O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 74. LegendenvormingInhoud76. Regeer en beheer →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 558–568

75. Discussie over een kerkrechtelijke kwestie

1. H. Mulderije: Het kerkrecht als domeingebied

Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd, alles wat hun godsdienst en de uitoefening daarvan in eigen boezem betreft, te regelen. Aldus luidt de aanhef der Wet op de kerkgenootschappen van 10 sept. 1853, Staatsblad nr. 102, welke tot achtergrond heeft art. 175 der grondwet, dat gelijke bescherming verleent aan alle kerkgenootschappen in het rijk. Deze bescherming is bedoeld als rechtsbescherming, niet als bevoordeling of protectiea en vindt haar tegenwicht in art. 174 der grondwet, hetwelk de volkomen vrijheid waarborgende van een ieder om zijn godsdienstige gezindheid te belijden, het voorbehoud maakt van de bescherming der maatschappij en der burgers tegen overtreding van de strafwet. Hiermede is bedoeld de vaststelling van preventieve politionele en van repressieve strafmaatregelen tot bewaring van orde en rust uit vrees voor revolutionaire leringen onder de dekmantel van de godsdienst (Toelichting tot de grondwetsherz. 1848). Een begin van uitvoering van zodanige maatregelen, overigens van onschuldig karakter, bevat de in de aanhef genoemde wet van 10 sept. 1853.

Het kerkrecht is het terrein bij uitstek, waarop kerk en staat elkander ontmoeten. Het gaat veelal om uitersten; want òf alle heroïek ontbreekt, gelijk als de deurwaarder, drager van het overheidsgezag, de schrale aanslagpenningen van een onwillig lid der kerk executeerde (een praktijk die weinig werd gevolgd en waarmede nu wel algeheel is gebroken), òf het hoofdstuk van het tempeest der kerk wordt verder geschreven in een broederlijke collaboratie van doctores theologiae en juris. Het is de tijd, waarin de procesconclusies tot baring van kerkrechtliteratuur leiden, waarbij conflicten tussen teleologische interpretatie en kritische bezonnenheid niet denkbeeldig zijn.

Bouwmanb in zijn studie over Voetius'denkbeelden inzake de macht der meerdere vergaderingen, heeft gepoogd aan te tonen hoezeer in de hitte van de doleantiestrijd aan beide zijden bij Lohman - Rutgers en bij Kleyn, betogen zijn gebouwd op later gebleken verkeerd begrepen voetiaanse uitleggingen. "In de tijd der Doleantie moest men wel om de gewetens wakker te schudden met alle wapenen zich keren tegen een door en door hiërarchisch bestuursapparaat, dat als synode zich aandiende en de trouwe belijders vervolgde en afzette."c De natuur bleek ook bij deze doctores sterker dan de leer, ondanks dat in het voorwoord tot de serie Rechtsgeleerde adviezen inzake het kerkelijk conflict te Amsterdam 1886, de bij provisie geschorste kerkeraadsleden opmerkten dat zij weliswaar ook van advocaten adviezen hadden kunnen inwinnen, maar overmits advocaten uit de aard der zaak in een andere betrekking tot de vrager van advies staan, dit in hun geding minder wenselijk scheen. Alle partijdigheid of vooringenomenheid moest te dezen zijn uitgesloten.

Blijkens de studies van Bouwman is daar niet veel van terechtgekomen, al zijn fouten aan beide zijden gemaakt. Op het raakvlak van kerk en staat rijst de vraag, welk het karakter der kerk is als rechtspersoon. De in de bezettingstijd wegens de verordeningsvoorschriften onzerzijds bij voorkeur gevolgde constructie van de kerk als publiekrechtelijke organisatie kan niet als juist worden erkend.d De publiekrechtelijke rechtspersoon toch is gerechtigd om eenzijdig, uit hoofde van het eigen recht der overheid, verplichtingen op te leggen ook aan personen die niet vrijwillig tot hem zijn toegetreden. Privaatrechtelijke rechtspersoon is de kerk nog veel minder. Immers erkenning van staatswege, gelijk een vereniging, bond of sekte, behoeft zij niet. Mededeling van haar bestaan aan de wereldlijke overheid, bij wijze van politiemaatregel voorgeschreven in art. 1 der wet van 1853, is voldoende. Wij hebben dus te doen met een rechtspersoon sui generis; en er is geen andere categorie van zedelijke lichamen met de kerk op één lijn te stellen.

Toch ontmoeten wij 'de kerk' bij herhaling in de sfeer van het wereldlijk recht op voet van gelijkheid met andere zedelijke lichamen, aan welke de kwaliteit der persona standi in judicio toekomt, dwz. als drager van rechten en verplichtingen op één lijn gesteld met natuurlijke personen en als zodanig bevoegd, rechten geldend te maken voor de gewone rechter of terzake van verplichtingen voor dezen door anderen ter verantwoording te kunnen worden geroepen. Zij, de kerk als zedelijk lichaam, wordt door haar eigen reglementen en verordeningen beheerst, te respecteren als domeingebied ook door de civiele rechter, echter altijd- aldus de H.R.e - onder de opperheerschappij der algemene wet, voor welke haar bijzondere rechtsregeling heeft te wijken, tenzij die algemene wet zelve vrijheid tot afwijking verleent. En op dit beginsel, gaat de H.R. verder, is in de voorschriften der wet omtrent zedelijke lichamen of in andere bronnen van ons burgerlijk recht voor kerkgenootschappen geen uitzondering te vinden en zij kan ook niet uit de grondwet of uit de wet op de kerkgenootschappen dan wel uit een andere wet worden afgeleid.

