40. De kerk als zendingsprobleem1
Nu ik hier ga spreken over kerk en zending wil ik beginnen met iets meer persoonlijks, want ik sta hier op enigszins andere voet achter de lessenaar dan meestal. Ik ben door deze vergadering2 of door haar bestuur niet uitgenodigd. Ik ben om zo te zeggen hier gestuurd door Oegstgeest. Daarom stel ik er prijs op te zeggen dat ik mijn bezwaren had. In de eerste plaats ben ik geen zendingsman in engere zin. Dwz. dat ik op dat gebied mij niet meer heb bewogen dan de doorsneepredikant. Dus vroeg ik mij af of ik, nu er een stoot gegeven moest worden voor breder zendingsleven, deze spreektbeurt we; zou mogen aanvaarden. Met het oog daarop en niet minder wegens drukke werkzaamheden meende ik het niet te moeten doen. Toen de vraag echter ten tweeden male tot mij kwam, nu bij dringend schrijven van dr Kraemer,3 ben ik gezwicht en zo sta ik nu hier.
Dat zou niet gebeurd zijn als de zendingsvraag, zoals die de laatste maanden door dr. Kraemer hier te lande met kracht naar voren wordt gebracht, niet sedert lang mijn bijzondere belangstelling had. Het is deze tweeëenheid van kerk en zending die ook ik zou willen bespreken. Daarbij denk ik nu meer bepaald aan de kerk zoals die zich aan ons voordoet van de zending uit gezien. Dr. kraemer heeft er in zijn voordrachten de nadruk op gelegd dat men de zending heel dikwijls beschouwt als iets bijkomstigs, iets dat men doen maar ook laten kan. Als een buitenissigheid, een stukje romantiek in het eentonige kerkelijke leven. Een spelletje dat men zich als gezeten christenmens en beschaafd Europeaan van tijd tot tijd veroorlooft. Inderdaad, de kerk kan spelen met de zending en ze doet dat vaak. Zij doet dan aan zending, zoals men aan dingen doet die men ook laten kan. Iemand doet aan voetballen, schaken, roken of hij doet er niet aan. Maar ik kan niet doen aan ademhalen, omdat ik het niet laten kan. Zo kan het op geestelijk en kerkelijk gebied ook zijn. Mijnheer doet er niet aan, roept de meid soms op de trap in de stad als iemand de dominee bij het huisbezoek niet wil ontvangen. De Sowjetrepubliek doet niet aan godsdienst. Maar van het geloof zelf laat zich dat toch eigenlijk niet zeggen. Evenmin als we kunnen zeggen dat we al of niet aan ademhalen doen, kunnen we ook zeggen dat we aan geloven doen. We kunnen niet zeggen: hier is de mens, waar is zijn geloof? We kunnen het beter omkeren en zeggen: hier is geloof, waar is de mens? En dan antwoorden: hij is geborgen in Jezus Christus. En als het geloof er niet is? Dan is de mens er niet, er is alleen een hoopje zonde en ellende.
Zo is het nu ook met kerk en zending. Laat mij het daarom mogen niet spreken over de zending als kerkelijk probleem, maar over de kerk als zendingsprobleem. Zoals de nieuwe mens, de mens Gods, in het geloof ontstaat, zo krijgt de kerk alleen gestalte in de zending. Zij kan niet aan zending gaan doen, want zij is uit zending geboren: uit de zending van Christus op aarde verticaal en uit de zending der apostelen horizontaal. Zodra de zending ophoudt staat de kerk stil en ze kan in deze wereld niet stilstaan zonder op te houden kerk te zijn. Want zij is geroepen uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht, zij is geroepen om Christus tegemoet te gaan. Zij is zelf zendingsprobleem: een verschijning die haar vormen ontleent aan de handeling der zending. En alle kerkelijke kwesties zijn onoplosbaar zolang men ze niet uit zendingsoogpunt beziet.
