56. Kerkorde en beroep op de Schrift1
Omtrent het beroep op de Schrift ten opzichte van de bepalingen van Kerkorde is altijd veel te doen geweest. Professor Brouwer komt er in zijn belangrijke beschouwingen in De kerkorganisatie en wij ook telkens op terug. Hij wijst met de stukken aan dat er allerlei verschillen zijn aan te wijzen tussen de inrichting van de ambten zoals de gereformeerde kerken die thans kennen en dat wat wij in de oude kerk en de Schrift daaromtrent vinden. Daaruit blijkt zeer zeker dat een bloot-exegetische en historische beschouwing ons van de Schrift uit niet regelrecht bij Dordt behoeft te brengen.
Ik zal voor een beroep op de Schrift in de starre zin waarin dat menigmaal gebeurt hier niet een lans breken. Ik geloof ook dat wij met een concordantie en wat commentaren gewapend nog niet in staat zijn een bijbelse kerkorde in elkaar te zetten. De reformatoren hebben dat ook niet gedaan. Zij hebben in aanmerking genomen hoe de tijdsomstandigheden waren. Zoals de zaken nu staan, zegt Calvijn ergens,2 zullen we de dingen met die naam noemen en ze zo inrichten. Dat is verstandige en vrome taal.
"Er is", zo zei mij iemand die de kerkelijke wereld van heden buitengewoon goed kent, "er is wel bereidheid bij de mensen om iets nieuws te aanvaarden." En hij bedoelde daarmee dat de noden van de tijd groot genoeg zijn om niet dood te liggen om elke overgeleverde vorm.
Toch zou ik het erg jammer vinden als een beroep op de Schrift inzake kerkorde door zulke overwegingen geheel in diskrediet werd gebracht. Ik zou het niet alleen jammer vinden, maar geloof ook dat wij de kerk daarmee van haar wortel zouden afsnijden. Een beroep op de Schrift heeft zeker met exegese en historisch onderzoek te maken. Maar het gaat daarin niet geheel op. Teruggaan op de Schrift is het werk van het geloof en dat geldt niet alleen van geloofszaken in engere zin, maar ook van kerkelijke dingen. Voor het zaligmakend geloof hebben wij ook niet genoeg aan exegese en historisch onderzoek. Dan moet er ook kracht Gods tot zaligheid in het Evangelie (Rom. 1 : 16) zitten. Wij worden geen christen door van het Evangelie met historisch-kritische middelen een roman te maken, zoals Frenssen dat deed in Hilligenlei.3 Wij zijn dan op weg een heiden te worden.
Er zijn omtrent de oudste kerk ook zeer verschillende theorieën en constructies die zich buitengewoon aangenaam laten lezen, maar die ook min of meer de indruk van romans4 maken. Op zulke romans hebben Luther en Calvijn de Reformatie niet gebouwd. Op die manier zijn ze niet op de Schrift teruggegaan, toen ze voor hun kruiskerken een organisatie zochten. Hun beroep op de Schrift was niet literarisch of esthetisch; het was een werk van de nood en van het geloof. En zonder de Schrift zouden ze niet staande zijn gebleven. De kruiskerken zijn zo dicht mogelijk het kruis van Christus genaderd om bij elkaar te blijven en de eenvoud van de bijbelse voorschriften en beschrijvingen is voor hen een zwaard geweest waarmee ze pronk en praal, de hoogmoed en de tirannie van de roomse hiërarchie hebben weerstaan.
Zo'n teruggaan op de Schrift legt zich natuurlijk uiteen in een brede controverse die eeuwen in beslag neemt. Wanneer het lang duurt en heel andere tijden komen, zullen sommige van die argumenten, als ze maar steeds herhaald worden, vaak de indruk maken van dooddoeners te zijn. Ze kunnen dat ook worden. Maar men mag daarbij niet uit het oog verliezen dat het elementen zijn die tot een geheel hebben behoord en misschien nog behoren en dat ze in verband daarmee moeten beoordeeld worden.
Zo'n geheel argument is geen dooddoener. Het is de slingersteen, het argumentum ad hominem, waarmee in de geschiedenis der kerk een David een Goliath versloeg. Het is een geloofsdaad, een putten uit de Schrift door de Geest en met macht, waardoor de kerk een nieuwe toekomst tegemoetgaat. De kerken der Hervorming zijn op de Schrift gebouwd en wanneer wij nog enige samenbinding in ons geestelijk-protestants leven voelen, dan kunnen wij dat niet loslaten.
Zodra dat geloof in onze zaak ons gaat ontbreken, als we niet meer geloven dat het Gods zaak is, dan komt de traditie, zoals Rome die belijdt, als een ijzeren noodlotsmacht over ons. Het is niet toevallig dat Newman5 thans zo en vogue is. Het is geen kleinigheid als deze atleet des geestes op u aankomt. Wie de dissertatie van Van de Pol6 gelezen heeft, gaat rondom zich kijken of er niet ergens hulp bereid ligt tegen deze inderdaad dreigende, opdringende macht. ik geloof dat het enig verweer hierin ligt dat wij ook voor de kerkorde ons beroep op de Schrift vasthouden en volhouden.7 Wanneer wij het zelf niet doen, zal Rome het gaan doen. Rome zal de bijbel gaan waarderen als wij er mee klaar zijn. Het doet dit reeds, zoals het ook onze psalmen en gezangen voor de gemeente gaat aanprijzen. Rome, praktisch als altijd, weet dat het episcopaat in de storm der wereldgebeurtenissen althans tijdelijk kan weggevaagd worden. Dan houdt de protestantse gemeente haar bijbel nog. Rome erkent nu dat dit een foutief voordeel is. De traditie is een draad die breken kan. De Schrift is een fundament waarop men altijd weer bouwen kan.8