De kerk mitsdien is van eigen aard publiekrechtelijk gezien, maar waar zij aan het gewone verkeer deelneemt - het opleggen aan haar leden van financiële verplichtingen, het verpachten, vervreemden, bewaren van haar eigendommen, in een woord het intreden in de sfeer van het privaatrecht - is zij als elke andere rechtspersoon aan het civiele recht onderworpen. Het is de afdaling tot het vlak van het civielrechtelijke verbintenissenrecht.

Toetsen wij nu het meer ideële, van economische belangen gespeende terrein van opzicht en tucht volgens het syn. reglement van die naam van 15 jan. 1916, na het Algemeen Reglement, het belangrijkste organieke reglement dat de kerk kent. Zijn wij mogelijk hier op domeingebied, voor welks omrastering alle seculair machtsvertoon halt heeft te maken, ditmaal met een geslaagd beroep op het wettelijk voorschrift dat aan het kerkgenootschap de vrijheid verzekerd blijft de uitoefening van zij n godsdienst als soeverein in eigen kring te regelen?

Het synodaal Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, waarvan de officiële benaming wijder strekt, nl. "en voor de behandeling van geschillen en van bezwaren tegen besluiten in bestuurszaken" bevat het formele of procesrecht der kerk voor haar administratieve en tuchtrechtelijke geschillen, voor zover niet bijzonderlijk elders geregeld. Haar gestalte in de wereld als gemeente van Christus eist een interne organisatie, eist vaste normen van bestuur en toezicht, opdat alle dingen eerlijk en met orde geschieden mogen. Het gaat om de toerusting tot de aanval op de wereld "ter bevordering van christelijk leven en tot voorkoming en wegneming van alles wat het godsdienstige en zedelijke welzijn der gemeente belemmert" (art. 1). Zo is het aanvaardbaar dat dit tuighuis kerkelijk domeingebied bij uitstek wezen moet, al kan zo hier en daar met ervaring van wereldlijke rechtspraak en wetgeving worden rekening gehouden, ook zonder dat daardoor de gehele regeling een toch nooit slagende nadoening van de wereldlijke rechtspleging zou behoeven te worden (Hand. Syn. Bijl. 1906, p. 136).

De vraag of ook op dit terrein de kerk bemoeiing van de zijde der landsoverheid heeft te dulden, kreeg vernieuwde actualiteit door de werking der bijzondere gerechtshoven en de behandeling van politieke delicten, aan het begaan waarvan ook enkele, zij het schaarse bedienaren van de godsdienst, gelijk de strafwet in de art. 147, 449 de verbi divini minister betitelt, niet zijn ontkomen.

Uit de aard der zaak heeft deze pijnlijke aangelegenheid een veel verder strekkende betekenis dan die van het ogenblik. Hier is vooreerst in geding, hetgeen als axioma heeft te gelden, dat de kerk en zij alleen door haar wettige vergaderingen, heeft uit te maken, wie als dienaren des Woords in haar midden zullen worden toegelaten of eenmaal toegelaten zijnde, gehandhaafd zullen blijven. In dit domeingebied der kerk kan zij geen inbreuk of medezeggenschap van overheidswege dulden. Wel kruist ook hier de staat het pad der kerk, waar hij het hoger onderwijs reglementerende, de eisen vaststelt voor de toekenning der wetenschappelijke graden in de godgeleerdheid (H.O. wet en Nw. acad. statuut, K.B. 15 juni 1921 nr. 800), maar het is tenslotte de kerk die bepaalt dat slechts kandidaten in de godgeleerdheid of zij die het doctoraal examen met goed gevolg hebben afgelegd, behoudens de uitzonderingsgevallen van art. 9* Regl. examen en de overigens daarvoor gestelde eisen, tot proponentsexamen of colloquium doctum kunnen worden toegelaten (art. 7 e.v. Regl. examen).

Nu maakt reeds de grondwet, gelijk wij zagen, bij het erkennen der vrijheid van godsdienst het voorbehoud van de bescherming der maatschappij en haar leden tegen overtreding der strafwet (art. 174). Dit sluit onder meer in dat zo een bedienaar des Woords, die terzake van een strafdelict vrijheidsbeneming heeft te ondergaan en daardoor in de uitoefening van zijn ambtelijke arbeid wordt verhinderd, de kerk dit te dulden heeft, vooropgesteld dat de norm waarvan de overtreding werd bewezen en de terzake opgelegde straf voldoen aan de eisen van de christelijke zedewet, waarop onze maatschappelijke orde is gefundeerd. Dit had tot dusverre nimmer tot conflicten geleid omdat de kerk zelve in zodanige ernstige gevallen met haar tuchtmaatregelen toch reeds had ingegrepen of niet zou nalaten dat alsnog te doen. Het is duidelijk dat in deze gevallen met de strafmaatregel geen directe inbreuk op de ambtsuitoefening is beoogd. al is die daarvan wel het indirecte gevolg. Anders ligt de zaak echter in die gevallen waarin het recht tot bekleden van een ambt dan wel de uitoefening daarvan voorgoed of voor zekere tijd verboden wordt bij wijze van zgn. bijkomende straf.