Op die kerkvormen zal ik nu niet ingaan, maar wel wil ik er hier op wijzen dat iedere kerkelijke kwestie hopeloos vastzit als ze niet missionair behandeld wordt. Wanneer bijv. het terrein der prediking een tuimelplaats wordt van wetenschappelijke meningen, dan ontstaat er een kerkelijke kwestie. Deze kwestie kan niet eerder worden opgelost voor de kerk zelf zich haar zendingskarakter weer bewust wordt. Voor ze zich herinnert dat ze geen school is maar een kerk. Dat ze uit zending geboren is en in zending voortbestaat. Dat haar leer apostolisch is, een getuigenis van mensen die een boodschap hebben meegekregen. Wij behoeven daarbij op het ongeleerde van de apostelen geen bijzondere nadruk te leggen. Maar toch zegt het ons wat dat een visser en een tentenmaker het Evangelie naar Rome hebben gebracht. De prediking is niet uit de wetenschap voortgekomen. Petrus en Paulus zijn er door Jezus de wereld mee ingezonden. Zij zijn boodschappers. Een preek kan dus nooit een eigen vinding zijn. Haar inhoud moet overgeleverd zijn en de prediker heeft zich van een opdracht te kwijten.
Bij iemand als John Mott4 neemt dit bode-zijn soms een heel simplistische vorm aan. Ik heb hem in 1910 over zijn werk in China horen vertellen, alsof het inderdaad alleen gold een bericht over te brengen. Nu weet ik wel dat een Amerikaan de dingen graag vereenvoudigt; John Mott is in dit opzicht een echte Yankee. Bij Stanley Jones,5 als hij z'n Indische mensen om de ronde tafel verzamelt, lijkt het er meer op alsof hij de boodschap vergeten is en men ze samen weer moet bedenken. Maar in wezen maakt dat geen verschil. Stanley Jones denkt er niet aan een Evangelie te vinden.
Hij is zich evengoed als Mott van zijn opdracht bewust.
Het kerkelijk vraagstuk is dus een zendingsprobleem. Hoe kan de kerk haar zendingskarakter bewaren? Hoe kan ze vermijden een academisch dispuut te worden, waarbij de wetenschappelijke methode de apostolische manier van overtuigen vervangt? Maar daarmee hebben wij de vraag juist zo toegespitst dat we haar nauwelijks durven stellen. Als er dan een boodschap overgebracht moet worden, kennen we die dan nog wel en zijn er mensen die er naar willen luisteren? Als de mensen niet luisteren willen, komt dat dan misschien daarvan dat we de boodschap niet goed meer weten? Schijnt het ons misschien maar zo toe? Of is het andersom en ligt het in de aard van de prediking dat ze niet geloofd wordt?
Hoe we deze vragen ook beantwoorden, in beide gevallen zijn we er weer opmerkzaam op geworden dat de kerk uit zending geboren wordt. Het moet zo zijn dat we aan de mensen van onze tijd iets te zeggen hebben dat ons op de tong brandt. Iets waarvan we overtuigd zijn dat ze het moeten horen omdat ze anders verloren gaan. We moeten rondom ons en aan onszelf die behoefte waarnemen. De wereld en het leven moeten ons zo voorkomen dat het geen uitstel kan lijden. Zo heeft Paulus het gevoeld toen hij schreef: wee mij als ik het Evangelie niet verkondig (1 Kor. 9 : 16). En de oudtestamentische profeet: de ijver van uw huis heeft mij verslonden (Ps. 69 : 10). Datzelfde was er in David Livingstone6 wat Stanley7 deed zeggen: een ding zou ik willen weten van Livingstone: waarom deze man nooit zegt: het is genoeg. En nu denk ik nog eens aan Paulus, die, als hij plannen maakt om naar Rome te komen, aan die gemeente schrijft dat hij dan nog niet aan het eind van de wereld is, maar ook nog naar Spanje moet (Rom. 15 : 24, 28). Waarom zegt ook deze boodschapper nooit: het is genoeg? Er is maar één antwoord mogelijk: er is tijding van God gekomen dat als deze boodschap niet gepredikt en niet geloofd wordt het oordeel voor de deur staat. De prediking moet absoluut zijn.
We kunnen niet zeggen dat de laatste voorwaarde thans niet vervuld wordt. De wereld ziet er wel naar uit dat ze een Evangelie nodig heeft. Het zwerk boven onze hoofden is wel nooit zo donker geweest als nu. Ook als we lichtpunten zien, als we menen dat licht uit duister moet geboren worden, ook als we naar rustiger tijden niet terugverlangen, dan kan ons optimisme toch nooit een andere grond hebben dan deze, dat God zijn Woord op aarde zendt.
