55. Kerkorde1
Mijn onderwerp klinkt erg droog. Voetius, Rutgers, Vos, Douwes en Feith,2 dat klinkt niet erg aantrekkelijk voor een referaat na de wintercam pagne. De man die de oude kerkorden gebundeld heeft, draagt zelfs een zeer droge naam: het is Hooijer.3 Wat moet dat nu worden?
Dat past slecht bij het karakter van deze vergadering. In uw onderbewustzijn schuilt op deze morgen een verzet tegen mijn onderwerp. Künkel4 zou geen moeite hebben het er uit te halen. Er zit vanmorgen een verzet tegen orde in het algemeen, niet in uw bewustzijn maar onder de drempel ervan. En daarom schijnt mijn onderwerp mal à propos.
Toch behoef ik niet bang te zijn voor de confrontatie van mijn stof met deze vergadering. Althans dan moet het aan mij liggen. De geschiedenis van de kerkorde, van het Decretum Gratiani5 tot op Douwes en Feith, heeft meer van een sprookje dan van een dorre kroniek. En de vragen van kerkorde zijn momenteel brandender dan enige andere. Wat er vastligt in de kerkelijke wetboeken is een zeer geladen stof. Het betreft de verhouding van Geest en Orde, Gave en Recht, Waarheid en Oudheid, Profetie en Liefde. Hier, op deze scheidslijn, liggen de hoogste spanningen van ons aardse bestaan. De grote avonturen van ons geslacht worden hier beleefd. Want die Geest en die Gave en die Waarheid en die Profetie zijn uit God en van God. De scheppende almacht Gods zit erachter. Als een leeuw brult, wie zou niet vrezen; als de Here spreekt, wie zou niet profeteren/6 (Amos 3:8). Kerkrecht moet op dat alles van die Geest en die Gave en die Waarheid en die Profetie orde en regel stellen? Is dat geen hopeloos ondernemen? Het is een heel ding als er een hoepel geslagen moet worden om de vurige raderen van de wagen Gods (Ez. 1 : 1-28).7
En toch begint het al in de bijbel, lang voor de Pastoraalbrieven. Paulus geeft in de eerste brief aan de Korinthiërs (1 Kor. 5-14) reeds een uitvoerige kerkorde. Aan het slot zegt hij dat God geen God van verwarring maar van vrede, d.i. van orde, is en dat Hij wil dat alle dingen met orde geschieden (1 Kor. 14 : 33, 40). Hij zet dan in 1 Kor. 13 de Liefde, het rekenen met de andere leden der gemeente, het hoogst en daarmee is in beginsel de centrale ordening van de gemeente zoals wij die nog kennen reeds gegeven. De vrije geestesgaven alle zullen zich daarin hebben te schikken. De orde en de liefde zijn ook uit God. En dan begint in de kerkgeschiedenis het gevaarlijk spel van kerk en orde en houdt niet op en zal niet ophouden.
De vrije bespiegeling (gnosticisme)8 wordt teruggedrongen door de traditie der presbyters. De vrije profetie vindt in de bisschop9 haar meerdere (Montanisme).10 En de rechten vande onstuimige martelaar (Donatisme)11 vinden hun grens in de kwaliteiten van de pastor. De vraag naar de kerkorde komt weer onder de volle aandacht van de huidige christenheid. Zij is altijd actueel. Onze controverse daarover, zegt terecht de Leuvense Minderbroeder Van den Eynde12 in zijn boek over De normen van de christelijke onderwijzing, is van evenveel belang als die over de Triniteit en de christologie. Dat wij daaraan ontwend zijn, ligt aan de vreemde organisatie, het burgerlijk reglement op orde en rust, waaronder wij al meer dan honderd jaar zitten. Alleen diezelfde eigenaardige, vreemde orde, die meer dan honderdjaar lang in onze kerk geheerst heeft, maakt dat we ontwend zijn aan de echte kerkorde, deze merkwaardige grenslijn tussen tijd en eeuwigheid, waarlangs de kerk haar historie beleeft. Voor ons onheilig reglement op orde en rust hebben wij de 'kansen der kerk'13 verkocht. "Wij zijn gewichtig in het kleine maar klein in het grote" (Touw).14
De Reformatie is in de hervorming van de kerkorde nog radicaler geweest dan in die van de leer. Want ten opzichte van de laatste liet ze de eerste eeuwen staan. Nicea en Chalcedon heeft ze geëerbiedigd, ofschoon Calvijn op de grens geweest is van het niet te doen.15
Voor de eerste (d.i. voor de kerkorde) gingen ze tot de oorsprongen terug, de eerste beginselen in de Schrift, in de Handelingen en de Brieven. En aan de soberheid waarmee ze enkele regels uit de Schrift afleiden merkt men dat de schrik voor de ceremoniën er diep inzit. Het pauselijk wetboek, het canoniek recht, heeft voor Luther een 'antichristelijke en duivelse' inhoud, 'het is een vergiftigd en gruwelijke leer die stinkt naar louter gierigheid en geweld'. Daarom verbrandt hij liever die boeken 'waarin niets goeds is'.16 Luther heeft het hele canonieke recht gedaan gegeven. Hij wilde van de roomse kerk wel het dogma maar niet de ceremoniën overnemen. Juist toen het katholieke kerkrecht ongeveer klaar was, toen de hiërarchie met de paus de grote reformconcilies de baas was geworden, heeft de Wittenberger monnik er voor een groot deel der christenheid een eind aan gemaakt. Dat is een ding geweest dat Luther het canonieke recht aan 't vuur overgaf. Daar zitten we nu Zonder kerkrecht. Zullen we niet, zoals Harnack met het dogma deed,17 het met de Reformatie laten ophouden en er een grote monografie van maken? Zullen we het er zo bij laten zitten en zeggen: Wij gaan naar de bijbel terug; wij hebben met het Decretum Gratiani en de Decretalen18 niets te maken? Maar waar zullen wij dan beginnen?
Hebben wij nu een nieuwe kerkorde alleen naar eis van de omstandigheden?
Kunnen wij de kerk inrichten zoals wij willen?
Dat is de moeilijke vraag geweest waarvoor de reformatoren stonden en waarvoor wij nog staan.
Luther had een zeer mystisch kerkbegrip. En hij aarzelt sterk als het erop aankomt, een kerkorde op te stellen. Het voorbeeld van de nieuwtestamentische gemeente heeft hem voorgezweefd. Hij wil zich aan het Woord houden, evenals in de avondmaalsvraag. Maar een kerkorde dorst hij niet inrichten. Het Woord prediken, dat moest. Maar een christenvolk met tucht en armenzorg, hoe dat zou kunnen, dat zag hij in 1526, toen hij de Deutsche Messe schreef, niet.
Een geordende vergadering, waarin men met het Evangelie zou kunnen regeren, dat leek hem te hoog gemikt voor deze wereld.19 Voor de christenen zelf vond hij 't ook niet nodig. Die hadden de kerk in hun geloof. De inrichting is voor degenen die nog geen christen zijn, voor de zaligheid is zij niet nodig. Dat hadden de pauselijken moeten bedenken.20
Een kind kan weten wat de kerk is, zo schreef hij in Schmalkaldische Artikel, nl. "die heiligen Gläubigen und die Schäflein, die ihres Hirten Stimme hören".21 Maar zo'n inrichting? Dat ging niet. Althans niet in Duitsland. "Denn wir Deutschen sind ein wild, roh, tobend Volk mit dem nicht leicht ist etwas anzufangen, es treibe denn die höchste Not."22 Als een synode te Homburg kort daarop (1526) de gemeente met tucht en ambtskeuze wil inrichten, raadt Luther het af om "solch ein Haufen Gesetze mit machtigen Worten hei uns vorzunehmen".23
Men moet prediken als onder de heidenen en de Turken. Niet de christen, maar de zondaar heeft Doop, Woord, sacramenten nodig. En vooral het jonge volk, voor hen zou Luther met alle klokken willen luiden en met alle orgels pijpen. De fout van Rome was dat het dat voor de zaligheid nodig vond. Veel verder dan de prediking in een volkskerk wilde Luther niet gaan.24 Het Woord moet het doen. Daartoe beperkt zich hoofdzakelijk zijn teruggaan op de Schrift. Wat Luther voor de kerkorde nauwelijks gedaan heeft: op de bijbel teruggaan, dat deden de gereformeerden wel. Of zullen we dat voor een vergissing verklaren?
We staan hier voor de grote moeilijkheid van toen en nu. Nogmaals: zij is ontstaan door Luthers daad. De hele hiërarchische bouw van christelijk leven, waaraan vijftien eeuwen hebben gearbeid als aan een geestelijke domkerk en waarin de hele christenheid zich liturgisch beweegt, waarin de keizer z'n knielbankje heeft evengoed als de bedelaar, niet alleen als mens maar ook als drager van de kroon... En die hele bouw viel in stukken en dat zo opzettelijk dat men met haast bijgelovige vrees is bezield voor de verspreide resten. Luther is bang voor wat tucht en armenzorg onder het christenvolk. De gereformeerden zijn bang voor feestdagen en orgels. 't Mocht eens naar Rome terugvoeren! De Pilgrimfathers25 vluchten naar Amerika voor de liturgie. De Engelse Presbyterianen laten zich inkerkeren om hun tegenzin tegen het episcopaat.
