83. Liquidatie1
Daarmee heb ik het oog op artikel 30 van ordinantie 13 der kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk.2 Daarin wordt bepaald dat het breed moderamen van een provinciale kerkvergadering een predikant van zijn ambt kan ontheffen, wanneer tegen diens verdere ambtsvervulling ter plaatse of in het algemeen door kerkvisitatoren ernstige bezwaren worden aangevoerd-nietwegenszijnbelijdenis, wandel of leringen - maar wegens kennelijke ongeschiktheid. Een nadere bepaling van die ongeschiktheid wordt nergens gegeven. Het is een van die termen, zoals ze in wetten soms voorkomen, waarbij de uitlegging aan het gezond verstand wordt overgelaten. Men zou zelfs kunnen zeggen, dat de kunst van wetgeven bestaat in het vinden van dergelijke begrippen. Hoe minder juristerij zij vereist, hoe beter wet.
Men moet echter wel heel goed opletten in welke samenhang zulke betitelingen voorkomen en uit welke andere verbanden zij streng geweerd moeten blijven. Hier in ord. 13, op het pastoraat, worden enkele gevallen genoemd waarin een predikant administratief van zijn ambt kan worden losgemaakt. Dat heeft met opzicht en tucht (ord. 11) niets te maken, maar gebeurt bij wijze van bestuurlijke functie. Het eerste vindt plaats als hij emeritaat moet nemen (art. 25 en 27). Wordt het niet gevraagd, dan wordt het ambtshalve verleend. In het tweede geval vraagt een predikant ontheffing van zijn ambt, omdat hij het wil neerleggen (art. 29). En daar sluit nu het derde onmiddellijk bij aan, als een ongeschikte dominee administratief van zijn ambt ontheven wordt, zonder het te vragen (art. 30).
Dit laatste heeft met opzicht en tucht evenmin iets te maken als de beide eerste gevallen. Daarom staat het ook hier op deze plaats. Het staat er ten overvloede nog eens duidelijk bij dat het niet gaat om belijdenis, wandel of leringen. Dan zou het in ord. 11 staan, bij het opzicht. Neen, het gaat hier niet over een morele of over een leerstellige, maar over een natuurlijke gesteldheid. En daarom wordt de zaak administratief afgedaan. Zoals de predikant 65 wordt, waar geen tien geboden of catechismus iets aan doen kunnen, en zoals een dominee, die zijn ambt wil neerleggen, het eenvoudig gaat neerleggen, zodat de kerk alleen het nakijken heeft - even bruut presenteert zich hier het feit der ongeschiktheid.
Het valt slechts te constateren, meer niet. En daarom staat dit geval hier naast die beide andere.
En nu kan het wel schijnen alsof het toch nog weer anders is en toch nog een halve tuchtzaak, maar dan breekt die schijn het hele artikel de nek.
De ongeschikte dominee mag nl. voor het moderamen van de provinciale kerkvergadering komen en proberen duidelijk te maken, dat hij wèl geschikt is. En hij kan zich ook nog beroepen op het breed moderamen van de synode. Maar als men deze faciliteiten vergelijkt met wat in een tuchtzaak is toegestaan (ord. 11, art. 7-13 en 14-18),3 dan is het wel duidelijk dat beide procedures niets met elkaar te maken hebben. Die uit ord. 13 gaat over een natuurlijke gesteldheid; die uit ord. 11 gaat over een morele en godsdienstige. De eerste wordt administratief afgedaan, de tweede regelt een kerkelijke rechtspraak.
De natuurlijke gesteldheden, die volgens art. 30 worden behandeld, moeten dan ook strikt beperkt blijven tot hun eigen terrein. De ongeschiktheid moet even duidelijk constateerbaar zijn als de 65-jarige leeftijd of het neerleggen van het ambt uit eigen beweging. Het moet lichamelijke of psychische ongeschiktheid blijven, waarover niet veel te redeneren valt. Gaat men daarmee spelen en gaat men ermee in de richting van het opzicht, bijvoorbeeld door karaktereigenschappen en gemeentelijke gesteldheden onder vigeur van art. 30 te brengen, dan wordt er groot onrecht gepleegd. De zaak loopt dan uit op een liquidatie achter een kerkelijk ijzeren gordijn. Daarvoor zouden dan die gevallen worden uitgekozen, waarin een predikant in zijn gemeente min of meer vastgelopen is. Hij komt met zijn rug tegen de muur te staan en bijna iedereen is tegen hem. Er komen van die gevallen voor. Ruim 30 jaar geleden was dit het geval met een nobele herder, wijlen Frits Reitsma4 op een klein dorp in Groningen. Hij vertelde mij later hoe ze, door wat hij om Gods wil moest doen, tenslotte allemaal tegen hem waren.
Een predikant behoort een geschiedenis met zijn gemeente te beleven. Er ontstaan verhoudingen, die zich min of meer consolideren. De stukken op het bord staan na enige jaren op een bepaalde manier. Men kan ze niet op elke willekeurige manier verplaatsen. Er bestaat ook in de pastoraal wat men positie noemt. Er ontstaat enig rumoer rondom de pastor. Door eigen schuld, maar ook door Gods schuld. Door eigen karakter en temperament, maar eveneens wegens de eisen van het Evangelie en de gesteldheid der gemeente.
Nu komen een paar heren uit een auto de positie bekijken. Vergeleken met de duur van het spel, heel vluchtig. En wat de spanning betreft, die er achter zit, heel oppervlakkig. Zij vragen een paar stukken te verzetten, zodat de partij remise wordt. Wat de pastor dan natuurlijk weigert.
Het zijn deze gevallen, die de kerk in verleiding kunnen brengen, iemand te liquideren. Hier is nu een totaal geïsoleerd mens. Ieder is tegen hem. Geen 'mortaliteit' zal in beweging komen als men hem aanpakt. Hier behoeft men geen tien jaar te wachten, zoals bij iemand die de fundamenten der kerk heeft aangetast (overg. bep. 248).5 Hier behoeft opzicht en tucht zelfs niet bij te pas te komen. Dit kan wel administratief. Men is dan van de ingewikkelde bewijslast en van veel andere rompslomp rondom de rechtspositie van de predikant ontheven. Het opplakken van een etiket is voldoende: ongeschikt!