De sedes materiae vormt art. 9 Wetboek van strafrecht, bepalende dat als bijkomende straf naast plaatsing in een rijkswerkinrichting, verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen of openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak geldt: ontzetting van bepaalde rechten te weten het bekleden van ambten of van bepaalde ambten en de uitoefening van bepaalde beroepen. De art. 29 en 31 W. v. str. omlijnen deze bijkomende straf nader als volgt:

"29. Ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden en bij de gewapende macht te dienen kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig ambtsmisdrijf of wegens enig misdrijf, waardoor de schuldige een bijzondere ambtsplicht schond of waarbij hij gebruik maakte van macht, gelegenheid of middel, hem door zijn ambt geschonken.

31. Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter de duur als volgt: 1. Bij veroordeling tot levenslange gevangenisstraf, voor het leven; 2. Bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis, voor een tijd de duur der hoofdstraf ten minste 2 en ten hoogste 5 jaren te boven gaande; 3. Bij veroordeling tot geldboete, voor een tijd van ten minste 2 en ten hoogste 5 jaren. De straf gaat in op de dag, waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd."

Art. 195 W. v. str. bevat de sanctie op deze voorschriften door met gevangenisstraf of geldboete te bedreigen wie een recht uitoefent, wetende dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak is ontzet.

De bijkomende straf is niet bedoeld als onterende maatregel, aldus de Memorie van toelichting van 1881 op het ontwerp Strafwetboek (Smidt 1, p. 157), maar bij wijze van speciale preventie. Wordt een misdrijf gepleegd waarbij de schuldige gebruik maakte van de gelegenheidhem door zijn ambt of beroep geopend, dan is er een gerede aanleiding, teneinde herhaling te voorkomen, om hem uit dat ambt of beroep te ontzetten. Ook kan het algemeen belang, de bescherming der maatschappij bij het opleggen van de bijkomende straf in geding zijn, gelijk de in de huidige tijd veelvuldig toegepaste uitsluiting van de uitoefening van het kiesrecht.

De regeling in het Wetboek van strafrecht is derhalve deze, dat de ontzetting van rechten alleen kan worden uitgesproken in de bij de wet genoemde gevallen, behoudens dat voor bekleding van ambten of bepaalde ambten art. 29 de meer algemene regel geeft, dat ontzetting van het recht tot die bekleding altijd kan worden toegepast bij veroordeling wegens een ambtsmisdrijf of wegens een misdrijf, waarbij bepaaldelijk de ambtelijke bevoegdheid is misbruikt. De ontzetting uit het recht van uitoefening van bepaalde beroepen is in de wet slechts bedreigd, wanneer het feit in de uitoefening van dat beroep is gepleegd (Smidt 1, p. 326). Bij het K.B. D 61 Buitengewoon strafrecht heeft men deze beperking laten vervallen.

Wat is nu in de zin der wet 'ambt', wat is in de zin der wet 'beroep'? Of liever in concreto, hetgeen ons thans bepaaldelijk interesseert, valt het kerkelijk ambt hieronder?

2.

Wij willen thans trachten een antwoord te vinden op de vraag of de gewone strafrechter dan wel de bijzondere, krachtens de bijzondere rechtspleging ingevolge het buitengewone strafrecht, bij wijze van bijzondere straf bevoegd is kerkelijke ambtsdragers en functionarissen te ontzetten van het recht het ambt te bekleden dan wel aan hen door verbod van beroepsuitoefening de kerkelijke arbeid onmogelijk te maken. Wel overbodig is het voorop te stellen dat hetgeen volgt, geen andere pretentie heeft dan eigen mening weer te geven.

Men kan niet maar afgaan op de gelijkluidende benaming van ambt volgens de strafrechtsvoorschriften (art. 28, 84 W. v. str.) en ambt van predikant, ouderling en diaken (art. 3 en 11 syn. Regl. kerkeraden), omdat de wet de predikant, waar zij deze een enkele maal bepaaldelijk noemt, juist niet als ambtsdrager betitelt, maar als 'bedienaar van de godsdienst' gelijk wij reeds zagen of als 'godsdienstleraar' (art. 249 W. v. str. in de tot 1936 gegolden hebbende redactie, waarmede de predikant als zodanig werd bedoeld; vlg. H.R. 15 okt. 1906, W. 8441). In de wet op de kerkgenootschappen wordt bovendien gesproken van 'kerkelijke bediening', art. 2 en 'bedienaren van de openbare godsdienst', art. 6.

Nu is het kwalijk te verstaan dat de staat het recht tot bediening zou kunnen aantasten van een ambt, dat hij zelf niet vermag te vergeven. Van deze gedachte gaat ook het tweede lid van art. 28 W. v. str. uit, dat de ontzetting van overheidswege van voor het leven of voor een bepaalde tijd van overheidswege aangestelde ambtenaren, gelijk rechters en hun plaatsvervangers, aan bijzondere wettelijke voorschriften bindt. De kerk en zij alleen roept tot het ambt: "en hebben wij (d.i. het provinciaal kerkbestuur) hem nauwkeurig onderzocht in al hetgeen tot de onderwerpen van het examen behoort met de uitslag dat wij voornoemde geëxamineerde, nadat hij de gevorderde verklaringen en beloften heeft afgelegd, tot de Evangeliebediening hebben toegelaten" (art. 28). "Die aldus toegelaten zijn, verkrijgen de titel van kandidaten tot de Heilige Dienst en zijn bevoegd om te staan naar de Evangeliebediening" (art. 29 Regl. ex.; art. 31 der Ned. geloofsbelijdenis). Het ligt dan ook voor de hand om bij de interpretatie van art. 28 W. v. str. te denken aan de persoon van overheidswege aangesteld, teneinde in enig opzicht de overheidstaak tot uitoefening te brengen. De predikant, ouderling of diaken vallen daaronder niet en worden ook in het uitbreidende voorschrift van art. 84 W. v. str. niet genoemd. Dit artikel ni. geeft bij wijze van wetsduiding een verruiming aan het begrip ambtenaar door daaronder te begrijpen degenen, verkozen bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen en voorts scheidsrechters en alle tot de gewapende macht behorende personen.