Deze tabula rasa, aangericht door de reformatoren, m.n. door Luther in zijn handelen met betrekking tot het canonieke recht, te weten het slopen van de hiërarchische bouw, betekent een geestelijke nood, die wij nog niet te boven zijn. Integendeel, wij beginnen hem steeds beter te voelen. Dat komt tot uitdrukking in de verscherping van de tegenstelling presbyteriaal en episcopaal, zoals die onder ons opleeft.
De vraag die daarmee gesteld wordt is deze: kunnen wij voor de kerkorde even scherp op de Schrift terugvallen als voor de geloofsleer? Of liever, kunnen wij dat nog radicaler doen, zodat wij, uit kerkrechtelijk oogpunt, zelfs de vier eerste klassieke eeuwen der kerk wraken? In die vooronderstelling schijnt iets ongerijmds te liggen. Want Luther en Calvijn zijn het erover eens dat wij voor de zichtbare kerk niet met het geloof oordelen maar met een judicium caritatis, zoals Calvijn het noemt in de Institutie.26 De dingen liggen hier minder absoluut dan in de geloofsleer. Kan men hier dan zo regelrecht op de bijbel teruggaan en nog strakker dan in de dogmatiek de oude kerk uitschakelen?
Op deze vraag zijn verschillende antwoorden gegeven. De Engelse kerk deed het anders dan de Reformatie. Calvijn weer anders dan Luther, de Independenten27 anders dan de Presbyterianen. En intussen bouwde Rome het canonieke recht uit. En de nood van onze tijd opent de kwesties van kerkorde weer.
De ideeën die daarachter schuilen komen weer in werking. Men zou misschien kunnen zeggen dat die ideeën elkaar zoeken. Rome is nog zeer gesloten, maar het gaat sommige elementen in het protestantisme positief waarderen. Het beseft dat de bisschop en de ceremoniën kunnen wegvallen en het merkt wat de protestanten dan vóór hebben. Het tracht de schade in te halen en dat brengt ons dicht bijeen.
De anglicaanse kerk en het machtige blok der Presbyterianen met hun veertig miljoen leden bezinnen zich op de hulpmiddelen die hun ten dienste staan om de leiding te nemen in de oecumenische beweging.
Alleen achter de organisatie der Hervormde Kerk zit geen idee. Het is een orde, maar geen kerkorde. Het is een vreemde orde, een anomalie (De la Saussaye).28 De kortste formulering van de vraag of wij voor kerkorde regelrecht op de Schrift kunnen teruggaan of niet, is nog altijd: hoe verhouden zich bisschop en presbyter?
Men kan de vraag couperen en zeggen dat de bisschop thuishoort in het canonieke recht dat we nu juist gedaan hebben gegeven. Men kan ook zeggen dat de ouderling, waartoe men ook de predikant kan rekenen, een creatie is van de Reformatie, een creatie die met de presbyter uit Handelingen en Brieven slechts de naam gemeen heeft, zodat de afleiding uit de bijbel een gereformeerde fictie is. Dit is voor een groot deel waar. De magnifieke bisschop hebben wij bij d, Reformatie voorgoed achter ons gelaten. Men moet het begin van het vierde boek van Calvijns Institutie lezen of de Admonitio29 achter de Liturgia Sacra van Valerandus Pollanus voor de Franse vluchtelingengemeente te Londen om onder de indruk te komen dat men toen een gewoon mens de prediking heeft opgedragen in plaats van een relaat. En zo is het ook voor een groot deel waar dat de gereformeerde kerkorde iets volkomen nieuws is en dat haar afleiding uit de bijbel althans zeer geforceerd is.
Prof. Brouwer heeft pas een mooi boekje geschreven over De kerkorganisatie der eerste eeuw en wij.30 Hij bespreekt deze dingen zoals wij van hem gewoon zijn op grondige en tegelijk voor ieder verstaanbare wijze. Hij laat zien dat de spaarzame gegevens van Schrift en Oude kerk voor verschillende constructiën vatbaar zijn en dat we niet noodzakelijk bij Genève of bij Dordt hoeven uit te komen. Toch meen ik dat een exegetisch en historisch onderzoek voor zo'n teruggaan op de Schrift niet alles is.
Het is een geloofsdaad die blijkens Calvijns Institutie en commentaren en blijkens Voetius' Politica Ecclesiastica31 met exegese wel te maken heeft, maar er niet in opgaat. Ons zaligmakend geloof gaat ook niet buiten exegese om, maar gaat er niet in op. We komen niet bij Paulus uit maar bij God.
Zulk een geloofsmacht is er ook in het beroep op de Schrift van de gereformeerden. Ik had dezer dagen een der eerste gereformeerde kerkorden in handen van de Franse vluchtelingen uit Straatsburg te Londen van 1551, de Liturgia Sacra van Valerandus Pollanus. (Het boekje is vermoedelijk het enige exemplaar in ons land, de Universiteitsbibliotheek van Groningen was zo vriendelijk het mij te lenen.) Deze kerkorde zal een weergave zijn van die te Straatsburg, toen Calvijn er predikant was, vóór zijn terugkeer naar Genève in 1541. Wanneer men de hoofdstukjes leest, komt men sterk onder de indruk van het geloofsgehalte in dat teruggaan van de kerkorde op de Schrift. Zulke kerkorden waren tegelijk apologieën. Evenals Tertullianus' Verdediging der Christenen32 willen ze laten zien: zo leven wij, hervormde christenen, nu wij het canonieke recht, de bisschoppelijke praal en heerschappij hebben weggedaan. De ceremoniën zijn er af en het christelijk leven is onverminkt gebleven. De ambten zijn helemaal diensten. De oudste kerkorden zijn liturgieën, geen reglementen. De hoofdstukken zijn: 1. Liturgie voor de eredienst op zondag; 2. Liturgie voor het Heilig Avondmaal; 3.Voor de zondagmiddag of de Catechismus; 4. Over de avondgodsdienstoefening; 5. Liturgie voor de weekdienst; 6. Liturgie voor biddagen; 7. Liturgie voor de doopbediening; 8. Liturgie voor de huwelijksinzegening; 9. Liturgie voor ziekenbezoek; 10. De bevestiging van de dienaren; 11. Over de kerkelijke tucht.
Zo'n kerkorde is wat ze ook héét: Liturgia sacra. Het is een beschrijven van het gewijde leven van een kruiskerk, die zo direct mogelijk op de instellingen van Christus wil teruggaan: het Evangelie, het Onze Vader, Doop, Avondmaal, enz. Met macht wordt al het andere afgewezen. ⚑Als ze zeggen - zo luidt het in de voorrede33 - dat de waardigheid van de dienst des Woords wordt neergehaald bij ons, dat lijkt zo, maar't is zo niet. Want wat waardigheid van de eredienst betreft staat het voor zover wij ons herinneren vast dat die praal en weelde geweest is. Wanneer de predikanten hun ambt eerlijk vervullen, zal de Heilige Geest overvloedig waardigheid, lof, glorie en alle eer verlenen. Wat we zien dat aan zovele heilige mannen na de apostelen is te beurt gevallen, die zonder deze pracht de kerk van Christus op de allerheiligste wijze hebben geregeerd. - Want er is geen waardigheid van oudheid zo groot noch gezag van oude vaderen, die iets vermag tegen Gods gezag en de opbouw der kerk!
Hier zijn we buiten het bereik van de exegese en het historisch onderzoek zonder meer. Niettegenstaande alles komen wij hier toch tot de bijbel. Wij kunnen op exegese alleen geen kerken bouwen. De hervormde kerken zijn op Schriftgelóóf gegrond. Natuurlijk hebben daarbij ook uitwendige omstandigheden meegewerkt. Ook de exegese en ook verkeerde exegese.
Maar het teruggaan op de Schrift is inzake kerkorde bij de gereformeerden van veel grotere betekenis geweest dan bij Luther. En het bestand dezer kerken, zoveel eeuwen lang en nóg en nu juist in deze tijd, bewijst dat dit geloof niet beschaamd is geworden.
Wij staan thans voor een andere vraag, waarop onze Liturgia Sacra als vanzelf brengt. Ons frappeerde dat het meer een liturgie dan een kerkorde lijkt. Een beschrijving van het gewijde christelijke leven in zijn voornaamste momenten, in alle eenvoud, in de hoogst denkbare bijbelse soberheid. Het lijkt zo weinig specifiek gereformeerd en doet denken aan Luthers Grote Catechismus, waar hij van de kerk zegt dat zij "ein heiliges Häuflein ist und Gemein auf Erden, eitele Heiligen".34
⌫Daardoor⚑ wordt ons de vraag gesteld: Wat moet een kerkorde zijn: een liturgie of een organisatie van ambten? In het eerste geval staat het leven voorop, realistisch opgevat; de incarnatie is dan de grondslag der kerkorde; de orde is sacramenteel. In het tweede geval, bij de ambtelijke kerkorde, staat het gepredikte Woord voorop en de sacramenten zijn daarvan de zegelen.
