van christelijke zeden en de aankweking van liefde voor vorstenhuis en vaderland.

Toelichting: Art. 11 van het tegenwoordig reglement.

De nummering van 1816 komt met deze overeen, wat betreft de inhoud en de strekking van dit artikel. De Cie. bedoelt de uitdrukking 'handhaving harer leer' te verduidelijken in dier voege dat de centrale betekenis van Gods Woord en van de Christus als middelpunt daarvan, waarmede de NHK. staat en valt, duidelijk, met verwijzing naar onze confessie, worde vermeld. De uitdrukking 'de uitbreiding van Gods Koninkrijk' wil aanduiden dat in de zorg voor de bloei der kerk als vanzelf de toewijding aan de zending behoort besloten te liggen; gelijk bij de zorg voor de NHK. het geloof aan 'éne heilige, algemene christelijke kerk' uitdrukkelijk wordt verondersteld.

c. Ontwerp nieuw Algemeen Reglement (1933, Kerkopbouw)

Algemene Bepalingen
Art. 1. Alg. Regl.

De NHK., als deel van de ene algemene christelijke kerk, gebouwd op Jezus Christus als enig fundament, heeft tot doel, in aansluiting aan haar historische belijdenis het Woord Gods te verkondigen.

Toelichting:

Hoewel van oordeel, dat het reglement de kerk als zodanig vooronderstelt en dat in een reglement slechts kan worden verwezen naar de belijdenis, zonder dat haar inhoud wordt bepaald, meent de commissie toch, dat vooral thans - een beknopte formulering van uitgangspunt en taak der kerk niet gemist kan worden. Hierin blijkt, dat onze kerk, behorende tot het gereformeerd protestantse deel der ene katholieke christelijke kerk, haar fundament vindt in Jezus Christus en het als haar taak erkent, hierop voort te bouwen. In het thans vigerende Alg. Regl. beantwoordt art. 11 het meest aan de beide eerste art. van dit ontwerp (AR.), terwijl art. 9 van het Reorganisatieontwerp van KHe. hierbij te vergelijken is. Onze Cie. meende dat dit principiële artikel diende vooraf te gaan.

Art. 2

De verkondiging van het woord Gods sluit voor al haar lidmaten, inzonderheid voor allen die een ambt bekleden en voor al haar uitvoerende organen als taak in:

1. de zorg voor: de prediking van het heilig Evangelie, de bediening der heilige sacramenten en wat verder tot de openbare eredienst behoort;

2. de herderlijke zorg voor haar leden tot opbouw in kennisse Gods en christelijke levenswandel;

3. de zorg voor de opleiding van de dienaren des Woords;

4. de zorg voor de belijdenis, opdat het geloof der kerk in haar symbolische en liturgische geschriften steeds zuiverden tot uitdrukking kome; 5. de zending, in het bijzonder in het koninkrijk der Nederlanden binnen en buiten Europa;

6. het onderhouden van betrekkingen met andere delen van de ene algemene christelijke kerk;

7. het getuigen van de eis, die Gods gebod stelt ten aanzien van het leven van enkeling en maatschappij.

Bij alle arbeid die namens haar verricht wordt heeft de kerk tot plicht te waken voor de eerbiediging van haar karakter als kerk van Christus.

Toelichting:

Dit art. zal nader moeten worden uitgewerkt in het Regl. voor de kerkeraden, dat bij aanvaarding van dit ontwerp eveneens herziening zou behoeven. De bedoeling in het bijzonder van punt 2 (waarbij de nader te noemen huisgemeenten worden betrokken), van punt 5 en van punt 7 is voor allerlei christelijke arbeid kerkelijke banen te openen, wat zowel aan die arbeid als aan de kerk zelve ten goede zal komen. Op de Brede classicale vergadering en in de Brede algemene synode vinden deze takken van arbeid vertegenwoordiging, terwijl in de tabellen der kerkvisitatie eveneens daarmede rekening wordt gehouden.

Punt 4 bedoelt de plicht van de kerk uit te drukken, haar belijdenis in overeenstemming te brengen met haar levend geloof in de zin van de oude geref. synoden onder het kruis, die de belijdenis in haar eerste zitting plachten voor te lezen "tant pour protesten de notre union comme peur aviser s'il n'y a rien à changer ou amender". Van de belijdenis geldt het: reformanda quia reformata ...

Art. 27

De kerkeraden zijn bevoegd voor de behartiging van bijzondere belangen of werkzaamheden der gemeenten commissies te benoemen, zo uit de kring hunner leden als uit de lidmaten der gemeenten, alles overeenkomstig bijzondere plaatselijke reglementen, die de goedkeuring van de class. vergad. behoeven.

Toelichting:

Komt overeen met Regl. KHe. art. 25. Dit artikel is de grondslag voor en mede aansporing tot activering der gemeenteleden. Voor allerlei reeds bestaande arbeid wordt hier een kerkelijke vorm geschapen.