Het behoeft geen betoog dat ook naar het wezen van het bijzondere ambt de hier voorgestane beantwoording der gestelde vraag de enig juiste is. Ingesteld door Christus tot het dienen, regeren en uitbreiden van zijn kerk (Ef. 4 : 11), tot een Iraedt der Kerken' naar art. 30 der Ned. geloofsbelijdenis, staat het ambt volkomen vrij van het overheidsgezag; het kerkbestuur, aldus Voetius, is op generlei wijs enerlei met het wereldlijk bestuur.f

Het staat mitsdien ook niet aan de wereldlijke overheid, doch aan deze raad der kerk om uit te maken of een ambtsdrager tijdelijk of voor goed uit zijn bediening behoort te worden ontzet dan wel vervallen verklaard van de bevoegdheid tot het aanvaarden van kerkelijke bedieningen en ambten. De regeling dezer materie is voor ons hervormd kerkrecht dan ook volledig in Opzicht en tucht te vinden, waaraan niet afdoet dat, anders dan in het wereldlijk recht, deze beide in wezen één zijn en er slechts een formele onderscheiding tussen opzicht en tucht bestaat,g zó dat de christelijke liefde en barmhartigheid ook waar het tucht geldt, wezenskenmerk blijven.

Ontzetting van het recht bepaalde beroepen uit te oefenen, volgens art. 28 W. v. str. sub 5 beperkt tot het beroep waarin het misdrijf is begaan, komt voor het kerkelijk ambt uit de aard der zaak niet in aanmerking, daar ook het bezoldigde ambt geen 'beroep' in engere zin is, d.i. de op het maatschappelijke leven gerichte vervulling van persoonlijke diensten, waarin men zijn bestaan vindt. Zo spreekt het Buitengewoon besl. arbeidsverhoudingen 1945 F. 214 in art. 2 sub c van personen die een geestelijk ambt bekleden, in tegenstelling tot de gewone arbeidsverhouding van werkgever en werknemer. Onder beroep in art. 28 W. v. str., aldus Pompe, is te verstaan de arbeid verricht om zijn levensonderhoud te verkrijgen met uitzondering van het ambt.h Waarschijnlijk is deze omschrijving te beperkt. Van de godsdienstonderwijzer kan men zeker niet zeggen dat zijn beroep broodwinning is, verricht om het levensonderhoud te verdienen. Toch kan hij hetzij als kerkelijk functionaris, hetzij aangesteld buiten direct kerkelijk verband bijv. door regenten bij een gevangenis of bewaringsinrichting, naar het mij voorkomt in zoverre onder de werking vallen van art. 28 sub 5 W. v. str. En evenzeer oefenen kerkelijke functionarissen gelijk de beheerder van kerkelijke vermogens, de directeur van enige tak van kerkelijke dienst, de algemene secretaris van gecentraliseerde kerkelijke arbeid, die daarin hun volledige werkkring vinden, een beroep uit.

Ten aanzien van zodanige kerkelijke functionaris kan m.i. een in functie gepleegde schending van vertrouwen die tot strafrechtelijke veroordeling en oplegging ook van een bijkomende straf leidt, aanleiding zijn tot verlies van het recht zodanige functie te bekleden, die in wezen ook niet van zuiver kerkelijke aard is, doch mede de wezenskenmerken van een wereldlijke beheersopdracht bevat.

De vraag is nu, hoe wetenschap en praktijk tegenover vragen als deze staan en of bovenstaande beschouwingen daarin weerklank vinden. Simonsi⚑ verstaat onder ambt elke door het publiekrecht beheerste betrekking die een taak oplegt welke ten behoeve van de staat of van een zijner onderdelen behoort te worden vervuld. Ambt, aldus Pompe,j is de functie, uitgeoefend door een ambtenaar en ambtenaar is volgens de Hoge Raad (het hoogste rechtscollege in den lande) degene die door het openbaar gezag is aangesteld tot een openbare betrekking om een deel van de taak van de staat of zijn organen te verrichten. Van Hamelk noemt als kenmerken aanstelling door het openbaar gezag en ondergeschiktheid.

De ambtenarenwet 1929, Stbl. 530, omschrijft het begrip ambtenaar als degene, die is aangesteld in openbare dienst om hier te lande werkzaam te zijn.

Het arrest van de Hoge Raad,l door Pompe geciteerd, is belangwekkend voor de vraag wie ambtenaren zijn, te weten degenen die door het openbaar gezag zijn aangesteld tot een openbare betrekking om te verrichten een deel van de taak van de staat of zijn organen. En in de aan dit arrest voorafgegane conclusie van de Adv. Generaal geeft deze als definitie, "de openbare betrekking door het uitvoerend gezag opgedragen, waarin hij die ze bekleedt, tot de staat althans tot het publiekrechtelijk onderdeel in een verhouding van ondergeschiktheid staat, terwijl zijn functiën, de voorwaarden van aanstelling, ontslag en bezoldiging publiekrechtelijk zijn geregeld".