Ten grondslag ligt de herschepping door de Heilige Geest door het gepredikte Woord. Men ziet de tegenstelling scherp als men naast elkaar legt de Liturgia Sacra van Pollanus en de kerkorde die de Synode van Embden35 aannam. De eerste is helemaal liturgisch, de tweede organisatorisch, ambtelijk.
Een meer gemengde vorm zijn de Christelijke Ordinantiën van Micron,36 de Kerkorde van de Hollandse vluchtelingengemeente te Londen, gedrukt te Embden in 1554. Ook deze zijn nog overwegend liturgisch. Die liturgieën passen dan bij Calvijns eerste boek, de kerkorde van Embden bij Calvijns vierde boek.
Waar moeten wij nu met dit verschil heen? Om hierin licht te krijgen moeten wij vragen naar het kerkbegrip van de katholieken. De leer van het mystieke lichaam van Christus dat op aarde zichtbaar wordt en dat een voortzetting is van de incarnatie nadert heel dicht aan de spirituele opvattingen der reformatoren. Hier zou men bijna van een aanrakingspunt kunnen spreken. Maar hier moet ook beslist worden of de Reformatie duurzaam is of niet; of ze nodig was of niet.
De roomse schrijver Batiffol, die in een mooi boek, l',Église naissante,37 de opvattingen van Sohm, Harnack e.a. over het ontstaan van het katholicisme bestreden heeft en in het spoor van Newman heeft gewerkt, legt de vinger bij een plaats uit Tertullianus,38 die aldus loopt: Corpus sumus de conscientia religionis, de disciplinae unitate et spei foedere.39 Wij zijn een lichaam vanwege belijdenis des geloofs, eenheid van zeden en gemeenschappelijke hoop. Maar de kerk.is concreet een volk, want het geloof is niet potentieel maar het gaat over in actie. De bekering is individueel maar de volharding is collectief. 't Is een organische levende eenheid van een volk, dat toch geen ras is van vlees en bloed. Het christendom is een collectiviteit, reëel, zichtbaar, verspreid over de hele aarde. Dat hangt samen met het katholieke geloof, het apostolisch geloof: maar de eenheid gaat dieper. Want zij omvat het hele kerkelijke leven, de liturgie, de discipline, in onderwerping aan de hiërarchie. De kerk is een organisme. Als de adem in Adam, zo is het geloof in de kerk. En de Heilige Geest vernieuwt steeds beide: het geloof en het lichaam der kerk. ⚑Karl Adam, een katholiek apologeet, zegt dan ook in Het wezen van het katholicisme: "Het dogma is Christus' stempel; de zedeleer vormt de gelovigen tot een tweede Christus en de eredienst is een deelhebben aan Christus."40 Alles is eerst concreet, dan pas abstract. Het ambt duikt hier dus helemaal onder in mystisch-realistische wezenheid van het lichaam der kerk. Het bedoelt liturgische vertolking van het leven der kerk, een oplossing die vooral heden ten dage bij de katholieken gaarne naar voren wordt gebracht.
De vraag naar het ambt is een vraag naar het katholicisme en naar de Reformatie tegelijk. Blijft het ambt als men op de bijbel teruggaat? Of wordt het dan alles geest, leven, charisma, dat zich met een ambt niet verdraagt? Is het ambt de facto niet charisma, de Geest, of is het de iure niet de aanstelling?
Deze vragen naar het katholicisme kan de protestant niet helemaal ontgaan. Hij kan niet zo vlak op de bijbel teruggaan dat hij er aan ontkomt. Paulus heeft er zich reeds sterk mee beziggehouden. 1 Korinthe 13 is een katholiek hoofdstuk, waarvan Augustinus in zijn werken de toepassing heeft gegeven als hij de liefde katholiciteit41 noemt. In 1 Korinthe 14 geeft Paulus zelfde eerste toepassing. De gave der talen, waarin God het subject is, wordt teruggezet. De gave der profetie, waarbij de profeet zelf het subject is, wordt naar voren gebracht. Er is in de profetie meer kerkorde - de geest der profeten is aan de profeten onderworpen. Daarom moet men ijveren om te profeteren èn ... het spreken met talen niet verbieden.
Wanneer men dit alles nu, zoals de reformatoren willen, in bijbelse zin vergeestelijkt, zoals Calvijn doet bij het Heilig Avondmaal; als men voor het mystisch-lichamelijke, het concrete, niet het abstracte maar het gelovige neemt, dan loopt men gevaar de ambten kwijt te raken en alleen de liturgische levensvormen over te houden. De anglicaanse kerk heeft dit voorkomen door haar fijn naturalisme.
Luther heeft zich staande gehouden door zijn letterlijke hantering van de Schrift, zowel bij het Heilig Avondmaal (dit is mijn Lichaam) als bij het ambt. Hij poneert het predikambt en dat ook alleen, op een bijbels-letterlijke, haast plompe wijze. 'Das Wordt sic sollen lassen stahn.'42 Dat is Luthers realisme, het realisme van de letter, waarmee hij mèt het sacrament althans één ambt uit de brandstapel van het canonieke recht redt.
Het debat daarover, zoals het bijv. tussen Voetius en Schultingius43 gevoerd wordt, was vooral exegetisch. Later draagt het ook een historisch karakter. Er is reeds heel wat meer tekening gekomen in de geschiedenis der oude kerk, ook bij schaarse bronnen. Maar ook in het wetenschappelijk onderzoek werken de religieuze motieven heel sterk. Sohm in zijn Kirchenrecht wil met Luther naar het priesterschap der gelovigen, het charisma, terug.44 Batiffol wil het hele katholicisme in nuce reeds in de bijbel, zelfs in de evangeliën aantreffen.45 ⚑Wij kunnen bij dit debat niet lang stilstaan. Het gaat om de tegenstelling van Geest en orde, de rangschikking der charismata in de eerste of de laatste zin, naar de maatstaf van Gods subject zijn of naar die van het menselijke subject zijn.
De glossolalist is de charismaticus pur sang. Hij heeft geen macht over eigen geest en tong. De tong is op zijn hoofd, het is Gods tong. De profeet heeft ook een charisma, maar zijn geest is aan hem onderworpen: hij kan met zijn gehoor rekenen. De bisschop of opziener is er helemaal om de gemeente. Hij is wat Lietzmann heel tekenend noemt 'beamteter Pneumatiker'.46 Volgens een oordeel der liefde vooronderstelt men dat hij een charisma heeft. En voor zijn ambtsbediening is de orde, de gemeente bepalend. Wat moet nu voorop staan: de Geest of de orde, het lichaam der gemeente uit 1 Kor. 12, de katholieke liefde uit 1 Kor. 13?
Het is merkwaardig dat moderne onderzoekers als Lietzmann geneigd zijn het eerste te zeggen: "die Substanz der Kirche ist Geist" zegt Lietzmann.47 Dat is een metafysische bepaling die men niet op gezag van de historicus behoeft over te nemen. Er zit een stuk romantiek in en het is nog altijd te merken dat de moderne historische wetenschap uit de romantiek is voortgekomen. Batiffol - wij zagen het al - zegt precies het omgekeerde: "Wij zijn een lichaam".
Daar staan ze dan vierkant tegen elkaar over: de modern-historische bewering dat de kerk Geest is en de katholieke opvatting dat zij corpus is. Dat is niet de tegenstelling tussen reformatoren en katholieken, maar wij mogen het modern-historische onderzoek er toch niet geheel buiten laten. De zaak zelf echter moet op reformatorische grondslag worden uitgevochten (vgl. de uitspraak van Van den Eynde).
Over het algemeen kan men zeggen dat historisch-wetenschappelijk protestanten en katholieken wel dichter bij elkaar gekomen zijn. Het werk van rooms-katholieke geleerden, die zoals Batiffol het noemt in het kielzog van de grote ideeën van kardinaal Newman hebben gewerkt, heeft wel invloed gehad. En van de andere zijde beweegt zich het historisch onderzoek, zoals ook ten opzichte van het Oude Testament en op zo menig ander gebied, in de richting van de traditie.
Laten wij de tegenstelling van Geest en lichaam nader bezien. Dat de substantie der kerk Geest is, heeft Sohm het meest consequent uitgewerkt. De christenheid is voor hem enkel georganiseerd door de charismata. De kerk orde is orde naar de mate der geestelijke gaven. Ze is feitelijk en niet juridisch. De kerk heeft geen orde, maar er treedt incidenteel orde op in de kerk, overal waar de gave verschijnt. De pneumatici regeren de gemeente. Leergave is regeergave. Ook de tucht wordt incidenteel gehandhaafd door de pneumaticus.