Art. 7

In de NHK. zijn de volgende ambten: predikant, ouderling en diaken.

Art. 7a

De kerk zal uit haar predikanten door elke prov. synode een prov. kerkvisitator en door de alg. syn. een alg. kerkvisitator benoemen, wier taak het zal zijn ervoor te waken, dat zij, die genoemde ambten bekleden, ten opzichte van art. 2, sub 1 en 2 hun roeping vervullen overeenkomstig het wezen en de historische belijdenis der kerk.

Art. 39 (de artt. 39-68 vormen samen de 3e afdeling: Van de huisgemeenten)

Lidmaten ener gemeente kunnen zich voor wat betreft de Evangelieprediking, het godsdienstonderwijs en de herderlijke zorg nader organiseren tot een huisgemeente en als zodanig in de bestaande gemeente worden erkend op de voorwaarde en de wijze als nader in deze afdeling wordt omschreven.

Toelichting: Het instituut der huisgemeenten moet beschouwd worden in verband met de ontredderde kerkelijke werkelijkheid en zoekt een schuld van de kerk te delgen. Het behoorde overbodig te zijn, maar zulk een hulpgemeente kan, vanwege het gebrekkige dat ook de kerk in deze zondige wereld aankleeft, niet gemist worden. Rondom de dikwerf kleine kernen onzer christelijke gemeenten bevinden zich grote scharen, waarin het contact met de kerk geheel is uitgesleten en tegenover welke de kerk nochtans een zware taak van inwendige zending heeft te vervullen. Zij heeft organen nodig om een bemiddelende sfeer te scheppen tussen de gemeente met haar ambten en de massa. Kringen, die zich in die sfeer vormen, staan niet op één niveau met de gemeente, maar stellen zich - van de mens uit gezien - op het standpunt der aspiratie, zoals mutatis mutandis ook de jeugdkerk doet, terwijl zij door de kerk moeten worden gezien in het licht van Gods verbond. Binnen kerkelijk verband en op de algemene grondslag der kerk staan zij naast de ambtelijke gemeente met de wens straks in haar op te gaan. Zij zijn iets anders en wat meer dan 'vereniging' en toch nog niet 'gemeente', maar staan tussen beide in. Allerlei evangelisatie-arbeid die thans buitenkerkelijk geschiedt en soms vele leden blijvend aan de kerk onttrekt wordt zodoende in kerkelijke banen geleid. Opzettelijk worden hier slechts de evangelisatieprediking, het godsdienstonderwijs en de herderlijke zorg genoemd, opdat bij deze differentiatie de sacramenten de exponent blijven voor de eenheid der gemeente. Het verschil in de prediking wijst op een noodtoestand, de sacramentele eenheid bezegelt het ideaal. De filiaalgemeenten, waarvan vroeger werd gesproken, lossen de eenheid der gemeente op; de wijze, waarop het in 1931 verworpen voorstel Niemeijer, Van der Meene, Brouwer, Lindeboom de "rechten der minderheden" zocht vast te leggen, greep te zeer in in de rechten van de kerkeraad en lokte daardoor conflicten uit.

In de naam 'huisgemeente', ontleend aan de nieuwtestamentische terminologie, ligt uitgedrukt de erkenning zowel van de saamhorigheid, als van de voorlopige differentiatie. Het is niet "een nieuwe naam voor een oude zaak", want het voorstel bedoelt wezenlijk wat anders dan vroegere plannen en brengt de kwestie op hoger plan; evenmin is het "een - ten onrechte gebezigde - oude naam voor een eertijds geheel onbekende nieuwe zaak", want het beoogt de moeilijkheden van thans te brengen in het verzoenende geestelijke klimaat, waarin de oudste christelijke gemeenten gegroeid zijn.

Hand. 15, 1 Kor. 1, Gal. 2, Fil. 3, Kol. 1 en 2 en de Pastoraalbrieven wijzen op het bestaan van grote tegenstellingen, toen reeds. Meermalen wordt gewaarschuwd tegen twist en partijschap. In Kol. 4 maakt Paulus onderscheid tussen Joden en heiden-christenen. Waarschijnlijk doelt ook 1 Thess. 5 : 27 (al de geheiligden) daarop en is de oudtestamentisch gekleurde tweede Thess.-brief aan de joden-christenen gericht. Rom. 16 onderscheidt de huisgemeente van Aquila en Priscilla (joden-christenen) in v. 3-5 van twee andere kringen, die naar de namen te oordelen (v. 14 en 15) uit heiden-christenen bestonden. Ook de indeling der steden in wijken die elk een religieuze eenheid vormden, zodat er een afzonderlijke jodenwijk bestond, maakt het waarschijnlijk dat de huisgemeenten niet enkel geografisch onderscheiden waren, maar ook geestelijk gedifferentieerd. Gelet op de verschillende reinheidsopvattingen bijv. bij Jood en heiden, bestond daaraan behoefte. In de avondmaalsviering met liefde-maaltijden kwam ook hier de eenheid uit. Daarbij werd beleden dat in Christus de scheidsmuur was weggevallen. Zich daaraan te onttrekken was (zie Gal. 2 : 11 e.d.) een strafwaardig feit, omdat het was een prijsgeven van de eenheid in Christus. Zie verder bij art. 43 en 51.

