O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 56. Kerkorde en beroep op de SchriftInhoud56. Kerkorde en beroep op de Schrift – III →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 394–396

56. Kerkorde en beroep op de Schrift – II

II1

Prof. Brouwer is in het vorige nummer ingegaan op mijn beschouwing onder bovenstaande titel.2 Hij legt er nadruk op dat wij het er over eens zijn dat de afleiding uit de Schrift meer indirect dan direct is en dat het dan toch wel een zuiver praktische vraag wordt boe men de organisatie uitwerkt.

Nu geef ik dat indirecte graag toe, maar dat de vraag daarmee zuiver praktisch wordt, meen ik te moeten betwisten. Onder 'indirect' versta ik hier dat het geen zaak is van letterkundige uitlegging alleen. Er komt Geest en geloof bij te pas; de nood is opgelegd. Daarom zou men het ook kunnen omkeren en zeggen dat dit juist de directe, regelrechte toepassing van de Schrift is, waarmee God beslag op ons legt zodat wij zeggen: ik kan niet anders. - Maar zulke vragen noem ik niet zuiver praktisch. Dit laatste betekent voor mij veeleer dat men vele kanten uit kan; dat God het bij wijze van spreken verder aan ons overlaat; dat de toepassing van de Schrift in verschillende richtingen kan plaatshebben en dat we een keus mogen doen uit een aantal mogelijke uitleggingen zonder dat een hogere noodzaak ons bindt.

Dat het zo niet stond bij de eerste gereformeerden, daarover zullen wij het wel weer helemaal eens zijn. Deze hebben hun kerkorde geschreven met dezelfde zekerheid waarmee ze hun geloofsbelijdenissen opstelden.

Terecht zegt Lechler3 van de eerste synode: "In hun beraadslagingen ligt een zedelijke eenvoud en grootheid die aangrijpend zijn, een rustige waardigheid, een vreedzame en besliste kracht alsof haar leden handelden in volle vrede, onder de bescherming van de wet, terwijl ze toch een bijna zekere dood trotseerden." Ze maken de indruk alsof ze een aantal bijbelse axioma's opschrijven. Zoals er boven de Tien geboden staat dat God Israël uit Egypteland uitgeleid heeft, zo staat boven deze kerkorden: geen kerk zal over een kerk, geen dienaar des Woords, geen ouderling noch diaken, zal de een over de ander heerschappij voeren."4 Niet meer naar Egypte terug.

Pragmatisme, zuivere zakelijkheid in menselijke zin, is hier niet aanwezig. De Schrift is hier van éne uitlegging en de synoden zijn van énerlei spraak. De vraag is nu hoe ze tot die strikte bijbelse eenvoud zijn gekomen en of de zaak voor ons nog zo eenvoudig is gebleven. Want prof. Brouwer heeft gelijk als hij er op wijst dat Calvijn tussen de bijbelse ambten moest kiezen en dat wij anders zouden kunnen kiezen. Waarom geen apostelen meer en geen profeten en waar hebben wij de leraren of doctoren gelaten? Blijkt daaruit niet dat de kerkorde voor het grootste deel aan ons eigen believen is overgelaten of dat we, althans na goede exegese, mogen nemen wat ons past? ⚑Wij komen uit zulke vragen niet uit als we de mystieke achtergrond van kerkorde en kerkher-vorming niet laten gelden.

De Schriftuitlegging van Calvijn heeft een wereldhistorische maat.

Ze is van andere orde dan die welke bij Sohm5 of Lietzmann6 te vinden is. De exegese van Calvijn heeft het gedaan, meer dan drie eeuwen lang. Zij heeft een scheppende kracht geoefend en aan het leven in West-Europa zijn vorm gegeven. Had Calvijn het profetisch ambt gekozen, dan was hij wederdoper geworden. Toen hij de presbyter naar voren bracht, was daarmede kerkorde gegeven. Luther bracht geen kerkorde; de dopersen geen kerkorde. De instelling van het presbyterie, de regering van de ouderling bij de gereformeerden, betekende dat ook de protestanten een kerkorde konden hebben. Anders hadden ze er geen gehad. En daarom draagt deze inrichting met het volste recht haar naam naar de presbyter.