De zuivere charismata zijn bekend: glossolalie, profetie, leer. De leer is, zoals bij Paulus, tevens zedeleer en daardoor hangt dan weer de kerkorde samen. Naast die charismatische ambten, die eigenlijk in onze zin geen ambten zijn, staan de zogenaamde technische ambten: de opziener, de oudste en de diaken. Sohm ontkent het technisch karakter, maar laat ze organisch aansluiten bij de charismatische ambten. Hij wil van geen kerk als corpus, aan plaats en tijd gebonden, weten. De substantie der kerk is voor hem enkel Geest. De corporatieve, technische opvatting, in aansluiting aan de joodse synagoge (Vitringa)48 of het Romeinse recht (De Rossi)49 verwerpt Sohm.
De ordening der gemeente is liturgisch, zij ontstaat rondom de avondmaalstafel. Ook deze wordt charismatisch geregeerd, maar waar de Geestesgave niet plaatselijk overal is, daar komen voor apostelen, profeten, leraars de opzieners, oudsten en diakenen in de plaats. Maar hun verkiezing heeft plaats door profetie en de handoplegging dient om hun geestesgave te versterken.
Men zou kunnen zeggen dat zij zich liturgisch bewegen in de sfeer van 1 Korinthe 13: geloof, hoop en liefde, terwijl de eerste charismatische ambten liggen in 1 Korinthe 12. De bisschop is een typisch christen die past bij de eucharistie; hij is waardig daar te zijn en te regeren als er geen profeet aanwezig is. De oudsten zijn een stand van waardige christenen rondom de bisschop. De diakenen zijn helpers.
In deze gematigd-charismatische sfeer laat Sohm dan ±100 ineens met de eerste Clemensbrief uit Rome het katholicisme optreden. En daarmee zou dan het kerkrecht optreden. Het corporatieve zou als een vreemd element zich leggen om de substantie der kerk, de Geest.
Deze opvatting is bestreden o.a. door Harnack, die meent dat Sohm zich het charisma in de zin der oude kerk 'viel zu weich und sanft-anarchistisch' voorstelt.50 Hij wijst op het corporatieve in het oude christendom en zegt dat kerkrecht zo oud is als de kerk. De apostelen treden op met gezag. En de profeten blijven ook levenslang, evenals de bisschop.
Holl51 wijst erop dat charisma en traditie naast elkaar gaan en dat van het begin af e traditie zich boven het charisma verheft. Want geen charisma reikt tot de Christusverschijning, waarin Paulus de laatste deelachtig werd. En Mundle schrijft dat de paulinische gemeenten geen pneumatische democratieën zijn geweest en dat Paulus de schepper is van het katholicisme.52 De kerk is van het begin afvan boven geregeerd en niet andersom. Zo nadert het historisch onderzoek de traditie.
Wat zeggen nu de rooms-katholieke schrijvers als Batiffol die arbeiden in het kielzog van Newman? Voor hen is de kerk - wij zagen het reeds - een lichaam. Geen charismatische beweging en nog minder een eschatologische angst - geen broederschap voor onderlinge hulp en liefdesgemeenschap boven elk exclusivisme in ras, maar een lichaam vanwege godsverering, eenheid van zeden en gemeenschappelijke hoop (Tertullianus). ⚑De eenheid is primair, ze is er voor alles. Wel geestelijk, maar zichtbaar, een corpus. Anders was het als stof verwaaid. De katholieke eenheid is er. 't Apostolaat is geen charisma, want het is gegrond op het gezien hebben van Christus. Er is van tevoren een depot van geloof. 't Is een in de doop geschapen volk. Reeds in de evangeliën zijn de discipelen een corpus, geen diffuse massa. Wanneer er voor de effusie der charismata geen autoriteit had bestaan, dan zou uit de anarchie geen orde geboren zijn. Dat het katholicisme ±100 ineens zou zijn ontstaan, daarvan zegt Batiffol: quel roman. Men kan het geloven op het erewoord van een protestantse professor.53 Volgens Batiffol sluiten bisschop en presbyter veel beter bij de apostelen aan dan bij de charismata. De eenheid der kerk wordt er veel beter door verklaard.
Katholicisme is dus het leven der kerk zelf, geen verweer naar buiten. Charismatisch geloof is niet onwettig, maar dient tot illuminatie van Schrift en traditie.
De protestantse vraag naar kerkorde heeft tenslotte met die rooms-katholieke religieuze opvatting te maken. Het exegetisch-historisch onderzoek is niet onverschillig, maar de eigenlijke strijd is een godsdienstige.
De historische constructies hebben inderdaad iets van romans, zoals er ook zoveel Jezus-romans geschreven zijn. Men bouwt er geen kerk mee en ook geen kerkorde. Alleen het reformatorisch teruggaan op de Schrift bij de kerken onder het kruis is gelijkwaardig met het katholicisme en is - naar mijn overtuiging - méérwaardig. Maar wij moeten goed in gedachten houden wat Petrus Martyr zei: dat er niets moeilijker is dan (er) een kerkorde op te vestigen.54 Wij moeten de macht van de katholieke gedachte ook niet onderschatten. Als we ons de tegenstelling Geest en Orde, Geest en Corpus, laten opdringen door romantische historici, dan zijn we verloren. De belangstelling voor Newman bewijst de macht van het katholicisme genoeg. De dissertatie van Van de Pol55 is helemaal objectief gehouden: maar ze heeft de kracht van een benauwend argument. Want het is niet een exegetisch of historisch argument. Maar door de persoon van Newman een katholiek argument ad hominem, waarop slechts te antwoorden is met een argument ontleend aan het corpus van de gereformeerde kerk zelve.
Hoe kwam haar orde tot stand? Wij zagen dat het ambt bij Luther op zeldzame wijze als 't ware naar buiten wordt gedraaid. Het is niet voor de christen maar voor de Turk ingesteld. Het staat onbeschermd, alleen op grond van de letter, onder de politieke hemel en daar staat het nog, met al de gevolgen daarvan in het tegenwoordige Duitsland.
Deze liturgische vorm van kerkorde is het nog die te herkennen is in de eerste uitgave van Calvijns Institutie, waar dienaar des Woords en presbyter nog door elkaar lopen en de diaken zich alleen schuchter vertoont. Dit is ook het geval in de eerste kerkorde der vluchtelingengemeente. Maar Calvijn kan daarbij niet blijven staan. Hij is strakker op de Schrift gericht dan Luther en tevens vrijer van de letter. Daardoor kan de geestelijke vrijmaking van de ambten beter haar beslag krijgen. Calvijn maakte ze, evenals bij het Avondmaal, los uit hun transsubstantiatie en krijgt zo voor die ambten de ruimte des geloofs terug. Ze worden evenals het predikambt bij Luther wel naar buiten gericht, maar ze staan niet geïsoleerd. Ze steunen elkaar doordat ze streng onderscheiden zijn. Het zijn de vier hoektorens van het kasteel der kerk, die naar buiten vrij uitzicht bieden. Het zijn de prediking, de rechtspraak, de armenzorg en het onderwijs; vier 'departementen',56 waarmee onder bescherming der overheid gearbeid wordt voor Gods eer in de wereld.
Daardoor worden de ambten ook duidelijker onderscheiden. Wat Luther deed toen hij zei dat het predikambt er niet was voor de christenen maar voor de Turken,57 deze boerenhumor is tegelijk een scheppende daad. Zij is te vergelijken met de schepping van Eva uit de rib van Adam. Die rib wordt buiten hem gezet en is voortaan een hulpe tegenover hem (Gen. 2 : 21-23). Adam en Eva hebben hun ogen ook niet altijd op elkaar gericht. Zij gaan de hof bebouwen. Hun verhouding is niet organisch alleen, maar ook instrumenteel, op de wereld, de ere Gods gericht. Ze leven niet alleen samen. Ze geloven ook samen. En in de naam58 van hun zoon spreken ze niet hun onderlinge liefde, maar hun op God en de wereld gericht geloof uit.
Luther heeft de rib van het predikambt niet tot volle vrouw, een dappere bruid van Christus, durven uitbouwen. Toen Calvijn in zijn Straatsburger jaren deelnam aan het lutherse kerkelijke leven, kreeg hij medelijden met de positie der lutherse predikanten, zoals ze daar ongedekt van alle kanten hun werk stonden te doen. Hij vatte het vaste voornemen op en voerde dit uit met een ijzeren wil om daarin verandering te brengen. Hij institueerde de vier ambten, daarmee in volle geestelijke zin als machthebbende op de Schrift teruggaande. Vandaar het grote verschil tussen de kerkorde in de Institutie van 1536 en die van 1559. De organische opvatting der kerk is nu volledig doorbroken. Met het kerkelijk realisme heeft Calvijn afgedaan. De ambten zijn niet naar binnen en naar elkaar toe gericht; de verhouding is niet immanent zoals in de Roomse Kerk, alsof het ambt één en ondeelbaar zou zijn, bisschop met clerus, deze liturgische aanhang van de bisschop.