Art. 40

De voorwaarden van deze erkenning als huisgemeente zijn: ⚑a. dat een zodanige kring instemt met de in art. 1 en 2 van dit Reglement genoemde doelstelling en taak van de kerk.

b. dat blijkt van ernstige gronden, uit die instemming voortvloeiende, die tot vorming van de kring hebben geleid.

c. dat een zodanige kring zal bestaan uit ten minste een derde van de stemgerechtigde lidmaten der gemeente, of uit ten minste 200 stemgerechtigde lidmaten.

d. dat alleen zij die als lidmaten der NHK. bij de plaatselijke gemeente zullen zijn ingeschreven leden van de huisgemeente kunnen zijn.

e. dat uit deze erkenning niet noodzakelijk bijzondere kosten voor de gemeente voortvloeien en dat ook de diaconale belangen niet geschaad worden.

f. dat deze kring met de Evangelieprediking en de andere herderlijke werkzaamheden uitsluitend personen zal belasten die daartoe kerkelijke bevoegdheid bezitten.

g. dat deze kring een bestuur aanwijst van ten minste 3 leden, dat bevoegd is de kring te vertegenwoordigen.

Toelichting:

Deze 'voorwaarden' stemmen in hoofdzaak overeen met de voorwaarden in het bedoelde voorstel Niemeyer c.s. gesteld. Uitdrukkelijk is bepaald dat de leden der huisgemeente lidmaten der plaatselijke gemeente moeten zijn en dat de leiding der huisgemeente slechts aan kerkelijk-bevoegde personen kan worden opgedragen om daarmede het kerkelijk verband te bewaren en het dreigend gevaar ener buitenkerkelijke organisatie af te wenden.

Art. 41

De erkenning als huisgemeente op de voorwaarden, in art. 40 genoemd, geschiedt door de provinciale synode, gehoord de classicale vergadering van het ressort waartoe de aanvragers behoren en de provinciale kerkvisitator. Van het besluit der provinciale synode betrekkelijk de erkenning als huisgemeente staat zowel voor de aanvragers als voor de betrokken kerkeraad en de classicale vergadering beroep bij de algemene synode open.

Na verloop van 7 jaren zal de erkenning als huisgemeente moeten worden vernieuwd op dezelfde wijze als zij tot stand kwam. Wanneer zij blijkt niet meer te voldoen aan de voorwaarden, in art. 40 genoemd, wordt haar erkenning door de provinciale synode ingetrokken, gehoord de kerkeraad van de plaatselijke gemeente, de classicale vergadering van het ressort waartoe de aanvragers behoren en de provinciale kerkvisitator. Van dit besluit tot handhaving of intrekking der erkenning staat voor de in het vorige lid genoemden eveneens hoger beroep bij de algemene synode open.

Toelichting:

De erkenning van de huisgemeenten behoort door de provinciale synode te geschieden, omdat de classicale vergadering door haar samenstelling daartoe minder geschikt lijkt. Zij staat te dicht bij de plaatselijke strijd. Zij kan echter haar bezwaren tegen eventuele erkenning in haar advies aan de synode ontwikkelen. Bovendien heeft in de Prov. synode de kerkvisitator zitting, die bij de toepassing van deze art. een rol van betekenis zal moeten spelen tot vreedzame oplossing van deze kwesties.

Art. 42

Leden van een huisgemeente houden ten opzichte van de kerkelijke gemeente hunner woonplaats hun gewone rechten en plichten.

Toelichting:

De wenselijkheid werd besproken, de leden der huisgemeente ten dele van hun financiële verplichting te ontheffen, bijv. tot een maximaal percentage van hun aanslag tegen overlegging van een kwitantie hunner bijdrage voor de huisgemeente. Hoewel de billijkheid hiervan algemeen werd erkend, meende de commissie toch dat een wettelijke regeling, die noodzakelijk ook in het beheer moest ingrijpen, te veel bezwaren met zich meebrengen zou.

Art. 43

De huisgemeenten zijn gesteld onder het opzicht van de classicale vergadering waaronder zij ressorteren. Deze wijst daartoe een bijzondere commissie aan.

Deze commissie treedt als kerkeraad op in die gevallen van kerkelijk opzicht en tucht, welke de huisgemeenten en haar leden als zodanig betreffen.

Eveneens fungeert zij als kerkeraad bij de aanneming en bevestiging van aspirant-leden der huisgemeenten als lidmaten der NHK.

De bepalingen van art. 40 van het Reglement op het godsdienstonderwijs zijn daarbij van kracht, in die zin dat het daar bedoelde bewijs van goed zedelijk gedrag moet worden aangevraagd bij en de daar bedoelde kennisgeving moet worden gezonden aan de kerkeraad der plaatselijke gemeente.