Hiervoor zou ik zeer bijzonder de aandacht van prof. Brouwer willen vragen. De commentaren van Calvijn hebben tweeërlei betekenis. Een wetenschappelijke; en dan mag men ze vergelijken met die van andere vakgeleerden van alle tijden. De reformator zal het dan op sommige punten wel moeten afleggen tegen Harnack7 of Lightfoot.8⚑ Ook tegen Newman9 en Batiffol.10 Maar de wereldhistorische waarde van zijn bijbelverklaring is een andere. En dan is hij minder gemakkelijk te weerleggen, want daarin legt de bijbel zich zelf uit en heeft God zelf de hand in het spel.

Mijn bezwaar tegen het boekje van prof. Brouwer is dat hij daarmee te weinig rekening houdt en de dingen te zeer op het literair-historisch vlak zet. Op dat terrein zijn inderdaad mooie vondsten gedaan. En de wijze waarop de schrijver de lezer daarmee in kennis brengt, in zo kort bestek, durf ik gerust meesterlijk te noemen.

Maar ik heb bezwaar tegen het 'en wij', dat hij in de titel opneemt. Want deze vondsten van vakgeleerden hebben geen directe gevolgen, misschien helemaal geen gevolgen voor de toekomst der kerk. Althans vergelijkenderwijs hebben ze dat niet. Vergeleken met een paar plaatsen in de Institutie en de commentaren van Calvijn, hebben hele bibliotheken vol historische studies nauwelijks invloed. Men moet aan Newman denken om weer iets te vinden dat daartegenover gewicht in de schaal legt. Maar dan zal de argumentatie dadelijk algemener, geestelijken, meer gespannen worden en we weten dan dadelijk dat het geen strijd is tussen teksten alleen, maar tussen geesten.

Ik heb in dit artikel geen ruimte om prof. Brouwer op alle punten die hij aanroert te volgen, ofschoon ik het graag wil doen. Maar één ding zou ik hier toch als voorbeeld van verschillende zienswijze nog willen noemen. Het kan dienen als illustratie van wat ik bedoel. Ik bedoel het ambt der doctoren. Gebruik makende van de formule voor het wereldhistorische, zoals Calvijn die gebruikt en die ik naar voren bracht in mijn vorig artikel, zou prof. Brouwer de kerkelijke professoren van nu als het vierde ambt willen zien. NI. 'zoals de zaken nu staan', want dat was de bedoelde formule.

Nu is voor mij dat wereldhistorische in de uitlegging der Schrift voor het creëren van een kerkelijk ambt een besliste vereiste. Men heeft veel getwist over de betekenis van het woord 'ambt'. Velen hebben gemeend dat er niet meer mee bedoeld werd dan een werk, een opdracht. Maar kerkelijk is er toch meer mee bedoeld. Het moet een vorm zijn die staan kan, liefst eeuwen. Wanneer men het niet zo lichamelijk uit de Schrift kan afleiden, dan moet men het liever een andere naam geven. Alles wat met de bijbel in verband gebracht kan worden is nog geen ambt. Wereldhistorische vormen zijn er niet zo heel veel.

Welnu, daar komt prof. Brouwer met de voorslag om de vijf à zes kerkelijke hoogleraren, zoals de zaken nu staan, als het vierde gereformeerde ambt te beschouwen. Hier kan ik niet goed meekomen. Gelukkig is het een stokpaardje van de schrijver en niet zijn eigenlijke rijpaard, zodat het niet erg is als we hier verschillen.

De kerkelijke hoogleraren zijn toevallige verschijningen; niet als professoren maar wel als kerkelijke professoren. Zij zijn geboren ten gevolge van een encyclopedische vergissing in 1876, toen de wetgever de theologie als academisch leervak verminkte.11 Die vergissing behoort zeer zeker tot de wereldhistorie, althans tot de vaderlandse kerkgeschiedenis. Maar daarmede heeft de figuur van het kerkelijk hoogleraarschap nog geen wereldhistorische betekenis gekregen. Dat 'zoals de zaken nu staan'12 mag niet 'zuiver praktisch' worden opgevat. Er moet een hogere noodzaak achter schuilen. Een ambt is een kerkelijke vorm, uit de bijbel afgeleid, waarin iets van de macht der schepping ligt. Toen Calvijn op het bord de pion van de ouderling trok, zette hij daarmee de paus schaakmat.13 Ik kan niet zien dat de voorslag van prof. Brouwer aan zulke voorwaarden voldoet. Waarom nu juist deze half buiten de theologische faculteit verdwaalde en door die omstandigheid in de kerk hospiterende functionarissen de aangewezenen zouden zijn voor een reïncarnatie van de oud-christelijke leraar of de calvinistische doctor wil mij niet duidelijk worden. En nog minder dat zij ten opzichte van de tucht een speciale roeping zouden hebben.