Dan dienen de ambten de eigen heerlijkheid der kerk en niet meer de ere Gods. Zij bekleden zich met de waardigheid, de praal en de weelde, de macht, die aan God toekomen en maken de kerk, zoals Pollanus zegt in zijn voorrede, schuldig laesae majestatis divinae.59
De ambten zijn geen organen van de kerk, maar werktuigen van God. De ruimte waarin zij werken is geen zichtbaar lichaam. Niet het leven is de categorie waaruit zij begrepen moeten worden, maar het geloof.
"Omdat God echter niet met zichtbare tegenwoordigheid onder ons woont", zegt Calvijn (Inst. IV,3, 1) "en Hij ons toch zijn wil in het openbaar met zijn mond wil verklaren, daarom hebben wij gezegd dat Hij daarbij de dienst van mensen aanwendt en die dienst is een plaatsvervangend werk, waarbij zijn recht en eer niet op die mensen wordt overgedragen, maar zó dat Hij Zelf zijn werk door hun mond verricht, zoals ook een handwerksman voor zijn werk een instrument gebruikt." "Wij moeten", zegt Calvijn, "daarvoor dankbaar zijn. En als dan een of ander mannetje uit het stof verrezen - homuncio quispiam ex pulvere emersus - in de naam van God spreekt, dan moeten wij leerzaam ons naar zijn dienaar schikken.'60 Het vitaal organisch realisme is hier helemaal weg. "Non in re sed in verbo acquiescimus", zegt Calvijn elders in de Institutie.61
De lege liturgische vorm die er na het wegdoen van de ceremoniën overbleef is verbroken. De ambten staan vrij; ze worden naar buiten gedraaid en de kerk, die ze hebben te dienen, is niet een gesloten eenheid, geen organiek lichaam, geen organisch leven, geen liturgische harmonische beweging of dans, maar het zijn de ruimten van hemel en aarde, tijd en eeuwigheid, de open wereld Gods, waarin het Koninkrijk van Christus gevestigd moet worden: de kerk onder de sterren.
Zo zien wij de dingen staan in het vierde boek van Calvijns Institutie van 1559. De samenhang is daar niet meer liturgisch maar zuiver ambtelijk. Het is een leer van de kerkelijke diensten, in zelfstandig onderling verband, de overheid incluis. En de liturgie wordt daarin als onderdeel ingevoegd voor zover de sacramenten in dit verband besproken worden. De liturgie in engere zin vindt hier geen plaats meer. In de Institutie van 1536 was het juist andersom. Daar werden tegenover Rome de ambten onder de sacramenten (de valse sacramenten, in dit geval de ordinatio) dus in liturgisch verband behandeld.62
Welk recht komt nu aan de ambten toe en wat is de grond van hun geldigheid? Luther laat die geldigheid corresponderen met een oordeel der liefde van de zijde der gemeente. Wel is er een algemeen priesterschap der gelovigen. Maar daarop bouwt Luther niet het openlijk predikambt. Dat priesterschap behoort tot de zuivere sfeer des geloofs. Hij laat de ambten daaruit niet organisch ontstaan, zodat de predikant in de Twaalf artikelen zou thuis behoren. Hij is niet zoals de bisschop een geloofsartikel, want daarmee zou hij terug moeten keren in de leer van de kerk als corpus, waarbij het christelijk geloof actueel wordt in reëel leven.
Het openlijke predikambt bestaat voor Luther door een zekere feitelijkheid die men moet laten gelden om des gewetens wil en om der liefde wil, zoals men ook met de overheid doet. Daarom kunnen ook andere zakelijke overwegingen daarbij betrokken worden. Het openlijke ambt heeft grotere waarde omdat het de werking van Gods Woord op het volksleven mogelijk maakt. Artikel 28 Augsburgse Confessie stelt het in de lijn van de uitzending der apostelen.63 Hier blijft een zekere apostolische successie over, die op gronden van goede orde wordt bijgehouden, maar die ontdaan wordt van haar sacramenteel-liturgisch-mystisch karakter.
De predikant is over de bisschop heen de opvolger van de apostelen. "Das Wordt sie sollen lassen stahn." Calvijn stelt de hele zichtbare kerk onder dit caritatis judicium het oordeel der liefde, zoals hij het noemt (Inst. IV, 1, 8). Volgens de uitverkiezing zijn er vele schapen buiten, vele wolven binnen, zegt hij met Augustinus.64 Maar omdat Hij zag dat het toch enigszins nodig was dat wij wisten wie wij voor zijn kinderen moeten houden, had Hij zich geschikt naar onze bevatting. En omdat geloofszekerheid niet nodig was, had Hij daarvoor een zeker oordeel der liefde in de plaats gesteld. Wij konden dan letten op geloof, leven en deelname aan de sacramenten. Hier blijkt nu ook waarom de reformatoren in de kerkorde nog strikter op de bijbel moesten teruggaan dan in de leer. Het oordeel des geloofs beweegt zich naar God toe; het oordeel der liefde gaat uit naar de naaste; het beweegt zich van God af. De geschiedenis van Rome bewijst dat. Ze toont ons een verdringing van het geloof door de liefde, een vermenselijken van het Koninkrijk, een verzakelijking van het woord.
De oren waren dik geworden. De kerk was vet geworden. Pas de fides caritate formata gold voor echt.65
Wil men van het katholicisme af, dan moet men zeer radicaal zijn ten opzichte van het judicium caritatis. Het geloof rekent met Gods kracht, de liefde als beginsel van katholiciteit rekent met de zwakheid van de naaste. De protestant wil voor God terug door geloofsoordeel: Gods judicium forense.66
Maar toch behoudt Luther het oordeel der liefde en Calvijn bouwt er zijn kerkorde op. Luther heeft er weliswaar nauwelijks ambten op durven bouwen. Maar Calvijn zet ze alle vier op de rij. En daarom komen wij protestanten niet af van de vraag naar het katholicisme. Wij kunnen onze ambten niet bespreken zonder de oude kerk er in te betrekken. De gereformeerde religie is katholicisme dat van de paus op Petrus teruggaat.
Bij Luther en Calvijn is het caritatis judicium het mindere ten opzichte van het oordeel des geloofs. Het laat het ambt niet zwellen door het leven van de kerk in zich te concentreren. Het laat het in magere zakelijkheid als een feit, een instelling Gods gelden, terwijl het ambt zelf door het oordeel der liefde zich niet volzuigt van het leven der kerk, maar onder Gods hemel, onder het sterrendak der kerk, in het geloof zijn functie vervult.
Wanneer de Reformatie, althans de gereformeerde, op de bijbel teruggaat, dan komen er weer de drie of vier ambten te voorschijn, die de katholieke kerk ook steeds gekend heeft: de bisschop (nu predikant), de doctor, de presbyter (nu ouderling), de diaken. Iets geheel nieuws is dat niet. Deze ambten hadden een ontwikkeling von vijftien eeuwen achter zich en de Reformatie is een zeer ingrijpende hervorming geweest van wat er in de katholieke kerk uit gegroeid was. De hervorming van de ceremoniën is zo mogelijk nog ingrijpender dan die van de leer. Maar het blijft een hervorming. Men kan vragen ofze ook te radicaal is geweest. Men kan in elk geval de ontwikkeling van de vijftien eeuwen, die van de bijbel afgaat, vergelijken met de reformatorische daad die op de bijbel teruggaat. We kunnen vergelijken de ambten die onder het kruis vandaan gaan met die welke weer naar het kruis toevluchten. Dit hebben wij gewonnen wanneer wij het beroep op de bijbel in de oude gereformeerde kerkorden in ernst nemen. Trouwens wie het beroep in die oudste kerkorden leest, zal er niet licht toe komen die ernst te betwijfelen.
Kerkorde: de leer van de vier ambten.
We hebben ons dus bezig te houden met de vier ambten: bisschop, doctor, oudste, diaken. Wij hebben de vraag te overwegen, van welke aard de eenheid is die deze ambten verbindt. In hoeverre ze moeten gezien worden als openbaring van de substantie der kerk als Geest. En in hoeverre ze organen van een corpus, een levend lichaam zijn. En als ze organen van een lichaam zijn, dan moeten wij vragen of dit een geestelijk lichaam is, zodat Christus het Hoofd is die werkt door Woord en Geest. Of een sacramenteel lichaam, waardoor een genadestroom gaat, zodat de ambten organen zijn in de liturgie, met name van de eucharistie. Wij moeten eindelijk vragen of deze ambten uitsluitend of bijna uitsluitend betekenis hebben voor het lichaam, de kerk zelf- of dat ze ingesteld zijn voor het Koninkrijk, maw. of de christelijke kerk met haar ambten op de wereld is ingesteld.
