O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 73. Prediking en liturgieInhoud75. Discussie over een kerkrechtelijke kwestie →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 552–556

74. Legendenvorming1

Met een lezenswaardig artikel in het officieel orgaan der Nederlandse Hervormde Kerk2 herdacht dr. Emmen3 het tienjarig bestaan van Gemeente Opbouw4 Daarin merkt hij op dat "de reorganisatie-beweging in onze kerk was vastgelopen vanwege haar intellectualisme en burgerlijkheid". Het lijkt mij niet onnodig deze zinsnede5 even onder de loupe te nemen.

Wanneer Kraemer placht te zeggen dat deze beweging vóór de oorlog te rechtlijnig te werk ging,6 dan kon men dat laten gaan. Kraemer kwam uit de oecumene. De meridiaan die hij onder zijn voeten afschreed was langer dan dat gedeelte daarvan - laten we zeggen van Groningen naar Maastricht waarop wij ons bewegen, zolang wij ons bezighouden met onze eigen kerk. Zo'n betrekkelijk kort boogsegment heeft inderdaad enige gelijkenis met een rechte lijn. En aan iemand die gewend was met zijn tegenvoeters te confereren moet dat wel opvallen. Wanneer nu echter deze oecumenische klacht wordt vertaald als een rechtlijnige Hollandse beschuldiging en als daarvoor twee woorden gebruikt worden die zulk een beschuldiging er dik opleggen: intellectualisme en burgerlijkheid, dan verandert de zaak. Het eerste is het grote negentiende-eeuwse scheldwoord en het tweede het twintigste-eeuwse. En deze beide worden nu toegelegd aan de inwendige beweging onzer kerk, een halve eeuw lang, om van haar boeien vrij te komen. En dit gebeurde door de secretaris van het lichaam dat werd vrijgemaakt. Dat, zoals Hoedemaker het noemde in de allereerste jaren van de reorganisatiebeweging, onder een balk vandaan gehaald moest worden.7

Nu geloof ik niet dat dr. Emmen het zo erg bedoelt als het er staat. Hij zal deze woorden gebruikt hebben als een gemakkelijk te hanteren cliché. Daarom heb ik in de titel van dit artikel ook niet gesproken van historievervalsing, maar enkel van legendenvorming.

Ik heb toevallig de hele geschiedenis van 1886 tot 1938 mee beleefd. Ik herinner mij heel goed de argumenten over en weer uit de Doleantie-jaren. De kuyperiaanse argumenten waren rechtlijnig. Toen was het moeilijk er iets tegenover te stellen dat hout sneed. Hoedemaker trachtte dat te doen in de historische eerste jaargangen van De Gereformeerde Kerk en in zijn brochures. Hij smeedde daarin de slagzinnen die nu langzamerhand door ieder verstaan worden. Bijv.: 'Wij zijn samen ziek geworden, wij moeten ook weer samen gezond worden.'8

Toen Kuyper schreef dat Jan Rap en zijn maat in de Hervormde Kerk waren overgebleven, antwoordde Hoedemaker: Bij die Jan Rap en zijn maat behoor ik ook.9 Wat breedheid van opvatting betreft èn op het stuk van de belijdenis èn op dat van de kerk, heeft Hoedemaker zijn gelijke nog niet weer gehad.

Behalve aan hem denk ik ook aan Gunning, die in diezelfde eerste jaren zijn houding tegenover Kuyper moest bepalen. Hij gaf daaraan tenslotte uitdrukking door te zeggen dat het verschil van zedelijke aard was.10 Het zat niet in het intellect maar in het hart.

De gedachte dat Gunning mank ging aan burgerlijkheid is amusant vanwege haar absurdheid. Zijn verlangen naar de kerk, vooral in zijn latere jaren, werd door zijn tijdgenoten zo weinig begrepen, dat zij het aan seniele aftakeling toeschreven. Hij was bijna in ieder opzicht een oecumenische geest die de geestelijke meridianen afschreed tot ver buiten de horizon van Javastraat 100.a Dr. Emmen kan het in de eigen notulen dier synode nalezen hoe hij omstreeks 1900 door de synode bejegend11 is toen hij zijn nobele brochure Verlagen wij ons zelven niet had gepubliceerd en zich met Hoedemaker en anderen tot dat lichaam wendde om reorganisatie.

Toen wij onder leiding van zulke mannen een andere weg gingen dan de broeders die met Kuyper in de Doleantie waren gegaan, wisten wij niet waar wij zouden uitkomen. Wij wisten echter dat wij minder langs een rechte lijn moesten marcheren dan genoemde broeders, als wij zouden uitkomen in het kerkelijke land dat God ons wijzen zou. Deze mindere duidelijkheid van het doel en het minder consequente van de redenering karakteriseerden de houding van degenen die in de Hervormde Kerk bleven. Deze houding heb ik steeds, vergeleken met die van Kuyper, niet-intellectualistisch en niet-burgerlijk gevonden.