Toelichting:

Deze classicale commissie voor de huisgemeenten is dus de schakel ⚑tussen de huisgemeenten en de kerk. Vandaar dat zij bij de aanneming en bevestiging tot lidmaat als kerkeraad fungeert. De kerkeraad wordt door deze bepaling van een deel van zijn taak ontheven. Formeel spreekt het vanzelf dat het reglement daartoe bevoegd is; materieel is het wenselijk, omdat de verantwoordelijkheid voor de huisgemeenten als zodanig niet op de kerkeraad kan worden gelegd. Het verdient de aandacht dat de kerkeraad overigens het toezicht behoudt op de leden der huisgemeenten, wat hun persoonlijk leven betreft. Zie art. 40 Regl. tucht.

Ten opzichte van de bediening der sacramenten zij verwezen naar art. 51 sub d van dit Reglement.

Art. 44

De kerkeraad ener plaatselijke gemeente kan het initiatief nemen tot vorming ener huisgemeente. Hij is ook bevoegd te besluiten één of meer predikantsplaatsen ter beschikking van de huisgemeente te stellen en degene(n) die deze daartoe aanwijst beroepen als predikant voor bijzondere diensten, meer in het bijzonder belast met de zorg voor de huisgemeente. Deze predikant(en) blijft (blijven) lid van de kerkeraad der plaatselijke gemeente. ⚑Eveneens kan de kerkeraad bevorderen dat in overleg met de beheerscolleges der gemeente één of meer van de kerkgebouwen en andere lokaliteiten der gemeente geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk ter beschikking van de huisgemeente gesteld worden.

Toelichting:

Dit artikel wijst op een mogelijkheid om een of meer predikantsplaatsen ter beschikking van de huisgemeente te stellen en haar het medegebruik van kerken en andere lokaliteiten te verzekeren. Er kan hier natuurlijk niets worden voorgeschreven, maar de classicale commissie ad hoe en de kerkvisitator kunnen hun invloed aanwenden, opdat de billijkheid in dezen betracht worde. Nu hiervoor kerkelijke organen zijn aangewezen, mag verwacht worden dat deze regeling in vele gevallen minder onbevredigend zal verlopen dan thans.

Art. 45

De plaatselijke gemeente en de huisgemeente kunnen ten opzichte van bepaalde werkzaamheden en belangen, inzonderheid diaconale, onder goedkeuring van de Classicale vergadering waaronder zij ressorteren nadere overeenkomsten treffen.

Toelichting:

Hier is de mogelijkheid geopend voor een nauwer verband tussen de plaatselijke gemeente en de huisgemeente onder kerkelijke sanctie.

Art. 46

Geschillen tussen de huisgemeente en de classicale vergadering of haar bijzondere commissie worden ter kennis gebracht van de provinciale kerkvisitator, die ze tot een oplossing zoekt te brengen; slaagt hij daarin niet, dan draagt hij de behandeling over aan de moderator, die de zaak zo nodig met de vergadering van kerkvisitatoren bespreekt. Levert ook dit geen bevredigend resultaat op, dan wordt het geschil voorgelegd aan de provinciale synode, die daarin uitspraak doet. Van deze uitspraak is hoger beroep mogelijk bij de algemene synode.

Toelichting:

Met afwijking in zoverre van de gewone procedure bij de behandeling der geschillen zijn bij die, waarin de huisgemeenten betrokken zijn, de kerkvisitator en de moderator als bemiddelaars aangewezen, omdat het zich laat voorzien dat de juridische kwesties, waar het om zal gaan, de geestelijke strijd in vele gevallen tot achtergrond zullen hebben. De eindbeslissing blijft natuurlijk aan de kerkelijke vergadering.

Huisgemeenten en Classicale verg.

(art. 51. De Alg. class. cie., belast met de leiding van de classis, benoemt een aantal bijzondere commissies, te weten: ⚑a. voor uitwendige en inwendige zending, b. voor diaconale belangen, ⚑c. voor het examen mbt. het godsdienstonderwijs, e. voor beheerszaken. Daaronder:)

Art. 51 d. een cie. voor de huisgemeenten, die in de gevallen bedoeld in art. 43 van dit regl. doet wat des kerkeraads is, zoveel mogelijk bevordert dat in de behoefte aan bediening der sacramenten op regelmatig kerkelijke wijze wordt voorzien en in het algemeen de belangen van die gemeenten behartigt.

De commissies brengen jaarlijks rapport uit aan de Classicale vergadering. Hun leden zitten voor drie jaar en zijn terstond herkiesbaar.