Het eerste wat onze aandacht vraagt is dat de profeten in de kerkelijke historie terugtreden. Ze worden al spoedig door de vaste ambten verdrongen. De Roomse Kerk stelt leer en bestuur voorop. Deze behoren, zegt Karl Adam in zijn Wezen van het Catholicisme, tot het wezen der kerk; profeten en talen niet. Want er is, zegt Van den Eynde, geen successie van profeten, wel van leraars67 (vgl. Adam, p. 64). Pinksteren gaf de apostelen algemeenheid en afgeronde eenheid.68 De Geest verdiepte de natuurlijke werking van de apostelprediking tot doorleefde bevinding. En op deze incorporerende, levendmakende werking des Geestes wordt meer nadruk gelegd dan op de incidentele werking van de Geest in de profetie. Leren en regeren, verdiept tot sacramenteel leven en bevinding is dus de substantie der kerk. Het priesterlijke staat in het middelpunt. Het profetische en ook min of meer het herderlijke (Augustinus) wordt teruggedrongen.69
Het is merkwaardig dat dit bij Calvijn evenzo is. Calvijn noemt Inst., IV, 3, 4 apostelen, profeten, evangelisten, pastores en doctores en voegt er dan kortweg bij dat de beide laatste alleen gewone ambten zijn; de andere dienden alleen in het begin. Profeten, zegt hij, bestaan er nu niet meer of zijn minder in 't oog vallend.70 In de eerste uitgave van de Institutie vinden wij een dergelijke 'Abfertigung' nog niet. Daar staan ze met de apostelen als voorbeelden van de goddelijke verkondiging.71 De geschiedenis heeft zich hier herhaald. De Reformatie reageerde op de wederdopers, zoals de oude kerk op het montanisme. Te Londen en Embden vindt men Calvijns oorspronkelijke opvatting nog terug en wordt de profetie gehalveerd, laat mij mogen zeggen: tot schriftuitlegging door leken in het gemeentelijk leven geoefend. Het zijn de oefenaars die de gereformeerde kerken tot op heden vergezellen.
We houden dus de vier ambten: pastores, doctores, ouderlingen en diakenen. Het zijn volgens Calvijn vier kerkelijke 'departementen'.
Eerst een woord over de doctoren.
De leraar is in de oude kerk de profeet die het charisma niet heeft (Sohm).72 Hij blijft langer dan de profeet; hij is een overgang, minder charismatisch en past beter bij de bisschop, maar hij hoort nog bij de apostolische eeuw. Hij staat in de lijn der traditie. Wij zagen dat er geen successie der profeten was. Apostolische opvolging kende men aan het eind van de tweede eeuw overal. Van den Eynde meent dat er toen ook sprake was van een successie der leraars, op de wijze van de joodse rabbi's. Papias zocht de rij af tot de apostelen toe.73
Presbyters of leraars, er is hier niet genoeg licht om positief te spreken. Misschien ontstaan daaruit de scholen van christelijke wetenschap als te Alexandrië. De plaats der doctoren, zegt Van den Eynde, is assez mal définie.74 We zullen zien dat het zo blijft. Dit kerkelijk ambt heeft de neiging in school over te gaan en dan stoot de kerk het af.
Ook modern-katholieke schrijvers zien het zo. Steunend op conservatief vasthouden aan de kerkelijke overlevering, schrijft Karl Adam, keerde de kerk zich tegen al te groot overwicht van leidende figuren, van scholen en richtingen. Zij verwierp soms het gevoelen van Origenes, Augustinus en Thomas.75
Hij beroept zich op Augustinus: Christus is het die leert. Zijn school op aarde is zijn lichaam. Het Hoofd onderwijst de ledematen (De discipline Christiana 14, 15).76 Calvijn staat in de eerste uitgave van zijn Institutie op hetzelfde standpunt. God heeft ons zijn Zóón tot doctor aangesteld.77 Over een afzonderlijk ambt wordt hier niet gesproken. De bijbelse leer wordt hier gesteld tegenover de roomse scholen. De eigenlijke ambten worden behandeld bij de 'valse sacramenten', de ordinatie. Er worden dan twee genoemd, presbyters en diakenen met een onderscheiding in de presbyters. 't Is hier alles nog verweer tegen Rome. In de vierde editie schijnt Calvijn een vaste plaats aan de doctoren toe te schrijven. Maar een duidelijke positie hebben ze niet. Het gaat te ver om van vier kerkelijke ambten te spreken. Men kan ook hier zeggen dat depositie van de dortor'est assez mal définie'. In Inst. IV, 3, 4 blijven van de apostolische ambten de pastor en de doctor over. In IV, 3, 8 blijven uit een andere reeks de ouderling en de diaken over. Maar in IV, 4, 1 spreekt Calvijn van triplices ministros, de doctoren zijn dan een met de pastores. In IV, 3, 5 wordt hij duidelijk van de pastor onderscheiden: hij staat tot de profeten als de pastor tot de apostelen. De doctor moet de Schrift uitleggen. Hij dreigt in de kerk met de profeten, die Calvijn naar huis toezendt,78 saam te vallen of een plaats buiten de kerk te krijgen in de scholen. In de kerk blijft zijn plaats assez mal définie. In de Ordonnances eeclésiastiques in 1541 onderscheidt Calvijn vier ambten; het tweede is de doctor. Hun ambt is de gelovigen te onderwijzen in de heilige godgeleerdheid, opdat de zuiverheid van het Evangelie niet teloor ga, dus tegen de ketterij.79
Maar zoals de zaken nu staan, zegt Calvijn, verstaan wij eronder de helpers die moeten zorgen dat de kerk niet zonderpredikanten komt te zitten; dus om een meer begrijpelijk woord te gebruiken - voegt hij er leuk aan toe - de scholen. Dichter bij het ministerie en de regering der kerk, aldus Calvijn, staat hun plicht om over Oud en Nieuw Testament te lezen. Maar dan moeten de jongelui eerst de talen kennen en daarom moeten er colleges ingericht voor het predikambt en het burgerlijk gouvernement.
Daar hebben we de school in optima forma, de academie. De profeetdoctor is de schoolkant opgegaan bij de gereformeerden. De profetische helft, de schriftverklaring, ook door leken, blijft nog even in Londen en Wezel zich handhaven, maar verkommert in het oefenaarschap.
Met de doctor weet de synode te Wezel nog geen raad. Men heeft er zijn halffiroer de profeet, maar wat een verschil.80 De oudere kerkorden, bijv. de Christelijke Ordinantiën van Micron in Londen, hebben een doctor niet, evenmin als de Institutie van 1536. De synode van Embden heeft maar drie ambten. De profeten zijn verdwenen. De synode van Dordrecht 1575 spreekt evenmin over doctoren; wel is er een artikel over de scholen, tot de dienst der kerken en politiën.
In 1576 wordt de universiteit te Leiden gesticht. In hetzelfde jaar laten de staten van Holland en Zeeland in overleg met de prins van Oranje een kerkorde81 opstellen die nooit is ingevoerd en pas later het licht zag. Daarin schrijft men: "Nu de bisschoppen weg zijn moeten de overheden de kerk weer regeren als Constantijn. Tweeërlei overheid in een staat gaat niet." "De regering heeft in de plaats der doctoresprofessoren der theologie in de nieuwe universiteit Leiden gesteld en zal zorgen dat zij de heilige Schrift zuiver uitleggen en geleerde en waardige herders formeren" (Art. 36). Daar zijn dus de doctoren. Zij moeten volgens de synode van Middelburg 1581 en Den Haag 1586 de geloofsbelijdenis ondertekenen.
Nochtans komen in de kerkorden de doctoren niet voor. In die van Dordrecht 1578 evenmin; wel de scholen. Maar te Middelburg staan ze in de rij van vieren (1581, 1586, 1591); te Dordrecht ook (1618/1619). ⚑De synoden hebben er prijs op gesteld, het kerkelijk karakter van de school te handhaven. Dit is uitgelopen op 1816, toen de Commissaris-generaal van Willem I aan de classis Amsterdam te verstaan gaf dat "de handhaving der leer" (in art. 11) "niet te verstaan was als te zitten als rechter over leergeschillen, maar als het besturen en bevorderen van zulke instellingen, waardoor de bewaring der christelijke leer wordt gewaarborgd". 82Dus: de theologische faculteiten. Ik heb college gelopen bij Oort, Kuenen, Van Maanen, Tiele,83 Gunning. Pastor, doctor, welk een kerkelijk probleem ontrolt zich hier voor ons. Kerk - school. 't Is een vraag van departementen, niet in de kerk maar in 't mensenleven.
Ieder weet wat deze ontwikkeling in het begrip doctor of leraar sedert de oudste kerk (Paulus, het onderzoek van Papias bij de presbyters)84 te betekenen heeft gehad. Het heeft geen zin om dit ambt kerkelijk te installeren.