De behoefte aan zending is er wel. De wereld is ellendig genoeg gesteld om te mogen verwachten dat een boodschap van goddelijk heil, als ze door een waarlijk apostolische kerk gepredikt werd, oren zou vinden om te horen. Als ik het zó mag zeggen: er is genoeg geloofsmogelijkheid in de wereld. Zelfs een toestand als in Rusland doet daaraan niets af. Want hoe en de houding van de Sowjetrepubliek tegenover de kerken ook moge zien, die bewijst alleen maar dat de geestelijke nood en de behoefte aan het Evangelie geen dingen zijn die aan de oppervlakte liggen. De kerk kan, zo lijkt het, wél verdwijnen. De arme van geest voor wie het Koninkrijk der hemelen is (Mt. 5 : 3), heeft geen positieve kenmerken. Dan zou men, zoals de bevindelijke predikers dat doen, die kenmerken bij zijn gehoor kunnen opzoeken en ieder die ze bij zichzelf vindt zaligspreken. Zo gaat het niet. De armoede van geest is een door God in de mens gewekte leegte, waarin voor de boodschap in het Evangelie plaats is. Die leegte is niet schijnbaar, ze is ook niet stichtelijk, zelfs zeer onstichtelijk; ze is ook niet moreel, maar immoreel; ze is evenmin godsdienstig, maar ongodsdienstig. Ze is absoluut, zoals het Evangelie.
Zulk een plaats voor God is er wel in deze tijd. Ze is er in de grote steden en ook op de dorpen. Ze kan niet weggedanst worden. Dit is de leegte waarin de apostolische verkondiging weerklinken moet. Er is wel geloofsmogelijkheid.
Men zal misschien opmerken dat we aan zulke negatieve mogelijkheden, zulke leegten, niet veel hebben. Dat is ook zo. Wij kerkmensen hebben er niet veel aan. Wij zijn er bang voor. Want die onstichtelijkheid vloekt tegen de stichting die de kerk wil brengen. Deze menselijke hinder die we er van hebben is echter de eigenlijke moeilijkheid niet. Erger is het als we de leegte niet kunnen vullen. Wanneer we als kerk onze apostolische boodschap van Christuswege niet zo kunnen zeggen dat ze geloofd wordt en we tegenover deze nood vaak met de mond vol tanden staan. Heel erg is dat we de boodschap niet kunnen bedenken en het wel schijnt of we haar vergeten zijn. Dat een heel werelddeel er in betrokken is, is het ergste niet. Dat bewijst dat het een zendingsprobleem is en dat het om de kerk gaat. De kerk is totaal, oecumenisch, algemeen. Zij heeft met hele werelddelen te maken. Wij merken dat nog beter dan men het vroeger gedaan heeft. En Jezus wil juist dat het Evangelie gepredikt zal worden tot de einden der aarde (Hand. 1 : 8). De uitgebreidheid der taak is het ergste niet. Paulus wou naar Spanje. Livingstone zat in het hartje van Afrika. Franciscus Xaverius8 kwam eeuwen geleden al naar China en Japan. Maar wie zal de boodschap zo zeggen dat ze geloofd wordt? Als we die vraag stellen, dan Moet ons de hulpeloosheid van de kerk tegenover de geestelijke armoede der wereld wel sterk opvallen. De kerk wordt zichzelf tot probleem, als ze let op haar roeping om de boodschap te brengen. De kerk is zendingsprobleem. Hoe meer ze dat voelt, hoe meer ze kerk is.
Wanneer we nu vragen of de kerk de boodschap dan niet kent, moeten we onderscheiden. Wie zou durven ontkennen dat het Evangelie gepredikt wordt. Maar gebeurt dat zó dat het als boodschap van God openbaar wordt en de grote leegte en armoede die er tegenover staan tot geloof worden? Groeit het Evangelie met de nood der wereld? Heeft God geen Heilige Geest meer genoeg om een kerk op aarde te vergaderen, te bewaren, te beschermen en te behoeden? Kan de kerk haar geluid niet uitzetten zodat het gehoord wordt op de straten en niet alleen hier en daar binnen vier muren? Hier ligt een verzoeking en wij komen in conflict met bijbelwoorden van grote doordringende kracht. Eerst een woord van een oude profeet, dat luidt: Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch zijn stem op de straat laten horen. Waarom niet? Het antwoord luidt: Ik heb mijn Geest op hem gegeven (Jes. 42 : 2 en 1). De Heilige Geest komt hier voor als een stille sprake in de wereld. Zulke woorden manen ons tot voorzichtigheid. Maar de rust die ze geven moet toch een werkzame rust blijven. De apostelen hebben het ook wel geweten en toch zijn ze de wereld ingetrokken. Paulus in het bijzonder heeft alles gedaan wat hij kon om het oor van de oude wereld te krijgen. En wij mogen niet zeggen dat hij voor dovemans oren heeft gesproken.