Het vierde ambt is in de christenheid en ook in het calvinisme zwevend gebleven. Het stelt voor: een spanning tussen belijdenis en theologie. Mystisch14 heeft de kerk de oplossing als zij de predikant 'herder en leraar' noemt. Maar een lichamelijke openbaring van het vierde ambt in de gereformeerde kerk zie ik nog niet komen! Daarvoor zijn de spanningen tussen kerk en school vooralsnog te groot.

Eindnoten

  1. 1

    KO, 6 (juni 1937) nr. 2.↩

  2. 2

    Zie n. 561.1.↩

  3. 3

    op 26.5.1559 kwamen afgevaardigden van de talrijke in Frankrijk geïnstitueerde gemeenten bijeen (in 1561 waren er reeds 2150) voor de eerste nationale synode te Parijs. Een geloofsbelijdenis en een kerkorde werden aangenomen en afgekondigd. Vgl. G. V. Lechler, Geschichte der presbyterialen und sandalen Kirchenverfassung seit der Reformation, Leiden 1854, p. 70.↩

  4. 4

    Zie n. 60.5.↩

  5. 5

    R. Sohm ( 1841-1917), jurist en historicus van het recht. Kent alleen de onzichtbare kerk; een zichtbare kerk bestaat niet; een zichtbare kerk is wereld; de kerk van God is vrij van elk recht. "Das Wesen des Kirchenrechts steht mit dem Wesen der Kirche im Widerspruch." Kirchenrecht 1, Leipzig 1982, p. 700.↩

  6. 6

    H. Lietzmann (1875-1942), hoogleraar N.T. o.a. te Berlijn en te Leiden, kenner oudchristelijke geschiedenis en letterkunde; schreef o.a. Messe und Herrenmahl, Bonn 1926 (19553). Zie ook n. 55.46.↩

  7. 7

    A. von Harnack (1851-1930), hoogleraar dogmengeschiedenis o.a. te Leipzig en te Berlijn (1888). Voor zijn discussie met Sohm zie n. 55.50; vgl. DG., p. 338 vv.↩

  8. 8

    R. H. Lightfoot (1883-1953), nieuwtestamenticus te Oxford, schreef o.a. History and Interpretation in the Gospels, Londen 1 93 5, werkte (kritisch) volgens de vormgeschiedkundige school.↩

  9. 9

    J. H. Newman (1801-1890), 1828 vicar St. Mary te Oxford, anglo-katholiek; 1845 overgang R.-K. kerk, 1847 tot priester gewijd, 1879 kardinaal. Zie ook VW., dl. 8.↩

  10. 10

    P. Batiffol (1861-1929), r.-k. kerkhistoricus op zoek naar de historische identiteit van christendom en rooms-katholicisme. Zie n. 55.37.↩

  11. 11

    Dwz. er in feite een faculteit van godsdienstwetenschap van maakte, ook al werd de naam 'Godgeleerdheid' behouden. Zie voor het ontstaan van de zgn. duplex orde: B. J. L. de Geer van Jutphaas, De wet op het hoger onderwijs, uit de stukken en de gehouden beraadslagingen toegelicht, Utrecht 1877; Honderd jaar 'Uit Egypte', Leidse opstellen over de scheiding van kerk en staat aan de openbare theologischefaculteit, bijeengebracht door P. A. H. de Boer en P. Sj. van Koningsveld, Leiden 1979.↩

  12. 12

    Zie n. 55.79.↩

  13. 13

    Zie VW., dl. 8, p. 434.↩

  14. 14

    Dwz. met diepe theologische samenhangen in de openbaring; daarom niet zuiver pragmatisch of rationeel te verstaan. Zie onder meer n. 15.20; voorts nr. 56III, 61 en 63.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 56. Kerkorde en beroep op de SchriftInhoud56. Kerkorde en beroep op de Schrift – III →