Genoeg om te doen zien dat er in de rechtswetenschap en praktijk een communis opinio bestaat, krachtens welke het niet twijfelachtig is of het kerkelijk ambt valt niet onder de gelijknamige kwalificatie naar het wereldlijke recht.

Het is natuurlijk niet aannemelijk dat er omtrent de vraag die ons bezighoudt in de lange jaren der strafrechtspraktijk zich nimmer een precedent zou hebben voorgedaan. En dat is dan ook niet het geval.

Bij vonnis toch van 23 november 1893 heeft de Haagse rechtbank ten aanzien van een predikant als volgt beslist: "Ontzet hem uit zijn ambt van predikant bij de Nederduits(e) Hervormde Gemeente van 's-Gravenhage; ontzet hem gedurende de tijd van 10 jaren van de rechten van eerstgenoemd ambt van predikant te bekleden". Het provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland ontzette kort daarna de betrokkene uit zijn bediening van predikant en verklaarde hem vervallen voor onbepaalde tijd van de bevoegdheid tot het aanvaarden van kerkelijke bedieningen.

De zaak was daardoor niet actueel meer, maar gaf aanleiding tot een polemiek in het Weekblad van het recht over de vraag of de rechtbank Den Haag in strijd met de wet had gehandeld,m en tot het stellen van vragen aan de minister in de Tweede Kamer bij de behandeling der justitiebegroting. Het resultaat der discussies was in elk geval dat het kerkelijk ambt als zodanig buiten de greep der justitie viel en de rechtbank Den Haag haar bevoegdheden was te buiten gegaan.n Samenvattende kunnen wij dus het volgende vaststellen:

a. de strafwet, de rechter de bevoegdheid toekennende bij wijze van bijkomende straf een schuldige bij rechterlijke uitspraak te ontzetten uit het recht ambten of bepaalde ambten te bekleden, heeft geen betrekking op de kerkelijke ambten van predikant, ouderling en diaken. Het is domeingebied der kerk, voor de overheid ontoegankelijk;

b. de strafwet, de rechter de bevoegdheid toekennende tot ontzetting uit het recht bepaalde beroepen te bekleden, betrekt daarin ook kerkelijke functionarissen in zoverre zij werkzaamheden uitoefenen, die naar de opvatting van het maatschappelijk verkeer als beroepsuitoefening gelden. Dit geldt ook voor kerkelijke ambtsdragers in zoverre zij zodanige werkzaamheden als zelfstandige nevenfunctie uitoefenen. Gedacht is hierbij aan de predikant, de godsdienstonderwijzer met zelfstandige nevenfunctie als leraar, onderwijzer bij een maatschappelijke instelling, een inrichting of gesticht;

c. Het sub a en b opgemerkte geldt evenzeer de bijzondere gerechtshoven volgens het koninklijk besluit D. 62 en de strafbevoegdheid aan deze hoven gegeven volgens art. 8 van het Kon. besluit buitengewoon strafrecht D. 61. Er kan mogelijk, al berustdit niet opde wet, dooreenadvocaat-fiscaal wordengevorderd, doch in elk geval niet bij sententie door een bijzonder gerechtshof worden uitgesproken ontzetting uit het recht het ambt van predikant te bekleden en nog veel minder uit 'het recht de kansel te betreden', zoals een enkele maal is gerequireerd. Ook van inhouding van rijkstraktement kan geen sprake zijn als zijnde dit traktement verbonden aan de standplaats (art. 19 Regl. predikantsplaatsen) en niet aan de persoon van degene die de plaats vervult.

Zo is dus duidelijk dat slechts de kerk en zij alleen het recht heeft tot het ambt te roepen en daaruit te weren of te ontslaan. En hetgeen in de verbijzondering van het ambt onaantastbaar is, kan ook niet met de algemene betiteling van beroepswerkzaamheid aangetast worden.

3 .

De vraag van het domeingebied rijst nog op ander terrein, waarover tenslotte nog enige opmerkingen mogen volgen. Van oudsher zij n de kerkgenootschappen uiterst rijk aan beurzen, fondsen, stichtingen en dergelijke doelvermogens.

Het is erezaak der kerk dat het toezicht op het beheer van en de beschikking over de kerkelijke middelen in ruimere zin afdoende zij. Een belangrijke maatregel van die strekking vormt het in 1942 in werking getreden synodale Reglement voor de predikantsweduwen- en wezenbeurzen, dat het tot stand brengen van volledige statuten of reglementen verplicht stelt en ook overigens een doeltreffende regeling van het toezicht geeft. Een algehele registratie van alle kerkelijke fondsen en stichtingen zou aanbeveling verdienen.

In verband met zeer teleurstellende ervaringen door pensioentrekkers en employés van enige grote maatschappijen opgedaan, is in 1937 een wetsontwerp houdende een wettelijke regeling inzake Stichtingen gepubliceerd, waarbij aan de officieren van Justitie een vrij ingrijpende controlerende taak is opgedragen. Het ontwerp is uit de aard der zaak gedurende de oorlogsjaren blijven liggen, doch het is waarschijnlijk dat de verdere behandeling straks weder zal worden opgenomen. Art. 17 daarvan bepaalt dat de bepalingen van deze wet niet van toepassing zijn op kerkgenootschappen, kerkelijke instellingen en instellingen 'met godsdienstig doel'.

