56. Kerkorde en beroep op de Schrift – III
III1
Prof. Brouwer is er met de beantwoording van mijn vorig artikel wat vlug2 bij geweest. Hij gaf, daartoe in de gelegenheid gesteld, een naschrift. Hij vroeg waarom ik niets zei over zending, over kerkvisitatoren en over de vrouw? Die waren door hem in het meinummer ook genoemd.
Nu staat het antwoord op die vraag reeds duidelijk in mijn vorig artikel. Ik schreef daar dat ik in dat artikel geen ruimte had om al die punten te behandelen, maar dat ik het graag wou doen. Waar het over ambten ging, drong de doctor zich het eerst naar voren omdat deze vanouds onder de ambten voorkomt.3 Wanneer hier een oplossing zal komen moet het hele vraagstuk van kerk en school er in betrokken worden. ⚑Ik ga hier dus eerst door met de beschouwingen in mijn vorig artikel, om dan in een afzonderlijk stuk de vraag onder de ogen te zien, die prof. B. in zijn naschrift opwerpt, of niet iedere kerkelijke denominatie op dezelfde wijze als ik het deed voor de gereformeerden haar ambtelijke inrichting uit de Schrift zou kunnen afleiden en of daarmee de zaak dan niet tot een zuiver-praktische aangelegenheid herleid is. Daarover dus nader. Hier kom ik nu op de punten die ik in mijn vorig artikel nog liet rusten. En dan moet ik beginnen met er op aan te dringen dat men hier scherp moet onderscheiden. Ik had er op de predikantenvergadering4 op gewezen dat de kerk bij Calvijn vier 'departementen'5 heeft; dat ze viermaal op het leven beslag legt. En nu komt prof. Brouwer met nog drie verdere departementen die hij voor onze tijd wil zien ingesteld: zending, visitatie en arbeid der vrouw. Hier staan de zaken heel anders dan bij de doctor. De gereformeerde kerk heeft hier geen uit de Schrift afgeleid afzonderlijk ambt, maar zij heeft wel, althans voor zending en diaconessenwerk, een zich steeds uitbreidend arbeidsveld, een dienst. De kwestie is dus hoe we ons de verhouding tussen die beide hebben te denken of, wanneer en onder welke voorwaarden een dienst tot een ambt kan worden.
Daarmee raken we een zeer wezenlijk punt in de kerkorde, dat in deze discussie duidelijk moet uitkomen. Het ambt bezit altijd enige kenmerken die uit de dienst alleen niet verklaard kunnen worden. Was dat niet het geval, dan zou de instelling van ambten inderdaad een zuiver-praktische aangelegenheid zijn waartoe iedere kerk kon overgaan als het haar gelegen kwam. En een andere kerk kon dat dan weer op een andere manier doen. Zo stelt prof. Brouwer het zich dan ook voor. De schriftuurlijke afleiding komt dan neer op het zoeken naar een letter.
Maar dat het zo niet kan zijn, leert ons al reeds de oecumenische gedachte en de oecumenische praktijk. Bij de discussie over de ambten in het debat rondom de reorganisatie kwam herhaaldelijk uit dat de verschillende kerken niet onverschillig zijn omtrent de opvatting der ambten bij haar zusterkerken. Er speelt hier mystiek onder: De Una Sancta spreekt mee; het begin en het einde laten zich gelden; het oer-christendom en de kerk van het einde, de hemelse kerk. Er is een structuur van het lichaam van Christus die in de Schrift mystisch gegeven is en die het laatste woord spreekt in het wereldhistorisch debat.6 Zo nuchter als prof. Brouwer het voorstelt liggen de dingen van de kerk toch wel niet.
Heel duidelijk komt dit uit bij de ouderling. Het ambt gaat bij hem niet restloos op in de dienst die de gereformeerde kerk hem heeft toebedacht. Er blijven mystieke trekken over die hun verklaring alleen vinden in de Schrift en in de geschiedenis der oude kerk. In het algemeen in de structuur van de Una Sancta.
Letten we nu op de drie diensten die prof. Brouwer tot ambten zou willen maken. Ik begin met de visitatie omdat dat het bescheidenste werk is. Zending en diaconessenarbeid hebben wijder aspect.
Welnu, prof. Brouwer behoeft zich tegenover mij zeker niet in een houding van verweer te stellen als het over de visitatie als dienst gaat. Reeds in het Algemeen Weekblad van 3 januari 19307 ben ik naar aanleiding van het toen aanhangig-zijnde reorganisatievoorstel van prof. Haitjema c.s. opgekomen voor een meer bemiddelende regeling van de kerkelijke tucht. In mijn brochure Beginselen van kerkorde van 1932 heb ik toen een lans gebroken voor een meer episcopale behandeling van de kerkelijke tuchtprocedure8 waarin dan de persoonlijke deelname tot uiting zou kunnen komen. En van toen af tot nu toe heb ik in verschillende commissies onafgebroken meegewerkt om dergelijke denkbeelden in artikelen te belichamen. Daarover gaat het dus allerminst. Waarover dan wel? - Prof. Brouwer brengt deze dingen naar voren om daarmee te kennen te ge ven dat er ten opzichte van de kerkelijke ambten geen numerus clausus bestaat. Hij wil er mee zeggen dat zo'n nieuw departement een nieuwe, indirecte afleiding uit de bijbel meebrengt en dus op een lijn staat met de anderen. Dat het een zuiver praktische aangelegenheid is.
Tegen deze voorstelling heb ik bezwaar. Bij de beschouwing van het werk van de kerkvisitator moet men wel degelijk rekenen met het verschil tussen ambt en dienst. Gaf men het de rang van ambt, dan kreeg het de mystiek der kerk om zich heen en zou men het op de duur van het episcopaat niet kunnen onderscheiden. De hiërarchie deed dan haar intrede. Dat dit niet enkel een kwestie van woorden is, weet prof. Brouwer even goed als ik. Het is bij de discussies in Kerkopbouw voldoende gebleken.9 Zuiver praktisch laten zulke zaken zich niet behandelen. Wie uit overdreven begeerte om gewoon en nuchter te zijn de laatste resten van mystiek uit de dingen gaat verdrijven, berooft ze van hun kracht.
Kerkelijke actie heeft minstens evenveel met mystische instincten te doen als met zakelijke overwegingen. Met intellectuele zakenmensen laat zich geen gemeentelijke beweging voeren. Men heeft toch het volk nodig en dat laat zich op dit gebied niets wijsmaken.
Ik moet dus mijn bezwaren tegen de m.i. veel te rationele behandelingswijze van prof. Brouwer handhaven. Ik geloof niet dat men de reeks der ambten naar willekeur verlengen kan door het inschakelen van een dienst, ook al is deze nog zo nuttig. De differentiatie van de kerkelijke ambten is aan heel bijzondere voorwaarden gebonden en daarmee moeten wij rekening houden. Wie de kerkvisitatie in volle zin ambtelijk maakt, moet er rekening mee houden dat hij de bisschop heeft ingehaald.