Wanneer we elkaar dan vragen hoe de apostelen het oor der wereld hebben gekregen, dan moeten we in de eerste plaats wijzen op de troost die ze hebben gebracht. De engelen zijn daarmee begonnen op de Olijfberg om de apostelen zelf te troosten. Jezus zou wederkomen (Hand. 1 : 11). En met deze oproep, Gods Zoon uit de hemelen te verwachten (Fil. 3 : 20), is de kerk, die Paulus' brieven las, vergaderd. Het staat ook in de Twaalf artikelen. Alleen de komst van Christus kan helpen in de nood der wereld. De zending zal in aardse beloften, in cultuurperspectieven niet met de wereld mogen gaan concurreren. Op die wijze mag ze niet trachten de aandacht te trekken. Zij heeft de laatste en enige troost te bieden in leven en in sterven.
Maar daarbij wordt ook nog iets anders openbaar. Onder en door de troost des Geestes is ontstaan wat wij de christenheid zouden kunnen noemen: de christenheid, dat is de wereld voor zover de gaven des Geestes daarin een plaats krijgen, die de onderpanden zijn van de hemelse erfenis.9⌫ Ook daarop mag de zending wijzen. Wij mogen de mensen de situatie der wereld voor ogen stellen en wijzen op de plaats die de christenheid daarin inneemt. We mogen de grote daden Gods verkondigen (1 Petr. 2 : 9) die hij gedaan heeft van geslacht tot geslacht. Wij kunnen de geschiedenis van het Godsrijk nagaan, zoals Augustinus dat deed in zijn beroemd werk van die naam. Wij durven dat alles niet wegdenken en huiveren bij de gedachte dat er een wereld zou komen die de drieëenheid van de burgerlijke stand, de beurs en het leger zou gaan huldigen.
Toch moeten wij bekennen dat onze moed om op deze dingen te wijzen er niet groter op geworden is. De secundaire functie der zending is verzwakt. Wij zien duidelijker de grote armoede, waarin Gods genadegaven, wanneer ze bezit van mensen geworden zijn, moeten voorzien en het schijnt ons toe alsof ze daarvoor niet voldoende waren. De christenheid krimpt bijeen, geografisch en geestelijk en we durven bijna nog alleen van de primaire functie der zending spreken, het wijzen op de wederkomst van Jezus Christus.
De grote leegte achter de kerk, de zondige chaos vertoont zich voor ons en de kerk vraagt zich verlegen af of ze het Evangelie vergeten is, dan wel of de mensen het niet meer willen horen. En de halfheid is nog veel groter dan wij weten, want er staat nog veel in kerk en staat overeind dat vermolmd is. En er is veel meer ongeloof, ook in de harten van ons, kerkleden, dan wij ons zelf durven bekennen. De kerk is in veel groter mate zendingsprobleem dan wij het zelf nog kunnen zien. Maar bestaan en toekomst hangen helemaal hiervan af of zij zich het Evangelie herinneren kan, dat alleen in staat is de harten met vrede te vullen. En dat hangt weer af van de vraag of God nog Heilige Geest over heeft. En dat hangt weer daarvan af of Christus nog aan zijn rechterhand zit. Ik zeg niet hiervan of wij geloven dat Hij er zit, maar hiervan of Hij er zit. Wie dat gelooft is getroost en hij bidt: kom Here Jezus (Openb. v. Joh. 22 : 20). En wanneer God wil dat deze wereld voortbestaat en er een mensheid voortbestaat die die naam verdient, dan zal Hij zijn kerk en gelovigen onderpanden geven van hun hemelse erfenis.10 Hij zal hun christenheid en Geest schenken en er zal zending op aarde zijn, oproep voor de Koning voor wie alle knie zich zal buigen (Fil.2 : 10).