Wij moeten nu nog twee ambten bespreken: het predikambt en dat van de ouderling. De diaken kunnen we daar laten, omdat over hem weinig verschil is bij de kerkorde. Alleen blijkt hoe taai is wat Newman het standhouden in het type (preservation) noemt.85 Soms kwam dit ambt nog voor als in de eerste christengemeenschap in Europa en Philippi: de diaken naast de predikant voor geestelijke en stoffelijke hulp beide in de gemeente. Zo was het hier en daar in onze kerk vóór 1816, o.a. in Laren.86
De onderscheiding tussen lerende en regerende oudste is ons allen zeer bekend uit de bevestigingsformulieren. Het was de verhouding van bisschoppen en presbyters in de allereerste tijd. Sohm noemt het een 'schwierige Frage'.87 En Lietzmann noemt de vraag 'überaus schwierig'. De vragen die zich daarbij voordoen kan men heel beknopt en duidelijk bij Brouwer behandeld vinden.88 Men is het erover eens dat zich vooral in verband met de viering der eucharistie vaste ambten hebben gevormd, drie, niet vier, in getal (Van den Eynde). Over de oorsprong en de motieven is veel verschil. Lietzmann vermoedt dat de profeten overal zijn opgetreden waar Joodse invloed gold (overlevering en bestuur). Dat Paulus bisschoppen en diakenen instelde,89 maar dat daarnaast de charismatische ambten bestonden. Toen de charismatische ambten wegvielen, werd in deze gemeenten de naam presbyter spoedig overgenomen. Trouwens ook bij de Reformatie is de diaken soms geestelijken dan de presbyter. Sohm had dit verschil ontkend. 't Ambt was in alle gemeenten gelijk. Hij meent dat deze ambten een praktisch-christelijke strekking hebben. 't Waren gaven van de daad tegenover gaven van de leer. De presbyters waren een stand van asceten, martelaars, bewezen christenen. Uit hen werd de bisschop gekozen. Daarbij was de bisschop dan weer meer de lerende, de presbyter de man van de overlevering, de catechiseermeester. 't Was echter geen ambt maar een werk.
Intussen blijven deze twee de gemeente 'vertonen'. 't Is eucharistisch werk.
Het is een leren in de vorm van het gebed, het is een administratie van de liefdegaven. De presbyter is geen ambt, maar een plaats: hij zit aan de avondmaalstafel met de bisschop, zoals de martelaren op de ereplaats zaten. De eer, hun waardig gekeurd, was concreet: een deel in de liefdegaven. Zo vormden ze samen een senaat van God (Ignatius).90 Wat is de predikant nu? Is het een vereenvoudigd munus triplex uit de oude kerk? Is het de instrumentering van de avondmaalstafel? Of is het voortzetting van apostolaat, prediking, leer en opvoeding? In de grond is de oude kerk ook niet enkel liturgische ze is ook zendingskerk, vooral in het westen. Wat overweegt bij de Reformatie? Het woord, de prediking. Bij Luther is de kerk mystiek lichaam, maar om de eenvoudigen, de niet-christenen, het jonge volk, moet er Doop, woord en Avondmaal zijn, dus ook kerkorde.
Calvijn heeft in Straatsburg de ellende van de lutherse predikanten gezien. Institutie 1536 is nog liturgisch, maar daarna gaat Calvijn nadruk leggen op de ambten. De pastor is de opvolger der apostelen.
Hij slaat de bisschop over.
Hij moet prediken, dopen en Avondmaal vieren. Hij is verre van een bisschop, geen liturgische figuur, het priesterlijke staat niet op de voorgrond: een homuncio quispiam (Inst. IV, 3, 1).
Voetius geeft deze definitie: de pastor kan zo beschreven worden dat hij is een dienaar van Christus, door de kerk geroepen om het volk dat hem is toevertrouwd door bepaalde middelen te weiden tot zaligheid.91 De middelen zijn: gebeden, het woord, de sacramenten, de tucht, het voorbeeld. De prediking is voor Voetius de voornaamste plicht, niet het sacrament.
Want:1. geloof is uit het gehoor, 2. Paulus stelt preken boven dopen, 3. zij heten verbi divini ministri, 4. de apostelen wilden het preken voor de tafelen niet nalaten, 5. preken is moeilijker.
Men doet beter hem geen prediker te noemen, al spreken de Papisten ook van Woorden-dienaar.
Het ambt is ondeelbaar, ook al heeft hij helpers in de ouderlingen voor de tucht en in de doctores voor de Schrift. Over de doctores is verschil of dat hetzelfde is als pastores. De pastor mag tegelijk aan de scholen onderwijzen. Hier hebben wij dus duidelijk het publieke herderlijke ambt, met het aangezicht naar buiten op de wereld gericht. Oves pascant, lupos interficiant.92 Hij zal niet vet worden van de schapen als de bisschop. Calvijn wilde de ziel een lichaam geven, de anima nervos. Zo kwam hij tot de vondst van het ouderlingenambt.
En dan nu tenslotte de ouderling, de typisch Nederlandse benaming van oudste. De gereformeerde kerkorde is een presbyteriale orde. Zij kent de figuur van lerende en regerende oudste.
Van de oude kerk af zit er het type van de preservatio in.
1 - Ignatius typeert de bisschop als de man van de genade, de oudste als de man van de wet.93 Ze moeten er beide zijn en ze vullen elkaar aan. ⚑Batiffol noemt de oudste een "pouvoir d'ordre".94 Dat is in zekere zin altijd gebleven. Het kan zowel op leer als regeer slaan.
2. Ignatius vergelijkt ze met de apostelen, waarbij de bisschop Jezus voorstelt.95 Zo 'vertonen' ze - zegt ons formulier nog - de hele gemeente.
3. Mede-ambtelijk worden ze met de Levieten vergeleken (Clemens, Didachè)96 en ook dat vinden we nog in ons formulier.
4. Ignatius kent drie ambten, zoals wij nu ook. Hij spreekt van de presbyters als een senaat Gods, wat ons formulier nog noemt een 'raad der kerk'. Hier hebben wij bij elkaar de mystische trekken van de oude presbyter. In de Roomse Kerk zijn ze in de clerus opgegaan. In de lutherse kerk hebben ze geen rol gespeeld. De Schmalkaldische Artikel zijn niet ingenomen met een ambtsbeschouwing op de manier der Levieten. Men zon ook daar wel op middelen om cultuur te scheppen voor dat stuk wereld dat braak kwam te liggen door het wegvallen van het wereldlijk regiment der bisschoppen. Vanouds had de kerk hele stukken mensenleven in armenzorg, huwelijkswetgeving, zedelijkheid, onder haar beheer. Luther zei dan ook dat de wereld de bisschop niet missen kon en Melanchton dacht eraan, het wereldlijk regiment der bisschoppen te herstellen. Men poogde te komen tot instelling van gemengde colleges van geestelijken en leken, te weten enige honesti graves et docti viri laici. Soortgelijke pogingen treffen we aan in Z.-W. Duitsland mede onder invloed van Zwingli e.a. Men zoekt 'etliche alte gestandene tapfere redliche Männer' die moeten zorgen met de geestelijkheid voor eredienst, huwelijkszaken, armen, schoolwezen, gekomen uit de raadscolleges der steden om de orde meer effectief te maken en om aan de kerk gezag te verschaffen (zo Brenz in Hall 1526). 'De stad wordt dan nog geen klooster.'
Deze 'Kirchenältesten' zijn de grondslag voor een apostolische orde. Zo kent de synode van Ziegenhain een kerkorde voor Hessen met oudsten.
In Zwitserland gaf de overheid ook zedewetten. In Bazel hadden predikanten en diakenen de tucht. Maar Oecolampadius97 zei: "De geestelijken moeten niet alle macht hebben, wij zijn dienaars, laat een gemeenteorgaan de tucht behartigen." Laat het principe van de tijd der apostelen gelden dat de kerkeraad het doet samen met vertegenwoordigers van de gemeente: uit de raad én ex plebe.
In Straatsburg sticht Bucer het 'Kirchenconvent', bestaande uit vertegenwoordigers van zeven parochies en drie verstandige mannen en één raadsheer en schout. Zij kregen zitting voor de duur van hun leven. Bucer zelf presideerde. Zij oefenden niet tucht uit, behandelden wel kerkelijke zaken. In Frankfurt stelt Capito oudsten aan om te regeren naast de dienaar en om de dienaar te vermanen.
Calvijn gaat terug op de Schrift en de oude kerk. En in de Institutie van 1536 zijn lerende en regerende presbyters een stand van gelijke rang. ⚑Londen kent wel ongeveer het onderscheid, maar de eer en de rang voor beiden is dezelfde.
Intussen heeft Calvijn de overtuiging gekregen dat een dienst des Woords zonder beschuttende en praktische orde in de wereld neergezet totaal onvoldoende is. Hij heeft de ellende van de lutherse kerk in Straatsburg leren kennen. Hij is overtuigd dat de kerk niet alleen een ziel m oet hebben in de prediking, maar ook spieren in de tucht, de armenzorg, het onderwijs.98 Dat heeft tot zijn wereldhistorische werk in Genève geleid.