Tenzij men het bij Gunning zou willen wraken dat hij er tegen opkwam dat in de kerk ja en neen tegelijk zouden gelden.12 Daarmee heeft hij echter niet anders gedaan dan zijn oecumenisch geloof belijden. Hij kende het onderscheid tussen het christelijke en het heidense Rome, nl. dat het laatste geen ketters kende, het eerste echter wel.13 Het komt er maar op aan, op welke wijze men dat ja en neen kerkelijk zal onderscheiden. Maar met het laten vallen van de eis der onderscheiding, valt de kerk zelve. Hoe het moest, wist Kuyper scherper te zeggen dan Gunning. Hij meende dat tenminste, maar de historie sinds ±1900 heeft hem gelogenstraft. Gunnings vaagheid op het stuk van leertucht had positieve waarde.

Wij weten het nog niet en daarin ligt opgesloten dat wij nog geen eigenlijke kerkorde hebben. Het opschorten van de leertucht gedurende tien jaren14 is misschien geen onverstandige maatregel, maar het blijft toch een 'testimonium paupertatis', een bewijs van onvermogen. Kuyper en Sohm, twee antipoden, wisten beiden dat kerkrecht leertucht betekent. Daarom wilde de laatste geen kerkrecht, terwijl de eerste eveneens het kerkrecht vernietigde door de leertucht wel te willen.

Daartussenin loopt de weg dergenen die, als Gunning, een kerkorde zoeken die de kerk zelve niet verlaagt. Want wij mogen niet vergeten dat zij de intellectualisten zijn en dat zij de kerk vérburgerlijken die de onderscheiding der geesten willen nalaten omdat zij boven onze stand gaat. Nu wij haar tien jaar gaan uitstellen, neemt de kerk zolang vakantie ten opzichte van het eigenlijke doel van haar orde.

De onderscheiding der geesten is een oecumenische aangelegenheid. Zij kan eigenlijk alleen plaatshebben in een algemene kerk, door de Heilige Geest. Goede leertucht is het minst intellectualistische en het minst burgerlijke ding dat op aarde bestaat. Het is een getuigen van de Heilige Geest met onze geest (Rom. 8 : 16).

Ik kan niet zien dat Kraemer in dat opzicht hoger heeft gegrepen en dieper heeft gepeild dan Gunning. - Er is verschil tussen de oecumeniciteit van deze beiden. Die van Kraemer is meer horizontaal, missionair en is georiënteerd aan de incarnatie15 en daarmee vertonen zijn opvattingen verwantschap met anglicaanse kerkelijke en culturele gevoelens. Gunnings algemeenheid is verticaal gebouwd, meer van de wereld af, regelrecht op Godgericht. Met het oog op het ja of neen is zijn kerkidee zuiverder dan dat van Kraemer. Wanneer deze laatste in De roeping der kerkb beginselen en fundamentele levenshoudingen tegen elkaar over stelt en aan beginselen het gevaar van intellectualistische gebondenheid ziet, dan zou dat tegenover Kuyper kunnen gelden, maar het gaat niet op voor de reorganisatiebeweging, voor zover zij Gunning tot patroon heeft. Tegenover deze laatste is er een tekort bij Kraemer. Want de door deze laatste geponeerde levenshoudingen dragen in het praktische een soortgelijk karakter als de beginselen in het theoretische. Hoe diep men ook deze houdingen moge funderen, zij blijven een menselijk-existentiële aard behouden en brengen er iemand toe om, volgens de regels van het existentialisme, vanuit deze bestaanswijze, deze levenshoudingen over de waarheid te spreken en deze daaruit af te leiden. Hetzelfde wat men, op een ander niveau, met beginselen pleegt te doen.

De scherpte van de ja-of-neen-vraag gaat dan gedeeltelijk verloren, wat bij de zuiverden theologische en kerkelijke denk- en spreekwijze van Gunning niet het geval was. Deze ging meer regelrecht uit van het getuigenis der Heilige Schrift. Minder in existentiële als wel in expliciete zin. Niet de houdingen, maar de uitspraken komen dan voorop te staan. En zo eveneens bij de kerk, waarin het dogma als beslissing volle geldigheid krijgt. Daardoor moest in de algemeenheid van Gunning minder de incarnatie als wel het kruis op de voorgrond komen. Het kruis dat met zijn dwaasheid het intellect aller eeuwen heeft beschaamd. Want de incarnatie kan nog tot levenshouding en beginsel worden verbogen; het kruis echter niet. Het heeft geen zijnswijze waaruit men waarheden zou kunnen afleiden. Het is een uitspraak Gods zonder meer, die alleen regelrecht gepredikt kan worden.16 ⚑Dit was de oecumenische bepaaldheid die de reorganisatiebeweging voor haar kerkorde en daarmee voor haar leertucht begeerde. Misschien is kerkorde op aarde niet mogelijk. Maar de onderscheiding der geesten blijft aan de kerk opgedragen. Zij mag zich aan de moeilijkheid of onmogelijkheid daarvan niet onttrekken door horizontale uitwegen te zoeken.