Deze dingen zijn geen stichtelijkheden, maar ze zijn massief. Het zijn geloofsartikelen die midden in de wereld staan en toch niet van deze wereld zijn. Ze zijn geestelijk en toch tast men ze bijna met de handen. Want dat het heden ten dage weer gaat als bij de schepping na de zesde dag, om onze menselijkheid, dat kunnen we alle dagen in de krant lezen. Men denke aan wat dr. Grondijs11 te Utrecht en elders pas uit Spanje heeft meegedeeld ten opzichte van de nihilistische aard van het Spaanse anarchisme,12 dat het goede en schone haat omdát het goed en schoon is. En waar men iemand, als men hem ter dood wil brengen niet dadelijk vermoordt, maar hem eerst spaart om hem gelegenheid te geven enkele edele karaktertrekken te tonen, om hem daarna niet dood te schieten maar te knuppelen, met het sadistisch genoegen, iets edels en goeds kapot te slaan. Om onze menselijkheid gaat het en daarmee om onze christelijkheid. Niet een christelijkheid in stichtelijke zin. Maar in reële zin: of de mens Jezus Christus nog zit aan de rechterhand des Vaders en of Hij nog aan zending doet. Deze vraag is absurd. Wij doen niet aan zending alsof we het ook laten konden. Hoeveel te meer geldt dit van Christus. Hij is de zending Zelf. Hij gaat uit van de Vader.
Daarmee is de spanning die er in de zending zit uitgemeten. De leegte is zo groot dat we er niet meer aan durven denken en er niet naar durven kijken. We leven maar zowat voort en spelen op de rand van een afgrond. We wonen op een vulkaan. Onze menselijkheid staat op het spel en we zien dat ze hangt aan onze christelijkheid of liever aan Christus. Niet wij en de grote leegte en armoede, maar Christus en de grote nood staan tegen elkaar over. En wat tussen die beiden is heet zending en de verschijning der zending heet kerk.
Daarom is de zending geen liefhebberij van enkele kringen, maar ieder wordt er toe opgeroepen. Het is een apostolisch, een kosmisch, wereldwijd werk. Ook dat karakter der zending wordt hoe langer hoe duidelijker. Het gaat bij de zending om de laatste dingen, om het einde, om de bestaansmogelijkheden. Het gaat er niet om - ofschoon ook dat belangrijk is - of een enkele neger de godsdienst van het blanke ras zal aannemen, zodat wij onze zendingsgave bij voorkeur in een knikkend negertje moeten werpen; dat is misleidend. De zaak is of wij mensen zullen blijven of liever: worden. De leegte is daarvoor geen hinderpaal. Ook wanneer de sfeer, waarop de prediking gericht wordt, zo leeg wordt dat we van nihilisme spreken, dan is dat geen beletsel. En als dat nihilisme zo uitgesproken wordt, dat het een vernietiging van het goede bedoelt, dan is dat bij mensen nooit absoluut wanhopig. Is de haat tegen het goede niet schijnbaar! Het is niet zo dat het alleen maar een vijandschap tegen het half-goede zou zijn. Jezus is gekruisigd en dat zegt alles. Maar het nihilisme van mensen is negatief: het is vatbaar voor de scheppende macht van de geest. Het blijft stof in de handen van God (Gen. 2 : 7).
Zending blijft dus een mogelijkheid. Maar zij verliest haar karakter van menselijke mogelijkheid. We zien haar duidelijker als goddelijke mogelijkheid. Dat is de verklaring van uitdrukkingen als die Booth ergens gebruikt, dat men dingen als in Rusland niet te ernstig moet nemen.13 Het klinkt erg overmoedig om zo te spreken. Het heeft alleen zin als we aan een goddelijke mogelijkheid denken. Nihilisme is niet altijd een nadeel en een hindernis. God schept uit niets. En Jezus spreekt de hongerigen en dorstigen zalig (Mt. 5 : 6) en Hij spreekt het wee u! uit over de rijken (Lk. 6 : 24). De gezonden hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn (Mt.9 : 12). Dat er ook in de christelijke prediking nog wervende kracht zit in onze tijd, bewijst de Groepsbeweging.14 Ik zelf ben daar slechts heel weinig mee in aanraking gekomen, maar juist genoeg om overtuigd te raken van de wervende kracht. ⚑De doeleinden van de Groep zijn absoluut maar partieel. Zij neemt stukken uit het christelijk leven en vraagt daarvoor de hele mens. Ze is moralistisch getint. De kerk is totaal en kan nooit een zo grote geestelijke vlam maken als een groep. Maar dat neemt niet weg dat we aan een groep kunnen zien welke krachten er in de kerk schuilen. Bijeenkomsten als deze zomer te Oxford en elders hebben plaatsgehad zijn toch merkwaardige verschijnselen in deze tijd van vuur en zwaard. Er is ook nog ander vuur, aangestoken aan een hoger altaar.