(Art. 52 bepaalt dat de Classicale vergadering tweemaal per jaar bijeenkomt. De tweede heet Brede classicale vergadering en wordt behalve door de gewone leden bijgewoond door de volgende buitengewone leden met adviserende stem:)

Art. 52 le de afgevaardigden van de erkende huisgemeenten in de classis en wel uit elke huisgemeente één, door haar zelf aan te wijzen en van een geloofsbrief te voorzien. (Voorts door twee vertegenwoordigers van de andere commissies.) (De brede class. verg. heeft o.a. tot taak:)

Art. 54 4e de behandeling van het verslag van de bijz. cie. voor de huisgemeenten bedoeld in art. 5l d en het bespreken van de belangen dier huisgemeenten in het bijzonder, benevens het uitbrengen van advies aan de prov. synode omtrent aanvragen tot erkenning van huisgemeenten of voorstellen tot intrekking van de erkenning als zodanig.

Huisgemeenten en Provinciale synode; Huisgemeenten en Synode

Art. 60 bepaalt dat de Prov. syn. in elk geval drie commissies benoemt: ⚑a. voor het examineren van kandidaten in de godgeleerdheid, ⚑b. voor het kerkrecht, ⚑c. een commissie van ten minste drie leden voor de huisgemeenten die het toezicht houdt op deze gemeenten en haar erkenning of de intrekking daarvan door de Prov. syn. voorbereidt.

Art. 62,4 noemt onder de taken van de Prov. synode: de erkenning van huisgemeenten in het ressort naar de art. 40 en 41 van dit Regl. op advies van de betrokken Classicale verg. volgens art. 54 sub 4 of de intrekking daarvan, een en ander gehoord de kerkvisitator.

Art. 67 draagt aan de Alg. syn. cie. op de benoeming van een aantal cie's, te weten: ⚑a. voor belijdenis en liturgie, b. voor uitwendige en inwendige zending, ⚑c. voor de diaconale belangen, d. voor het onderwijs, inzonderheid het godsdienstonderwijs, f. voor de beheerszaken, g. voor betrekkingen met andere kerken, h. voor het kerkrecht.

Benoemd voor drie jaar, terstond herkiesbaar. Plicht tot rapportage. Daaronder ⚑e. een cie. voor de huisgemeenten, die de belangen van deze gemeenten heeft te behartigen in dier voege dat hun arbeid aan de kerk in haar geheel ten goede komt.

Art. 68 (al. 1 en 2)

De Alg. synode komt eenmaal 's jaars in gewone vergadering te 's-Gravenhage bijeen op de derde woensdag van de maand juli. Zij stelt een huishoudelijk reglement vast.

Eens in de drie jaar, en wel in het tweede zittingsjaar der leden, wordt in plaats van de gewone vergadering der synode een bijzondere samenkomst gehouden, voortaan Brede algem. synode genoemd, waarbij met adviserende stem als buitengewone leden bovendien aanwezig zijn: een lid voor de vraagstukken van belijdenis en liturgie, een voor de belangen van de uitwendige zending, een voor die der inwendige zending, een voor de diaconale belangen, een voor de sociale vraagstukken, een voor het godsdienstonderwijs, twee voor de huisgemeenten, een voor de belangen van het beheer en een die de oecumenische beweging vertegenwoordigt. Deze buitengewone leden worden met hun plaatsvervangers door de Alg. synode des vorigen jaars aangewezen uit de lidmaten der kerk, op voordracht zoveel mogelijk van de desbetreffende commissies in art. 67 genoemd, en overigens van de Alg. synodale commissie.

d. Het Akkoord

Alg. Regl.-Ontwerp-1933 Art. 9

Lid 4: de zorg voor de handhaving van haar belijdenis, opdat het geloof der kerk in haar symbolische en liturgische geschriften en in haar verkondiging steeds zuiverden tot uitdrukking kome en opdat de openbaring van God, Vader, Zoon en Heilige Geest naar de Heilige Schrift, als regel van geloof en leven worde geëerbiedigd en het karakter der kerk als kerk van Christus worde bewaard; vgl. art. 8 Ontw.-1938.

Art. 25

(N.b. art. 25 regelt de taken van de bijzondere kerkeraad. Daaronder:)

Lid 4: het toezicht op de belijdenis en de wandel van de leden der gemeente en de handhaving van de kerkelijke orde overeenkomstig het Regl. voor kerkelijk opzicht en tucht; lid 5: de bevordering van al hetgeen het godsdienstig leven van de leden der gemeente kan verhogen, bijzonderlijk hetgeen kan strekken om in de verscheidenheid de eenheid te bewaren.

Art. 25 bis

Met het oog op de naleving van het in art. 25 sub 4 en 5 genoemde zal de Bijzondere kerkeraad behalve op hen, die geregeld aan het kerkelijk leven deelnemen, ook gedurig en nadrukkelijk hebben acht te geven op:

a. die leden der kerk, die door nalatigheid of onverschilligheid vervreemd zijn van de kerk of dreigen te vervreemden, teneinde hen zo mogelijk weder tot godsdienstig en kerkelijk leven te brengen;

b. die leden der kerk, die zich doelbewust aan het kerkelijk leven ter plaatse onttrekken en op andere wijze geestelijke verzorging en gemeenschappelijke Godsverering zoeken, teneinde hen zo mogelijk weder tot de eenheid der gemeente terug te brengen.

