Een huwelijkspreek
Gij, o Here, alleen zult mij doen zeker wonen.
Psalm 4: 9b
Uw goedertierenheid, Here, zij over ons, gelijk als wij op U hopen.
Psalm 33 : 22
Zeker te wonen, veilig en onbezorgd te wonen, in eigen huis, dat is ook wel de begeerte van het jonge paar, dat in het midden der gemeente wil neerknielen om Gods zegen te vragen en te ontvangen. Dat dat geen vanzelfsprekend ding is, weten wij, mensen in deze tijd, het best. In het Onze Vader staat de bede om het dagelijks brood. Wij denken: Er mocht wel bij staan 'een veilige woning': zeker wonen. De bijbel heeft dat altijd wel geweten. Hij is bezig ook op dit punt waar te worden.
Wanneer men nazoekt wat er van wonen in de Schrift staat, dan merkt men tot zijn verbazing dat er eerst geen sprake is van wonen van mensen. God woont. Hij woont in de hemel, of: in 't midden van zijn volk, in de braambos, in de tabernakel, op de berg Sinaï of Sion. Later heeft Jezus ook gewoond, zoals wij. Te Kapernaüm. Men vroeg Hem ook: Waar woont gij? Maar Hij zegt van dat wonen: De vossen hebben holen, de vogelen des hemels nesten, de Zoon des mensen heeft niet om het hoofd neer te leggen (Mt. 8 : 20). Het echte wonen begint weer, als Christus en de Heilige Geest wonen in de harten der gelovigen. Wanneer er dan sprake komt van het wonen van mensen, wordt het huis in de bijbel ook nooit vergoddelijkt. De bijbelheiligen bezingen meer Gods woning en Gods huis dan hun eigen. Niet de haard, maar Gods altaar is heilig; niet het geslacht, maar de gemeente.
Dat klinkt weinig dichterlijk in een ure als deze. Wij zijn dan geneigd, de heiligheid van het mensenleven, de eerwaardigheid van de overlevering te bezingen. Maar bruid en bruidegom stemmen de bijbel toe, door naar deze plaats te komen, voor zij een plaats zoeken aan eigen haard en een toevlucht in eigen woning. Zij weten: Gij, o Here, alleen zult ons doen zeker wonen.
Het staat daar zo rustig in Gods Woord: Gij alleen, o Here, zult ons doen zeker wonen. Maar de hele wereld schijnt op dit ogenblik wel een uitlegging van deze tekst. Gelukkig dan maar, dat de tekst uitgelegd wordt en in 't midden van de wereld staat. Christus zit in 't midden van de duisternis. En gij, bruid en bruidegom, wilt u een nest bouwen, bij Gods altaren, als de mus, als de zwaluw (Ps. 84 : 4).
"Welzalig hij, die bij U woont, gestaag U prijst en eerbied toont."
Dat is de vorm van de christelijke gemeente. De kerk is het middelpunt, de huizen staan eromheen.
Maar als wij met het aangezicht naar God en zijn Woord gaan staan, zien wij op een ogenblik als dit onwillekeurig ook even achterom, als over de schouder. Gij verlaat een huis, gij verlaat een haard, nu gij een woning zoekt te bouwen en een gezin te stichten. Vader en moeder verlaten, zo hoort het, staat er in de bijbel (Gen. 2 : 24). Volgen wilt gij en aanhangen elkander. Dat is niet met het eerste in strijd. Volgen, aanhangen zijn echt bijbelse woorden. Zij komen telkens voor in de bijbelse geschiedenis. Denk aan Abraham, Ruth, de discipelen van Jezus. Het huwelijk is een symbool van de verhouding van Christus en de gemeente, een oefening in de navolging van Christus, de zelfverloochening, het kruisdragen. Daarom mag het ook de heilige huwelijkse staat heten, anders niet. Het is de enige manier om zeker, veilig te wonen. Wonen op zichzelf is niet veilig. Kaïn was de eerste uit de bijbel, die woonde.