Voetnoten

  1. a

    Het nummer, waarop de synode vergaderde.↩

  2. b

    P. 100.↩

Eindnoten

  1. 1

    IdW. 5 (15.9.1950) nr. 48.↩

  2. 2

    WHNK. 34 (26.9.1950) nr. 32. Titel artikel: Tien jaren. De hieruit in deze alinea geciteerde passage loopt aldus verder: "en vanwege de partijgeest, maar ondanks allerlei karikaturaal machtsstreven, leefde er in de diepte van de kerkelijke strijd toch nog iets van echte bekommernis over de waarheid Gods, zoals deze gepredikt en beleden moest worden."↩

  3. 3

    E. Emmen (geb. 1902), hervormd predikant o.a. te Breda en Haarlem, promoveerde te Groningen (1935) op De christologie van Calvijn, Amsterdam 1935, was secretaris-generaal der NHK. van 1947-1967. Kenner van de oecumene en leidinggevend daarin met name in de 'Geneefse' tak ervan. Zie n. 31.10.↩

  4. 4

    Een der werkgroepen van de Commissie van Kerkelijk Overleg, welke laatste door de synode kort na de Duitse inval ingesteld werd met de bedoeling om het grondvlak der kerk op gang te brengen. De commissie begon haar taak op 27.8.1940 met een rede van de voorzitter H. Kraemer. Zie n. 40.3; 70.2. (Vgl. H. Kraemer, De kerk in beweging, 's-Gravenhage 1947, p. 70-82 ) De andere werkgroepen bestreken de terreinen van: school, jeugd, zending, ziekenzorg, overheid, kerken, prediking, financiën, pers. N. was lid van de Kerkelijke Commissie, maar moest wegens reismoeilijkheden bedanken. Gemeenteopbouw (GO.) richtte zich tot de gemeenten om ter plaatse waarlijk kerk te zijn, belijdend en dienend, geen'hotel'. Vgl. A. J. Rasker,a.w.,p. 283 v., 296v. Devies: 'in gehoorzaamheid aan de H.S., staande op de bodem der belijdenisgeschriften'. Vgl. de sympathetisch-kritische opmerkingen van Th. L. Haitjema, Nederlands Hervormd Kerkrecht, Nijkerk 1951, p. 95 v.↩

  5. 5

    In een brief aan red. dd. 10.3.1980 schreef dr. Emmen "dat 'intellectualisme en burgerlijkheid' niet sloeg op de reorganisatiebeweging, maar op de situatie in onze kerk, die immer het werk van GO. heeft afgeremd." Op zichzelf genomen zou 'intellectualisme' natuurlijk op KO. en 'burgerlijkheid' op KHe. kunnen slaan. Grosso modo waren dat inderdaad de verwijten, die N. tegen beide bewegingen inbracht. Inmiddels is de reorganisatie ten tijde van het verschijnen van dit artikel bijna een feit. Zie n. 76.2; 76.5.↩

  6. 6

    Vgl. zijn artikel Kerkreorganisatie, in het tijdschrift Woord en Wereld, waarover n. 67.12, 13.Hierin het verwijt van 'intellectualistisch separatisme' (p. 5). Verwijt van K. ook wel: te 'kerkelijk' en 'leerstellig-organisatorisch'; zo in De roeping der kerk, 's-Gravenhage 1945, p. 19.↩

  7. 7

    Zie n. 22.10.↩

  8. 8

    Dit woord (in de formule van een leerling?) vat de hoofdlijn van Hoedemakers denken in zijn organische signatuur treffend samen, al is de vindplaats onbekend. Vgl. P. J. Kromsigt in Dr. Ph. J. Hoedemaker 1868-1908. Gedenkboek ter gelegenheid van zijn 40-jarige ambtsbediening, Leiden 1908, p. 86.↩