Het ware te wensen dat de kerk in deze zin ruimer uitgebouwd werd. Er moest ruimte zijn voor gedeeltelijke propaganda, di e toch als christelijk door de kerk werd erkend. Anders gaat er veel zendingsaandrift verloren. Dat is nu met de gewone heidenzending reeds het geval. Deze moet tenslotte totaal zijn: ze mag niet blijven hangen in medische zending of cultuurarbeid. Dan is het geen zending in de volle zin des woords. Maar evenmin is het een overbrengen van een boodschap in de simpele zin van het woord. Het is een greep van Gods Geest naar de wereld. Daarom is zending in zekere zin deelbaar, zoals de kerk als lichaam deelbaar is in hand en voet die elkanders leden zijn (1 Kor. 12 : 27). Wel te verstaan, het moet één lichaam zijn en één Hoofd, 't welk is Christus. Eén geloof, één Heer, één doop (Ef. 4 : 4-6). Maar toch in zekere zin deelbaar. In de roomse kerk is dat beginsel ook erkend in het ordewezen. De orde jaagt een doel na, armoede, liefdadigheid, zielszorg, ziekentroost, dingen die stuk voor stuk minder totaal zijn in doelstelling dan de kerk. Het enthousiasme dat de orde kan wekken is dan ook groter dan dat van het gewone kerklid, omdat het op een bepaald punt is saamgetrokken. De orde werkt in de kerk als een brandglas en kan dus op dat bepaalde vlak meer liefde samentrekken, terwijl de kerk in haar geheel meer latente liefde, slapende krachten bevat. De orde gaat voorbij, de kerk blijft. De orde is gericht op een aards doel, innerlijk of uiterlijk. De kerk zelf blijft op Christus gericht, die zit aan Gods rechterhand. De kerk kan de absolute doelstelling van de orde nooit overnemen. Zij mag de stralen van het Evangelie niet laten divergeren. Zij moeten op het hart blijven gericht, als hemelse troost en op de wereld, als oproep tot bekering.
Maar de kerk mag wel een verscheidenheid van gaven erkennen en er gebruik van maken. Als zendingslichaam zal ze dat steeds moeten doen. Zij zal het ook moeten hebben van de charismata, de geestelijke gaven (1 Kor. 12 : 4-1l; Rom. 12 : 6-8; Ef. 4 : 7-16), en er is nu eenmaal verscheidenheid van gaven. Iedere gave brengt een zekere eenzijdigheid mee, waardoor een andere gave wat op de achtergrond schijnt te komen.
Ik geloof niet dat de zending der kerk in de wereld op dit ogenblik veel toekomst heeft als dat charismatisch karakter des geestes niet méér van toepassing wordt dan heden het geval is. Het Evangelie kan niet worden overgebracht zoals een boodschap die de knecht voor zijn baas overbrengt. Prediking is kolen vuurs op de aarde werpen (Lk. 12 : 49). Naar de charismatisch begaafden wil de wereld ook nu nog wel luisteren, denk aan John Mott, Stanley Jones, Schweitzer.15 Zendelingen kunnen geen remplaqanten zijn, zoals er vroeger bij de nationale militie waren toen de persoonlijke dienstplicht nog niet was ingevoerd. De charismatisch begaafden zullen in de zending vooraan moeten gaan staan. De kerk zal dan een zekere eenzijdigheid moeten billijken: hand en voet zijn niet gelijk. De absolute doelstelling absorbeert de energie die bij anderen voor andere doeleinden ook voor het totale overblijft. Dat geldt niet alleen voor enkele personen, maar ook voor groepen. De kerk moet aan bepaalde groepen toestaan zich zelfstandig te organiseren en bepaalde stukken van het Credo eenzijdig naar voren te brengen, bepaalde doelstellingen afzonderlijk na te jagen. Wanneer ze dit verhindert, belet ze de geestelijke vlam om uit te slaan met zulk een kracht als dat altijd, maar bijzonderlijk in onze tijd, nodig is. Zonder zulke uitslaande vuurtongen zal een wereld als waarin wij leven zich van de kerk niet veel aantrekken. Het Evangelie moet in de harten en de levens gebrand worden en dat kan alleen door de charismatisch begaafde of door een orde, waarin het charisma tijdelijk tot breder bezit van een gemeenschap wordt. Zulke personen en groepen zullen niet geheel machteloos staan tegen het nihilisme of totalitaire van onze tijd. Maar ook dan merken we weer dat we de zending niet in onze eigen hand hebben, maar dat het een zaak Gods is. Over de geestelijke gave kunnen we niet zo maar beschikken.