In Inst. IV, 3, 8 noemt hij gubernatores e plebe, die de censura morum et discipline moeten houden una cum episcopis: een senatus conscriptus ex viris piis, gravibus et sanctis.
Zo sluit Calvijn zich bij de bestaande beweging i.c. ordening aan. Toch is dit bij hem niet gefundeerd in het algemeen priesterschap der gelovigen, maar dient verklaard te worden ivm. de volgende overwegingen:
1. De Reformatie is een reformatie van de zichtbare kerk en een teruggaan tot de eenvoud en strengheid der Schrift. Zij is een poging om de discipline van de oude kerk, die door de biechtpraktijk der Roomse Kerk tot een aanfluiting geworden was, weer te herstellen.
2. Daarnaast komt een half-politiek motief. De katholieke kerk had, zoals wij zagen, een deel van het burgerlijk leven onder haar jurisdictie. Bij het heengaan der bisschoppen dreigde verwildering. Daarom bestond behoefte aan een regeling.
3. De geestelijke stand mag niet weer tot de heerschappij der tirannen vervallen en daarom worden leken-oudsten naast hen geplaatst om de tucht te handhaven.
4. Bij alle onderscheid is er voor Calvijn een nauw verband tussen kerk en staat. Er is een geestelijke regering, onderscheiden van de burgerlijke, maar die zoveel mogelijk het gebruik van het zwaard der overheid moet beperken. Er zijn openbare en er zijn kerkelijke zonden; de laatste moeten kerkelijk worden behandeld.
Men vindt hier dus een vermenging van zuiver bijbelse, kerkelijke, burgerlijke en politieke motieven, die samen de theocratie van Calvijn uitmaken. Voorop staan de Schrift en de oude discipline. Daarop wordt gebouwd de gereformeerde katholiciteit, de open kerk met de vier ambten, naar buiten gericht op de ere Gods in de wereld, waarbij de zakelijkheid des tijds een woord meespreekt. Een katholiciteit, die de vettigheid en het verzadigde van Rome heeft verlaten en in de magerheid des geloofs instrumenteel te werk gaat. Maar toch katholiciteit, gereformeerde katholiciteit. Een wereldkerk, waartoe Jezus zijn apostelen uitzond.
Daarom: de Schrift, dan de tucht, de opbouw van het leven na de prediking; dan het presbyterie, de leken naastdegeestelijken; eneindelijkde synodes, de organisatie, de ordening van het leven onder bescherming van de overheid. ⚑Die leken en die politieken naast de geestelijken, dat is het presbyterie. Zoals een stad een senaat heeft, zo moet de kerk er ook een hebben.
Wij hebben de geboorte van onze ouderling bijgewoond. Het zijn wereldhistorische figuren. Hun ambt is de censura morum (Inst. IV, 3, 8) de jurisdictie; regenten zijn het (IV, 11, 1), correctores et censores. Ze worden nooit homuncio quispiam genoemd, maar altijd pii, graves, sancti. 't Is een 'pouvoir d'ordre' zou Batiffol zeggen. Mannen van de Wet, zoals Ignatius zegt. Welk een préservation de type bij verschil van geestelijk klimaat!
Het presbyteriaat is heel gebrekkig tot uitvoering gekomen: de wereldhistorische, gereformeerd-katholieke aanzet is niet tot volle wasdom gekomen. Het is verburgerlijkt, maar het is toch een instituut geworden van grote betekenis voor West-Europa.
Het rechterlijke en ook administratieve bleef de ouderling nog lang vergezellen. De kerkeraden waren gerechtshoven voor zaken die niet onder de overheid vielen.
Het Convent van Wezel bepaalde,99 dat men bij het verkiezen van ouderlingen niet zeer moest letten op dingen 'gehorende eigenlijk tot de Dienst des Woords'. Het was zeer dienstig dat zij enige kennis hadden van burgerlijke zaken. Zij moesten de eerste en tweede tafel handhaven (wat ook de overheid deed). Censuur over de leer ging eigenlijk de dienaren aan; handel en wandel gaat ook de ouderlingen aan. De ouderlingen uit deze vroege, oorspronkelijke, calvinistische periode hebben een uitgesproken lekenkarakter. 't Zijn concurrenten van de stadsraad, notabelen. De Reformatie grijpt diep in het mensenleven. Het blijft toch een kerkelijk 'departement'. 'Assembler le peuple et rapporter les scandales au consistoire',100 zeggen de Frans-Waalse kerkorden.
De profeten en diakenen hebben een geestelijken karakter dan de ouderlingen. 'Zoals de zaken nu staan',101 dit zakelijk argument heeft voor Calvijn ook gegolden bij dit 'departement'102 van discipline evenals bij het departement van de scholen. Maar zoals de leraar een synoniem van de herder is geworden, zo werd de ouderling in menig opzicht een schaduw van de predikant.
Voetius heeft een definitie van de ouderling overgeschreven uit een Hongaarse kerkorde, die ongeveer tweehonderd woorden telt.103 Maar in Hongarije waren geen ouderlingen. De woorden waren uit alle Europese kerkorden verzameld.
De oude kerkorde van Embden is zeer sober. Over plichten van ambtsdragers wordt bijna niet gerept. We komen in de derde fase, het synodaalwezen dat zich vooral in Frankrijk heeft ontwikkeld. De afvaardiging gaat zich ontwikkelen naast het ambtelijke. Wij kennen de ouderling vooral uit het bevestigingsformulier.104 Daarin ontmoet men een opvatting die ten dele sterk afwijkt van het beeld dat ons de oude gereformeerde kerkorden geven. Wij vinden daar de bestuurlijk-bijbelse en liturgische trekken naar voren komen. Allereerst de tweeërlei presbyters uit 1 Tim. en Calvijns Institutie van 1536. Dan de oudtestamentische typologie van de Leviet uit Clemens en Didachè. Verder de mystieke corpustheorie (Ignatius) van Jezus en de apostelen in het 'vertonen van de hele gemeente'. Verder de senaat Gods en de raad der kerk. Dat behoort alles tot de standvastigheid van type. Maar dan zijn er een paar trekken, die, omdat ze nieuw zijn, de aandacht trekken. Het is de passus dat de ouderling moet toezien dat
1. er geen tirannie van de predikant uitbreekt
2. er geen wolven in de schaapskooi van Christus inbreken.
In de oudste kerkorden vindt men dat niet. De predikant zag toe op de ouderling, de ouderling op de predikant; er was onderlinge censuur. Pas de kerkelijke wetten van Holland en Zeeland in 1576 wensen ouderlingen uit de magistraat gekozen, die over de misdragingen der predikanten hun gevoelen zullen zeggen.
Juist omtrent dezelfde tijd (1575) schrijft een synode van Rotterdam aan de overheid dat de ouderlingen toezicht hebben op de predikanten. In de latere kerkorden wordt naast datgene wat de ouderling met de predikant gemeen heeft ook meestal nog genoemd dat hij toezicht heeft op de predikant en de diaken, of zij hun ambt getrouw bedienen. Dit is wederkerig toezicht.
Vanwaar die apotheose van het ouderlingschap in het formulier als tegenstander van tirannie en weerder van wolven, daartoe bevestigd door de tiran - en wolf - in spé zèlf? Ik heb dit steeds wat vreemd gevonden.
Wanneer men nu vergelijkt het formulier van Londen (1554) en de Christelijke Ordinantiën, dan ziet men dat daar de ouderlingen vermaand worden om met de dienaren des woords de wolven van de kudde der gemeente te weren (oves pascant, lupos interficiant).105 En de predikant wordt bij zijn bevestiging vermaand, de tirannie des duivels en des antichrists, dat is Rome, naarstelijk te weren. Hier zijn de leeuw en de wolf niet de bevestigen, maar ze zijn buiten!
Hoe komt die omzetting van de formule waarvan niemand weet wie het vervaardigde ±1586? Ik vermoed dat hier concurrentie was met de politieke heren. De kerk wilde goed duidelijk maken dat de kerk haar eigen dienaren onder toezicht had. De opvatting vän de ouderling uit het formulier heeft zich voortgezet. Die uit de historie en de kerkorde is een oudere. Bij gebrek aan wereldhistorisch werk heeft de presbyter de neiging gekregen, opzichter van de predikant te worden in plaats van helper. Voetius legt dit vast in zijn Politica Ecclesiastica, Bavinck in zijn Dogmatiek.106
Ik geloof niet dat dit de wereldhistorische bestemming was van de gereformeerde ouderling. Wij hebben bij de oude lijn weer aan te knopen. ⚑Dat zijn vragen die pas weer aan de orde kunnen komen als de vreemde organisatie waaronder wij leven ophoudt te duren. Als de kerk weer mag werken aan de inrichting van haar Departementen.