In de toelichting III sub 1 slot wordt dit niet nader gemotiveerd doch - en terecht - als vanzelfsprekend voorondersteld. In het voorlopig verslag van de Tweede Kamer (1937/38 nr. 109) wordt dit inzicht onderschreven voor zoveel kerkgenootschappen en kerkelijke instellingen betreft. 'Enigszins anders', aldus de vaste commissie uit de Tweede Kamer voor privaat- en strafrecht, "staat het echter met instellingen met godsdienstig doel. In verband met de vaagheid van dit begrip is bij de commissie de vraag gerezen of stichtingen van deze aard niet onder de werking der wet dienen te vallen. In elk geval meent zij dat het goed zou zijn, indien de regering zowel van het begrip instelling, met godsdienstig doel als van het begrip kerkelijke, een scherpe omschrijving zou kunnen geven". Dit op 14 maart 1938 vastgestelde verslag heeft nog geen verdere beantwoording gevonden. Het is duidelijk dat de zaak der kerk hier ten volle in geding is, en zulks niet maar alleen om baas in eigen huis te blijven.

En dan rijst de vraag of ter afpaling van het kerkelijk domeingebied niet een formeel criterium ware te aanvaarden in dier voege dat daar waar het toezicht door enig kerkelijk ambt - de kerkvoogdij daaronder begrepen - wordt geoefend, het overheidsgezag terugtrede en de voorschriften der wettelijke regeling inzake stichtingen niet van toepassing zullen zijn. Het criterium zal eenvoudig zijn. Maar het zal aan de eisen der doelmatigheid beantwoorden eerst dan als het kerkelijk toezicht naar zijn eigen reglementaire voorschriften als een sluitend geheel kan gelden en tweedens als dat kerkelijk toezicht van kracht zal zijn in al de gevallen ook met betrekking tot instellingen met godsdienstig doel, waarin directe kerkelijke belangen in geding zijn. Hier zal waar nodig de wetgever te hulp moeten komen.

Ten aanzien van het syn. Reglement pastoriegoederen zijn dubia gerezen, waartoe deze netelige materie bij uitstek aanleiding geeft.o Elke rechtszaak terzake van deze materie betekent een historische studie op zichzelf. Een voorbeeld daarvan is ook het Vicariegesticht op het St. Hubertusaltaar in de Nieuwe kerk te Delft, welker bestuur, zetel en kantoor onbekend zijn,p na de Reformatie ten dele bestemd voor opleiding in de hervormde godsdienst of ad pios usus, waarover de Rb. 's-Gravenhage met toepassing van het verscholen wetje op de Vicariegoederen van 29 okt. 1892, Stbl. 240, een beslissing moest geven. Het regelt enig toezicht op goederen van kerkelijke oorsprong, voor zover niet vanwege enig kerkgenootschap beheerd.

2. O. Noordmans: Naschrift

De redactie verzocht mij naar aanleiding van de beide artikelen over Het kerkrecht als domeingebied1 enkele opmerkingen te willen geven, die daaraan als Naschrift zouden worden toegevoegd. Wanneer ik daaraan gevolg geef, kan het de bedoeling niet zijn hier op de uitvoerige juridische beschouwingen van mr. Mulderije2 - en dan nog wel à l'improviste - in den brede in te gaan. Het enige wat met de redactionele uitnodiging bedoeld kan zijn is te willen overwegen of er van theologische zijde, na aandachtige lezing, ook bezwaren tegen de uitkomsten van dit onderzoek zouden moeten worden ingebracht.

Inderdaad heb ik enkele vragen bij mij voelen oprijzen. Daarvoor is geen aanleiding voor zover het de drie ambten uit art. 3 en 11 van het synodaal Reglement op de kerkeraden betreft.3 Hier wijst mr. Mulderije staatsinmenging duidelijk genoeg af. Alleen kan men vragen of over het publiekrechtelijk karakter der kerk van theologische zijde nog niet het een en ander gezegd zou moeten worden. Lohman laat dit karakter in het midden, omdat het begrip niet vaststaat.4 Dit is mogelijk. Het wil mij echter voorkomen dat wij hier meer met een christelijke idee dan met een juridisch begrip te maken hebben. Wat uit zulk een idee moet worden afgeleid, ook juridisch, vraagt een meer gecompliceerde bezinning dan in een commentaar op de grondwet kan worden te werk gesteld.

Verder had ik graag gezien dat mr. Mulderije duidelijker had uitgesproken dat ook de kerkelijke diensten, voor zover zij in onze reglementen geen ambten worden genoemd, tegenover art. 28 W. v. str. sub 55 op dezelfde lijn staan met de ambten. Hij doet dat alleen ten opzichte van de godsdienstonderwijzer. Allereerst denk ik aan de oud-christelijke ambten van koster en voorlezen. Bij de benoeming voor deze posten hebben godsdienstonderwijzers de voorkeur (art. 22 Regl. op het godsdienstonderwijs). De kerk beschouwt hun bediening als een geestelijke. Zij behoorden vroeger tot de clerus, zij het dan als lagere ambten (ordines minores). De organist behoort daar thans ongetwijfeld ook bij. - Tussen deze diensten en de drie ambten uit art. 3 en 1 1 Regl. op de kerkeraden mag men ten opzichte van art. 28 sub 5 geen scheiding maken. Wil een protestantse kerk deze ordines minores diensten noemen in onderscheiding van de drie ambten van predikant, ouderlingen diaken, dan is dat haar zaak. Dat is een intern-kerkelijke aangelegenheid. De werkgever, de rechter en de overheid hebben hier halt te houden voor het domeingebied der kerk.