Wanneer wij van de kerk vragen dat zij voor de geestelijke gave ruimte zal laten en het tijdelijk verabsoluteren van een doelstelling niet in de weg zal staan, dan staat daar tegenover dat de geestelijke ijver de christelijke liefde niet uit het oog mag verliezen. De liefde is het totale in de kerk. Paulus weet zo goed dat het éne niet met het andere in strijd kan komen en wanneer dat het geval is, kiest hij voor de liefde, voor het geheel der kerk.
De charismatisch begaafde en de charismatische groep mogen hun doelstelling niet zo verabsoluteren dat zij het geheel van de belijdenis van Christus uit het oog verliezen. Die belijdenis blijft apostolisch. Zij wordt ook in haar geheel gepredikt. Vanuit het enkele charisma, de enkele geestesgave, kan men geen dogma opstellen. Met de medische zending mogen wij niet overgaan tot het opstellen van een centraal leerstuk dat aldus zou luiden: eerbied voor het leven.16 Ook in dat opzicht is de kerk zendingsprobleem. Het komt er op aan om in de zending haar belijdenis te handhaven. Deze kan alleen bestaan als belijdenis van het geheel, van Christus. En geen enkel charisma, geen enkele doelstelling mag ons verleiden om een eenzijdige belijdenis te doen. Hier grijpt de band der liefde (Ef. ⚑4 : 3; Kol. 3 : 14) in, de grote katholiciteit der kerk, het éne lichaam van Christus. Paulus dankt God dat hij meer vreemde talen spreekt dan een van de gemeenteleden te Korinthe (1 Kor. 14 : 18). Hij heeft de gave der talen in de hoogste mate. Maar hij denkt er niet aan zich daarom aan de band der gemeenschap des geloofs van de gemeente te onttrekken. Hij zet het charisma daarbij achterop (1 Kor. 14 : 19). De gave en de doelstelling die de gave medebrengt mogen eenzijdig zijn, het geloof en de hoop en de liefde zijn nooit eenzijdig. De gaven kunnen verschillen, de kerk blijft één; deze drie waarvan de liefde de meeste is (1 Kor. 13 : 13).
In dit opzicht is de kerk in de hoogste mate zendingsprobleem. De kerk kan geen zending drijven als ze niet één is in haar belijdenis. Zij is verscheurd door allerlei verabsoluteringen van afzonderlijke inzichten en doelstellingen, waardoor de waarlijk katholieke geest, de erkenning van de band der liefde is verloren gegaan. Een gerechtvaardigde eis dat er ruimte moet zijn voor verscheidenheid der gaven, ook in deze zin dat men - om te kunnen werken - tijdelijk eenzijdig mag zijn, heeft dikwijls uit het oog doen verliezen dat de gemeente uitzendt en dat zij dat doet namens Christus. De charismatisch begaafde keert telkens weer in tot de heilige bescheidenheid van de éénheid des geloofs.
En nu weet ik wel dat, als wij over deze dingen verder gaan praten, er zich allerlei verschillen openbaren. Wij kunnen het niet zelf klaarmaken. Kerk en zending zijn geen fabrikaat. Maar wij hebben ons daarbij aan twee dingen te oriënteren: aan de bijbel en aan de grote leegte, waarop het Evangelie betrokken is. En in de bijbel staan de dingen zo. Bij de apostelen en profeten, die het fundament der kerk zijn, is dit de eenheid dat Christus de hoeksteen (1 Petr. 2 : 6-8) is. Op de een of andere mystieke wijze geldt deze eis ook voor ons.