  9. 9

    Kuyper had in De Heraut van 5.12.1886 (nr. 467) voorspeld, dat er van de hervormde gemeente van Amsterdam (dit 'onreële kantoor' met 'geflatteerde balans en instortend crediet') zo goed als niets zou overblijven (naast 'onze' gereformeerde kerk) dan: "een vermengde hoop ... voor verreweg het merendeel bestaande uit Jan Rap en zijn maat, uit straatslijpers en komediegangers, uit stoïcijnse filosofen en onaandoenlijke Nutslieden"; immers: "Jan Rap loopt weg; zijn maat hem na; geen Moderne blijft over. . ." Hoedemaker antwoordde hierop in Waarom ik geen deel neem aan het Kerkelijk Congres, Amsterdam 1887, p. 14: "Toen de redacteur van De Heraut enige weken geleden zijn artikel schreef over 'geflatteerde balansen' antwoordde ik: Indien gij met uw 15000 getrouwen een dolerende kerk vormt, is 'Jan Rap en zijn maat' voor mij de voortzetting van de historische kerk onzer vaderen." Vgl. ook De nood ons opgelegd, Amsterdam 1908, p. 16.↩

  10. 10

    Voor de verhouding Gunning-Kuyper zie n. 30.7. Vgl. J. H. Gunning jr., De heelen en de halven, een woord aan de hervormde gemeente te 's-Gravenhage, ook naar aanleiding van de weigering van de kloosterkerk, 's-Gravenhage 1885, p. 26.↩

  11. 11

    Zie n. 67.7 en 63.21.↩

  12. 12

    'Onze kerk staat te hoog, naar de heerlijke geschiedenis harer wording en naar de gaven ... haar ook nu nog gebleven ... voor een toestand van ja en neen.' Vgl. Verlagen wij onszelve niet, p. 5 v.↩

  13. 13

    Vindplaats onbekend; mogelijk omschrijving van citaat, zie nr. 85, noot k. - Gunning identificeert en differentieert het antieke en het christelijke Rome. Voor het eerste vgl. De kracht der waarheid tot overwinning etc., 's-Gravenhage 1864, p. 15; alsmede De eenheid der kerk etc., Nijmegen 1896, p. 11 (noot 2); voor het tweede zie nr. 85, noot k.↩

  14. 14

    Geregeld in de overgangsbepaling 248 (ord. 11 -16-6). Inhoud: leertucht kan pas beginnen in 1961. "Teneinde de kerk de gelegenheid te geven zich op de rechte wijze in te stellen op de uitoefening van haar opzicht over de dienst des Woords en de catechese, treden ordinantie 11-15 en 11-6-1, 2, 3,4 en 5 (alle fasen van opzicht en tucht betreffend, die voorafgaan aan het eindoordeel, - red.) in werking op 1.5.1951, terwijl ord. 11-16-6 gedurende de tijd van 1.5.1951 tot 1.5.1961 als volgt gelezen wordt: 'De synode beraadt zich vervolgens over de tegen verkondiging en onderricht van de predikant ingebrachte bezwaren en brengt haar bij dit beraad aan de dag getreden inzicht ter kennis van de kerk'." Na 1.5.1961 luidt ord. 11-1-6: "Het eindoordeel der synode is met redenen omkleed en wordt, alvorens dit ter kennis van de kerk wordt gebracht, aan de Dienaar des Woords, aan diens kerkeraad, aan de classicale vergadering, waaronder hij ressorteert en aan de Raad voor de zaken van kerk en theologie in afschrift toegezonden."↩

  15. 15

    Vgl. O. Noordmans, Mysterie of boodschap, Zoeklichten, p. 83 vv. (VW., dl. 6).↩

  16. 16

    Veel van de hier genoemde noties vinden wij terug in dr. J. H. Gunning jr., Het Kruis, de waarheid voor wetenschap en kerk. Rede gehouden bij de aanvaarding van het kerkelijk hoogleraarsambt in de godgeleerdheid te Amsterdam 18 december 1882, Amsterdam 1882. Zo bijv. "Het kruis ... is niet een betoog ... maar een verkondiging. Want het geloof is uit het gehoor. Hieruit volgt dat de verkondiging van het kruis in de gemeente alléén recht heeft" (p. 15). G. meent, dat door de benoeming van twee kerkelijke hoogleraren te Amsterdam, waarvan de ander zijn antipode is wat de leer betreft, onze kerk verklaart "dat ze tussen ja en nee geen onderscheid ... meer kent" (p. 19). Wie het geloof der gemeente verloochent, "heeft ... geen recht in haar te werken of te leren" (p. 17, vgl. ook p. 18). Want "er is ketterij die in de gemeente geen recht van bestaan heeft" (p.36). Het fijne onderscheid tussen vleeswording des woords en kruis aangeduid in de aantekening 6 op p. 37 v.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 73. Prediking en liturgieInhoud75. Discussie over een kerkrechtelijke kwestie →