Natuurlijk kan een kerkelijke functionaris ook buiten kerkelijk verband optreden: dat geldt over de hele lijn van ambten en diensten. Dan valt hij wel onder de bedoelde bepalingen. Echter niet voor zover zijn kerkelijke functie betreft.

Hoever de klerikale sfeer zich uitstrekt en of beheerders van kerkelijke vermogens, algemene secretarissen van gecentraliseerde kerkelijke arbeid ertoe behoren, is een zeer actuele vraag, waaraan mr. Mulderije wel enige meerdere aandacht had mogen schenken. Hij noemt dit werk een beroep. Functionarissen in algemene dienst rijzen juist de laatste tijd als paddestoelen uit de grond6 en het is wel heel royaal tegenover de wereldlijke wetgever om hier zonder nadere overweging van een beroep te spreken. De positie van deze waardigheidsbekleders staat nog niet vast zolang de kerk haar nieuwe organisatie nog mist. De figuur van predikanten voor bijzondere werkzaamheden en in algemene dienst is een bewijs dat de kerkzich in eeno vergangsperiode bevindt. M.i. moet de idee van het publiekrechtelijke karakter der kerk ons hier leiden. De clerus is voor uitbreiding vatbaar. Zelfs de administratie van kerkelijke goederen was trouwens vanouds een ciericale bezigheid. De bisschop was ermee belast.

Tenslotte daarom nog een enkel woord over het beheer der kerkelijke middelen, waarover mr. Mulderije onder 3. handelt. Ook hier ontmoeten wij weer het 'vanzelfsprekende', dat de wetgever en de rechter eerbiedigen. De idee en niet het begrip der kerkelijke publiciteit. Wanneer mr. Mulderije dan met een kamercommissie aandringt op scherpere omschrijving van 'godsdienstig doel' en 'kerkelijke instelling', dan zou dat zijn schaduwkanten kunnen hebben. Vooral als hij een formeel criterium voorstelt en als zodanig toezicht door enig kerkelijk ambt - de kerkvoogdij inbegrepen aanraadt. Wanneer het ambt in kerkelijke zin als religieuze idee moeilijker te definiëren is dan op wereldlijk gebied, en als deze klerikale idee in onze tijd een evolutie doormaakt, zoals wij boven zagen, dan kan een formeel criterium licht onrecht doen aan de 'vanzelfsprekendheid'. Wanneer mr. Mulderije met de kerkvoogdij toch ook het terrein van het ambtelijke wil uitbreiden, dan is er zeker reden dit nog verder uit te strekken. Immers de kerkvoogd is de meest wereldlijke figuur die wij in de kerk kennen. Hij behoorde na de Reformatie tot de parochie en niet tot de gemeente.7 Hij behoefde geen lidmaat te zijn. Hij stond dus geheel buiten de clerus.

Wij hebben er voor te waken dat juridische bemoeiing ons niet buiten de oecumenische8 sfeer brengt. Overigens ben ik mr. Mulderije zeer dankbaar voor zijn waakzaamheid.

Voetnoten

  1. a

    A. F. de Savornin Lohman, Onze constitutie, p. 320.↩

  2. b

    Voetius en het gezag der Synoden, 1937, p. 4.↩

  3. c

    Dr. H. H. Kuyper, gec. bij M. Bouwman, Tweeërlei kerkrecht, 1944, p. 69↩

  4. d

    P. Schotten, Personenrecht, p. 633.↩

  5. e

    Hoge Raad 29 dec. 1911, Weekblad van het Recht 9272. De formulering is typisch negentiende-eeuws, toegesloten van het inzicht van het primaat der kerk, dat de strafwet wil zien als liggende in het verlengde van opzicht en tucht (o.a. A. A. van Ruler, Religie en politiek, p. 161 v.).↩

  6. f

    G.Voetius, Pol. Eccl.., di. III, gecit. bij F. J. Los, Nederlandse Geloofsbelijdenis, p. 257; H.Bouwman, Gereformeerd kerkrecht, p. 328 v.; G. J. Vos, Inrichting der vaderlandse kerk, p.47v.↩

  7. g

    Hand. Syn., Bijl. B, 1914, p. 332, in verband met de toenmalige herziening van het Reglement voor opzicht en tucht; Slotemaker de Bruïne, Nederlands hervormd Berecht, p. 68: beide bedoelen hetzelfde, doch volgen een verschillende weg.↩

  8. h

    Pompe, Handboek Nederlands strafrecht, p. 303. Voorts C. Frikkers, Ontzetting van rechten, dissertatie 1897, p. 12 en 27. Evenwel noemt Van Hamel, Inleiding tot het Nederlandse strafrecht, p. 540 het begrip ambt besprekende, bedieningen in andere dan openbare takken van dienst, bijv. verenigingen, kerkgenootschappen: beroepen.↩

  9. i

    Simons, Leerboek van het strafrecht, dl. 1, p. 404.↩

  10. j

    Pompe, a. w., p. 301; ook B. Kroonenberg, Ontzetting van rechten, dissertatie 1882, p. 5.↩

  11. k

    Van Hamel, a.w., p. 579; Buys, De Grondwet, dl. 1, p. 53.↩

  12. l

    30 jan. 1911, W. v. h. R. 9149. Bij verschillende latere arresten heeft de H. R. in soortgelijke zin geoordeeld, o.a.: 5 nov. 1934, N. J. 1935, p. 337, met concl. Adv. gen. Berger.↩