Aan art. 27 (Ontwerp-1933) toe te voegen een tweede en derde alinea:

Ter vervulling van de taak hun opgedragen bij art. 25 bis sub a benoemen de kerkeraden zo nodig een commissie voor inwendige zending naar de eerste alinea van dit artikel, met de opdracht zich in verbinding te stellen met kringen van gemeenteleden en personen, die reeds op dit gebied werkzaam zijn en aan dit werk leiding te geven.

De ambtsdragers der gemeente, met wie deze commissie geregeld contact houdt, staan haar hierin zoveel mogelijk ter zijde. Instelling van een dergelijke commissie is in gemeenten met meer dan 2000 zielen in elk geval verplicht. De commissie brengt geregeld tweemaal 's jaars aan de kerkeraad verslag uit van hetgeen zij heeft verricht.

Indien het geval, bedoeld in art. 25 bis sub b zich voordoet, benoemt de kerkeraad een commissie tot herstel van de eenheid der gemeente met de opdracht aanraking te zoeken met degenen, die zich onttrekken en te doen wat in haar vermogen is om misverstanden weg te nemen en regelingen voor te bereiden in het belang van de eenheid der gemeente.

e. Ontwerp-1938

Art. 8

Het wezen en doel der NHK., door haar zelve, als deel van de ene algemene christelijke kerk, tot uiting gebracht in haar historische belijdenisgeschriften en liturgische formulieren, sluit in voor al haar lidmaten bij de vervulling van hun roeping, voor alle ambtsdragers bij hun ambtsbediening, voor de kerkvisitatoren en de moderator bij de vervulling van hun taak en voor alle kerkelijke vergaderingen bij bestuur en toezicht over de gemeenten vlg. de art. 5, 6 en 7 van dit Alg. Regl., voor allen binnen de grenzen van elks bevoegdheid:

1. de zorg voor de prediking van het heilig Evangelie, de bediening van de heilige sacramenten en wat verder tot de openbare eredienst behoort;

2. de herderlijke zorg voor de gemeente en haar leden tot opbouw in kennisse Gods, onderlinge liefde en christelijke levenswandel;

3. de zorg voor de dienst der barmhartigheid;
4. de zorg voor de opleiding van de dienaren des Woords;

5. de zorg voor haar belijdenis door hervorming en handhaving, opdat het geloof der kerk in haar verkondiging en in haar symbolische en liturgische geschriften steeds zuiverden tot uitdrukking kome en opdat de openbaring van God, Vader, Zoon en Heilige Geest naar de Heilige Schrift, als regel van geloof en leven worde geëerbiedigd en het karakter der kerk als kerk van Christus worde bewaard;

6. de behartiging van de zending, in het bijzonder in het koninkrijk der Nederlanden binnen en buiten Europa;

7. het onderhouden van betrekkingen met andere delen van de ene algemene christelijke kerk;

8. het getuigen van de eis, die Gods gebod stelt ten aanzien van het leven van enkeling, maatschappij en staat, ook door te arbeiden aan de ordening van het leven.

Art. 9

De kerkelijke vergaderingen kunnen met verenigingen of groepen, die zich in het bijzonder de behartiging van een deel van hetgeen in art. 8 van dit Regl. genoemd wordt, ten doel hebben gesteld, verbinding zoeken, ten einde daardoor zo mogelijk tot meer duurzame betrekkingen te komen.

Art. 25

Aan de Bijzondere kerkeraad is bepaaldelijk opgedragen:
(...)

4. Het toezicht op de belijdenis en de wandel van de leden der gemeente en de handhaving van de kerkelijke orde, overeenkomstig het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht.

5. De bevordering van al hetgeen het godsdienstig leven van de leden der gemeente kan verhogen, bijzonderlijk hetgeen kan strekken om met eerbiediging van gewettigde verscheidenheid de eenheid te bewaren.

Art. 26

Met het oog op de naleving van het in art. 25 sub 4 en 5 genoemde, zal de Bijzondere kerkeraad behalve op hen, die geregeld aan het kerkelijk leven deelnemen, ook gedurig en nadrukkelijk hebben acht te geven op: a. Die leden der kerk, die van de kerk zijn vervreemd of dreigen te vervreemden, ten einde hen zo mogelijk weder tot godsdienstig en kerkelijk leven te brengen.

b. Die leden der kerk, die zich doelbewust aan het kerkelijk leven ter plaatse onttrekken en op andere wijze geestelijke verzorging en gemeenschappelijke Godsverering zoeken, ten einde hen zo mogelijk weder tot de eenheid der gemeente terug te brengen.