Dit volgen, dit aanhangen heeft zeker een persoonlijke zijde. Het is gevolg van een keuze, een toestemming, een besluit. Er is moed voor nodig geweest de verantwoordelijkheid te aanvaarden. Die moed heeft op uzelf teruggewerkt: uw zelfbewustzijn werd erdoor verhoogd en de verzegeling van de band der liefde zal uw kracht vermeerderen. Gij hoopt met God en met ere een plaats in te nemen in het leven. Gij hoopt en gij vreest tegelijk. Met God en met ere? Zal het mogelijk zijn?
Gij, o Here, alleen zult ons doen zeker wonen. Daar is het psalmwoord weer. Wees gij maar gerust en stil. Daar was in uw tot elkaar geleid worden, uw jarenlange langzame toenadering, een leiding op te merken, een toebrengen, zoals het formulier het noemen zal. Gij hebt daaraan gehoorzaamd. Doe het ook aan de verdere leiding Gods. Dan zal het psalmwoord waar blijken.
Gij wilt even achterom kijken? Houd dan de tekst vast. Gij kijkt van de ene oorlog in de andere. Gij wilt u een woning maken. Houd de tekst dan vast. Gij wilt het doen in een grote stad. Als gij achterom kijkt, ziet gij op vriendelijke dorpen. Ik zie op een ander dorp een klein meisje lopen, met blonde krullen. Zij loopt langs een heg. Kijk, daar zijn de krullen weer; nu zijn ze weer weg. Zij is nu de bruid. Zij vond haar weg naar hier, naar Zutphen, Groningen, Den Haag, Amsterdam. Ook de bruidegom heeft zulke herinneringen. En wij ouders hebben ze met hen. Het is gevaarlijk ze aan te roeren. De herinneringen aan eigen woning vormen een zeldzame verborgenheid. Die van de ouders liggen meer terug in oudere woningen.
Ieder huis heeft zijn eigen mystiek, maar alleen het kind kent de gronden en de achtergronden daarvan. Wonen is een geheimzinnig ding. Hoe vreemd donkert het in de oude hoeken, hoe geheimzinnig ritselt het op de oude paden. Hoe zoet, hoe gevaarlijk. Ik zie om, wat komt dan: water. Als Filemon en Baucis, als Noach in de ark. Drempel, vensterbank, nok. Het kind weet het 't best. En de bijbel. God kan alleen goed wonen. Het kind kent de huiver van de woonplaats.
Van onze eigen moeten wij af. Wij hangen eraan met de kracht van het leven zelf. De dood is nodig om ons eraf te trekken. God alleen kan ons doen zeker wonen. Laten wij niet te veel omzien. Gij zijt pelgrims. Uw huis zal zijn heiligheid moeten ontlenen aan de roeping Gods. God, die u tot elkander bracht, voert u in een levensstaat, die lang bestond voor gij tot uw besluit zijt gekomen. Het is een instelling Gods. Het formulier zal het u straks met zijn klassieke taal voorhouden. Gij moogt daarover zijn zegen vragen.
"Hij slaat toch, schoon oneindig hoog, op hen het oog, die needrig knielen."
Gij moogt rekenen op zijn hulp, ook als gij dat het allerminst verwacht. Het verbond Gods staat van geslacht tot geslacht, van kind tot kind.
Het is wel nodig eerst te knielen. Het is een ambt. En een ambt, zoals het formulier dadelijk aan 't begin zegt, met een kruis. Waartoe zijn onze zonen en dochters bestemd? Dat is de eerste, de grote vraag, van Eva af tot op de huidige dag. Maar dit wonen, dit werken, dit kruisdragen, dat gij u gekozen hebt, tekent zich af tegen een achtergrond: Gods wonen, Gods werken, Gods kruisdragen.
Ga dan met goede moed die weg. Degenen die u nabestaan, mogen uw pad vergezellen met hun gebeden.