En de grote leegte waarvoor wij staan stelt dezelfde eis. De zending zelf kan ik niet in het meervoud zetten. Ik kan niet spreken van zendingen. De eis der éénheid in Christus wordt door de wereldsituatie met ontzaglijke nadruk gesteld. De zending kan alleen iets betekenen als ze op de wereld de indruk maakt van boven te komen en dat ook doet. Als de zendelingen samen een leger zijn dat naar één plan te werk gaat. Juist in het werk der zending moet uitkomen dat de kerk een eenheid is. In die zin is de kerk ook weer zendingsprobleem. Een stilstaande kerk die enkel geografisch bestaat kan zich nog de weelde veroorloven van verdeeld te zijn. Maar zodra de kerk zendingskerk is, kan dat niet meer. Bij de zending breekt het af. De praktijk bewijst dat. Zodra de gemeente zich werkelijk gaat opmaken weer kerk te zijn, dwz. in zendingstoestand te verkeren, als ze voor de grote nood der wereld iets zal betekenen, moet ze zich bezinnen op de boodschap. Met hoeveel verscheidenheid van gaven zij ook moge zijn aangedaan, zij zal de wezenlijke bouw, zoals de bijbel die aangeeft en zoals de wereld die nodig heeft, moeten vertonen. Van administratief lichaam, geografisch ingedeeld genootschap, waarin alles automatisch aangenomen wordt wat er in geboren wordt, zal de kerk weer moeten worden: een belijdende gemeenschap van gelovigen. Zo stelt de zending het kerkprobleem.
Een kenmerk van onze tijd is dat inwendige en uitwendige zending in elkaar overgaan. Statistiek is voldoende om dit te bewijzen. Wat geeft het als op Java moeizaam één voor één een enkele mohammedaan voor het christendom gewonnen wordt, als er tegelijkertijd binnen de zendende kerk duizendtallen afvallen. Ik bedoel: wat geeft dat uit een oogpunt van organisatie gezien? Reeds de zending als rekensom wijst op het verband met de inwendige zending. Maar heel deze berekening wijst op een fout. Er is geen absoluut stilstaande kerk achter de zendingsbeweging, ook al houdt die kerk tegenover iedere beweging een zekere stabiliteit. Een kerk die charismatisch zending drijft moet wassen en toenemen. Met de zending moeten de gaven en krachten in de gemeente toenemen. En zo beginnen zendingsveld en gemeente in elkaar over te gaan. Dit zou voor de kerk zelf in menig opzicht een oordeel betekenen. Zij denkt er dikwijls niet aan, voor de gemeente thuis dezelfde maatstaf aan te leggen als voor de gemeente daarginds buiten. Maar dat bedoel ik nu in de eerste plaats niet. Ik denk er nu aan dat iedere gemeente dan midden in het zendingsveld ligt. En dat niet alleen omdat enkele van haar leden onverschillig zijn geworden en weer door inwendige zending teruggewonnen zouden moeten worden. De zaak ligt veel moeilijker. De kerk staat ook op gespannen voet met de onpersoonlijke machten om haar heen: de cultuur, de staat, de wetenschap. De waan dat het christendom daarmee kon samengroeien en er in opgaan, is wreed verstoord. De kerk staat weer als kerk midden in de wereld, een ⚑apart volk, uit de wereld geroepen. Ze heeft tenslotte maar één werk te doen:de zending, Ze heeft geen cultuur, geen macht, geen wetenschap. Ze heeft een zending.
De kerk heeft tot deze drie: de staat, de wetenschap en de cultuur, wel telkens in een zekere verhouding gestaan. In 't begin heel weinig. Ze ging bijna geheel in haar zending op. Maar later werd dit anders. Sedert Constantijn leunde ze meestal min of meer op de staat. In de middeleeuwen ging ze een huwelijk aan met de Europese cultuur. En bij de Reformatie stond ze op zeer vriendschappelijke voet met de wetenschap. Dit alles is in de laatste tijd sterk veranderd. De kerk is weer op haar oorspronkelijke zending teruggeworpen en vertoont grotere gelijkenis met de kerk der eerste eeuwen. Zij leeft weer van het einde uit, van de wederkomst van Christus. Dat stelt haar voor moeilijke vragen niet alleen, maar brengt vooral zware tijden. Maar het maakt haar weer tot een echte kerk. Een verdwijnende kerk misschien, of zelfs een onzichtbare kerk. Maar toch een kerk. En daarom misschien weer juist een kerk.