Art. 28

De kerkeraden zijn bevoegd voor de behartiging van bijzondere belangen of werkzaamheden der gemeente commissies te benoemen, zo uit de kring hunner leden als uit de lidmaten der gemeenten, alles overeenkomstig bijzondere plaatselijke reglementen, die de goedkeuring van de classicale vergadering behoeven.

De kerkeraden kunnen met verenigingen of groepen, die zich in het bijzonder de behartiging van een deel van hetgeen in art. 8 van dit Regl. genoemd wordt, ten doel hebben gesteld, voor zover zij in hun gemeenten werkzaam zijn, door commissies als in het vorige lid bedoeld, verbinding zoeken, ten einde daardoorzo mogelijktot meer duurzame betrekkingen te komen.

Art. 29

Ter vervulling van de taak, hun opgedragen in art. 26 sub a, benoemen de kerkeraden zo nodig een commissie voor inwendige zending overeenkomstig het eerste lid van art. 28, met de opdracht zich in verbinding te stellen met kringen van gemeenteleden en personen, die reeds op dit gebied werkzaam zijn en aan dit werk leiding te geven. De ambtsdragers der gemeente, met wie deze Cie. geregeld contact houdt, staan haar hierin zoveel mogelijk ter zijde. Instelling van een dergelijke Cie. is in gemeenten met meer dan 2000 zielen in elk geval verplicht.

Indien het geval bedoeld in art. 26 sub b zich voordoet, benoemt de kerkeraad een cie. tot bewaring van de eenheid der gemeente met de opdracht aanraking te zoeken met degenen, die zich onttrekken en te doen wat in haar vermogen is om misverstanden weg te nemen en regelingen voor te bereiden in het belang van de eenheid der gemeente.

Overgangsbepalingen

Bij Alg. Regl.-ontwerp-1938 hoorden een aantal overgangsbepalingen, gegroepeerd in twaalf artikelen. ⚑Art. 1:

Wanneer de commissie, bedoeld in art. 29, lid 2 van het Algemeen Reglement (zie bijlage - red.) in aanraking komt met een organisatie van gemeenteleden, die naast de van de kerkeraad uitgaande arbeid afzonderlijk openbare godsdienstoefeningen houdt, dan zal deze commissie allereerst de kerkeraad zo volledig mogelijk hebben in te lichten omtrent het karakter en de betekenis van de arbeid dezer organisatie, opdat de kerkeraad op gemotiveerde wijze zijn oordeel zal kunnen vestigen omtrent de volgende vragen:

a. of de zich doelbewust onttrekkende leden, als organisatie, het wezen en doel der kerk naar de daaromtrent in art. 8 van het Algemeen reglement gegeven omschrijving eerbiedigen;

b. of zij ernstige, door de in art. 25 sub 5 (zie bijlage - red.) bedoelde verscheidenheid gewettigde, gronden hebben, waarop zij zich aan het kerkelijk leven ter plaatse onttrekken;

c. of zij daarbij de uitgesproken, ook uit hun praktijk blijkende, bedoeling hebben, degenen, die zij door deze arbeid bereiken, voor de kerk te behouden.

Daarbij zal tevens een onderzoek worden ingesteld naar de vraag, of de godsdienstoefeningen, door deze organisatie ingesteld, geleid worden door naar de kerkelijke wet bevoegden, of en hoe de organisatie in de herderlijke zorg en in de bediening der sacramenten tracht te voorzien, godsdienstonderwijs doet geven en de aanneming van lidmaten bevordert.

De volgende elf artikelen regelen het treffen van passende maatregelen door de kerkeraad om de leiding van de kerkeraad en het kerkelijk verband te verzekeren; tevens alle regelingen die in geval van conflict gelden, waarbij in nabijer of verder verband rondom kerkeraad en organisatie staan opgesteld: provinciale kerkvisitator, classicale vergadering, provinciale synode, algemene synode, moderator, alsmede de instanties voor opzicht en tucht en voor geschillen.

f. Kerkorde-1951

Art. 2. Van de gemeenten

1. Krachtens het genadeverbond behoren tot een hervormde gemeente, die rondom Woord en sacramenten wordt vergaderd, en mitsdien tot de Nederlandse Hervormde Kerk, gesteld onder haar opzicht en gehouden tot dienstbetoon aan elkander en de wereld, zij, die door openbare belijdenis des geloofs belijdende leden (lidmaten) der kerk zijn geworden; zij, wier inlijving in de gemeenschap der kerk is bekrachtigd door de Heilige Doop; en zij, die uit hervormde ouders zijn geboren.

2. Tot een hervormde gemeente behoren ook zij, die krachtens hun belijdenis, doop of geboorte tot een andere kerk behoorden en naar de Hervormde Kerk zijn overgekomen.

Art. 8. Van het apostolaat der kerk

1. Als Christus-belijdende geloofsgemeenschap gesteld in de wereld om Gods beloften en geboden voor alle mensen en machten te betuigen, vervult de kerk, in de verwachting van het koninkrijk Gods, haar apostolische opdracht in het bijzonder door haar gesprek met Israël, door het werk der zending, door de verbreiding van het Evangelie en de voortdurende arbeid aan de kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie.