  13. m

    Weekblad van het Recht, Nos. 6427-1933.↩

  14. n

    Noyon, gezaghebbend strafrechtscommentator, tekent aan bij art. 31 W. v. str.: "men (d.i. de Rechtbank Den Haag) noemde hier trouwens de kerkelijke bediening ten onrechte een ambt."↩

  15. o

    Hof Leeuwarden, 29 okt. 1919, W. v, h. R. 10489,↩

  16. p

    Pres. Rechtbank 's-Gravenbage, 17 april 1934, N.J. 1934, p. 674.↩

Eindnoten

  1. 1

    WHNK. 30 (12.10.1946) nr. 41. In een tweetal artikelen in het Weekblad van de Nederlandsch Hervormde Kerk, 30 (26.5 en 12.10.1946) nrs. 25 en 41 getiteld Het kerkrecht als domeingebied 1 en 2, houdt mr. H. Mulderije zich principieel bezig met de verhouding van kerkelijk en staatkundig recht: "Op het raakvlak van kerk en staat rijst de vraag, welk het karakter der kerk is als rechtspersoon." Hij herinnert aan de in de wet op de Kerkgenootschappen van 10 sept. 1853 aan alle kerkgenootschappen gegarandeerde volkomen vrijheid tot regeling van eigen godsdienst. Dit geschiedt tegen de achtergrond van artikel 175 van de Grondwet, dat bescherming verleent aan alle kerkgenootschappen. De vrijheid wordt beperkt door de bescherming van de maatschappij en van de burgerij tegen overtreding van de strafwet (art. 174). Volgens M. is de kerk noch van publieken noch van privaten maar van eigen rechte. Hij gaat niet als Van Ruler (vgl. Religie en politiek, Nijkerk 1945, p. 161 vv.) uit van het primaat der kerk, waarbij de strafwet ligt in het verlengde van opzicht en tucht. Hij gaat uit van het geldende recht, dat gebaseerd is op de suprematie der algemene wet over de kerk. Toch erkent M. de eigen aard van de kerk. Deze brengt mee, dat wij ons met het Reglement voor opzicht en tucht op 'kerkelijk domeingebied' bevinden, waarop de overheid niets te zeggen heeft.

    De zaak was actueel in verband met de berechting van politieke delinquenten door de bijzondere gerechtshoven, waaronder ook predikanten kwamen te vallen. De staat kan niet van een ambt ontheffen, dat hij niet gegeven heeft. Wel moet in geval van bestraffing belemmering in de uitoefening van het ambt geduld worden. - Een tweede kerkelijk domeingebied ziet M. in bepaalde fondsen 'ad pios usus' (d.i. voor kerkelijk-godsdienstige doeleinden ingesteld).↩

  2. 2

    Mr. H. Mulderije (1896-1970), advocaat te Amsterdam, minister van Justitie van maart 1951-sept. 1952 in het eerste kabinet-Drees. Lid Kerkherstel, medeopsteller van het Akkoord (zie n. 50-1), lid reorganisatiecommissie voor het ontwerp-1938, lid Reorganisatiecomité. Diende de hervormde kerk talloze malen met juridische adviezen.↩

  3. 3

    Bedoeld zijn uiteraard de ambten van predikant, ouderling en diaken. Onduidelijk is het, waarom art. 2 niet genoemd wordt, waarin zij reeds voorkomen. Mogelijk omdat in dat artikel het diakonaat als volwaardig ambt niet geheel overtuigend naar voren treedt.↩

  4. 4

    Vgl. C. Suttorp, Jhr. Mr. Alexander Frederik de Savornin Lohman 1837-1924, Den Haag 1948, p. 327, n. 9 en 13. Zie ook VW., dl. 1, p. 387. Voor Lohmans visie zie Onze Constitutie, Utrecht 1901, 19264, bezorgd door prof. B. C. de Savornin Lohman, p. 325 vv.↩

  5. 5

    Art. 28 Wetboek van strafrecht: "De rechten, waarvan de schuldige in de bij de wet bepaalde gevallen bij rechterlijke uitspraak kan wordenontzetzijn ...;" onder lid 5 staat vervolgens vermeld: 'de uitoefening van bepaalde beroepen'.↩

  6. 6

    Zijn artikel Kerk of beweging (nr. 69) betekent de terugkeer van N. in de strijd. Hier en in Militia Christi (nr. 70) keert hij zich tegen een activisme en een institutionalisme, waarvan hij schade vreest voor een geestelijk functioneren van de kerk. Hij noemt ook als bedenkelijke ontwikkeling juist deze aanstelling van functionarissen. Hij vreest er secularisering van. Juist daarom echter wenst hij versterking van het kerkelijk en geestelijk eigene, niet zozeer vanwege het ambtelijk-institutaire als wel vanwege het gemeentelijkmissionaire aspect van het kerkzijn, zie zijn Het uitzicht der kerk (nr. 71) en zijn Instituut en volk (nr. 85).↩

  7. 7

    Zie Regeer en beheer (nr. 76).↩

  8. 8

    Voor de strekking van deze notie zie zijn juist in deze tijd verschenen artikelen Het Calvinisme en de Oecumene, 1dW. 1 (24.8, 31.8 en 7.9.1946) nr. 46, 47, 48, 49; Zoeklichten, p. 202 vv. (VW., dl. 6). Zie n. 70.8, 14, 22.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 74. LegendenvormingInhoud76. Regeer en beheer →