2. De kerk richt zich in het gesprek met Israël tot de synagoge en tot allen, die bij het uitverkoren volk behoren, om hun uit de Heilige Schrift te betuigen, dat Jezus de Christus is.

3. De kerk richt zich in het werk der zending, in gehoorzaamheid aan het bevel van Christus, onder uitoefening van de dienst der barmhartigheid in de geestelijke en lichamelijke noden, met het Evangelie des koninkrijks tot de volkeren in de niet-gekerstende wereld; zij vervult de dienst der barmhartigheid in de geestelijke en lichamelijke noden van deze volkeren; zij brengt hen, die zijn gekomen tot geloof en de Heilige Doop hebben ontvangen, bij de bediening van Woord en sacramenten tezamen in gemeenten; zij dient deze gemeenten bij de inrichting en opbouw van een eigen kerkelijk leven; zij arbeidt bij dit alles ook aan de kerstening der samenleving.

4. De kerk richt zich in de verbreiding van het Evangelie tot hen, die daarvan zijn vervreemd, om hen terug te brengen tot de gemeenschap met Christus en zijn kerk, blijft in al haar geledingen strijden voor het reformatorisch karakter van staat en volk en wendt zich, in de verwachting van het koninkrijk Gods, in de arbeid der kerstening tot overheid en volk, om het leven naar Gods beloften en geboden te richten.

Art. 10. Van het belijden der kerk

1. In dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als de bron der prediking en enige regel des geloofs doet de gehele kerk, ook in haar ambtelijke vergaderingen, in gemeenschap met de belijdenis der vaderen en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het heden, zich strekkende naar de toekomst van Jezus Christus, belijdenis van de zelfopenbaring van de drieënige God.

2. De belijdenis der vaderen is vervat, zowel in de Apostolische geloofsbelijdenis, de geloofsbelijdenis van Nicea en de geloofsbelijdenis van Athanasius - waardoor de kerk zich verbonden weet met de algemene christelijke kerk-als in de Heidelbergsecatechismus, die van Genève en de Nederlandse geloofsbelijdenis met de Dordtse leerregels, door de Reformatie geschonken aan de kerk in de Nederlanden.

3. In haar verantwoordelijkheid voor het heden en levende in de uit de Schrift geputte belijdenis der vaderen, belijdt de kerk telkens opnieuw in haar prediking, getuigenissen, kanselboodschappen, herderlijke brieven, kerkliederen, gebeden, formulieren, leerboeken en belijdenisgeschriften Jezus Christus als hoofd der kerk en als heer der wereld.

4. De ambten, vergaderingen, organen en bediening en zijn naar de aard van hun roeping, evenals de gemeenteleden op hun wijze, gehouden in al hun spreken en handelen zich te bewegen in deze weg van het belijden der kerk.

5. Te dien einde heeft de kerk, ter wille van de rechte vervulling van de opdracht van haar ambtsdragers, van hen die in een bediening zijn gesteld en van haar leden, de roeping naar de regel van het woord Gods opzicht te oefenen over haar leden, in het bijzonder over de verkondiging, de catechese en de opleiding en vorming van de dienaren des Woords.

6. De kerk weert al wat haar belijden weerspreekt.

7. Bezwaren inzake dat belijden kunnen door lidmaten - onder beroep op het woord Gods - worden voorgelegd aan het oordeel der kerk, die zich daarover uitspreekt.

Overgangsbepaling

235 (bij ord. 11.1.1)

Indien visitatoren-provinciaal bij hun onderzoek naar en het opzicht over het geestelijk leven der gemeenten komen te staan voor het feit, dat een aantal lidmaten ener gemeente, wijkgemeente of centrale gemeente verklaart binnen de grenzen van art. 10 der kerkorde behoefte te hebben aan een andere mortaliteit van prediking en catechese dan ter plaatse wordt gevonden, en de kerkeraad van oordeel is de verantwoordelijkheid daarvoor als zodanig niet alleen te kunnen dragen, kunnen visitatoren-provinciaal - na raadpleging van visitatoren-generaal - aan de provinciale kerkvergadering verzoeken met de kerkeraad in overleg te treden, ten einde met deze tot een regeling te komen, waarbij deze verantwoordelijkheid mede gedragen wordt door het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, hetwelk in dat geval bevoegd is, zo de betrokken lidmaten verklaren de daaraan verbonden lasten te zullen dragen, in de betrokken gemeente een neven-voorziening in het pastoraat te treffen, hetzij door de bijstand van een of meer pastorale medewerkers, van een hulpprediker, van een vicaris of van een predikant ener andere gemeente, hetzij door de vestiging van een predikantsplaats voor buitengewone werkzaamheden, verbonden aan de kerkprovincie.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Bijlage 1InhoudBijlage 3: Lezingen in samenvatting →