39. De kerk in 19351
Mij werd de vraag voorgelegd: 'Wat betekent de kerk voor u?'Een soort gewetensvraag dus? Op de manier van een enquéte die soms onder scholieren bij het middelbaar onderwijs gehouden werd om er achter te komen, hoe weinig er van het gevraagde artikel van het Credo nog bij hen overgebleven is? Nu het in de bedoeling der redactie schijnt te liggen álle leden van het moderamen achtereenvolgens op dit stuk aan de tand te voelen, zal ik die veronderstelling althans op één punt hebben om te keren. De redactie zal graag horen hoe veel er aan kerkbesef onder ons leeft.
Toch zal ik ook zó daarop geen subjectief gekleurd antwoord geven. Allerminst nu ik de eerste ben die er over schrijven moet. Ik zou niet graag een voorbeeld geven bij het aanleggen van een staalkaart van meningen en stemmingen ten opzichte van de kerk. Ik geloof niet dat het in de bedoeling van de redactie kan liggen, in 1935 zo tegen de dertig verschillende opvattingen over dit punt uit onze vereniging in ons blad op te voeren.
Daarom zal ik mijn artikeltje liever in de toon van een gemeenschappelijke belijdenis zetten. De vraag der redactie versta ik dus niet zo: 'Wat betekent de kerk nog voor u?' maar aldus: 'Wat betekent de kerk in 1935 weer voor ons?'- En dan antwoord ik daarop niet persoonlijk, maar met de woorden van het Credo: Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk.
Allereerst wil dat zeggen dat wij geloven aan de kerk. Ook als wij haar niet zien, juist als wij haar niet zien. Het geloof is een bewijs der zaken die men niet ziet (Hebr. 1 1 : 1). In 1935 geloven wij dat weer, ook als we het vergeten waren.
Die kerk is heilig. Wij geloven haar als ze, naar de aloude beeldspraak der kerkvaders, vergeleken kan worden met de ark van Noach.2 Dan wekt ze de gedachte aan al die reine en onreine dieren. Haar heiligheid is er dan naar, maar ze is in ieder geval vol; en een kerk zien we graag vol. Dan geloven we gemakkelijk in haar.
Maar in 1935 geloven we ook weer aan de kerk, als ze vergeleken kan worden met de ark Gods uit 2 Sam. 6, als de runderen struikelen en de ark dreigt te vallen en wie haar willen vasthouden worden gedood. Als de kerk uit het midden des volks weggezet wordt vanwege haar heiligheid. Als ze leeg is en God woont alleen bij haar tussen de cherubim.3
Die kerk is algemeen. Het is een grote troost in 1935 dat te weten. Wij geloven dat er niet alleen toe behoren degenen die uitgaan met zwaarden en stokken (Mt. 26 : 55) zodat Jezus alléén blijft en de aarde vol wordt van hun gedruis, maar ook de twaalf legioenen engelen die de Vader Hem zou kunnen bijzetten (Mt. 26 : 53) - en het toch niet doet, omdat Hij er niet om bidt. - Wij belijden dat tot de kerk niet alleen behoort de sterke man, die zoekt te doden al wie van het gevoelen der anderen afwijkt; maar ook de martelaar, die zich laat doden omdat hij dat doet.
De kerk is christelijk. Ook in 1935, nu de vraag aan de orde is of ze heidens of christelijk zal zijn. Nu geloven wij weer dat zij christelijk is. Wij hadden dat wel eens vergeten. Wij lieten de kerk opgaan in het menselijke, het persoonlijke, de ethiek of de cultuur. De kerk zou tenslotte innerlijk in de mensheid en uiterlijk in de staat kunnen opgaan.4 Dat geloven wij nu niet meer. De kerk hoort bij God; bij Vader, Zoon en Heilige Geest. Zij is niet van ons.
Wat hebben wij nu aan die kerk, die op aarde zo weinig heilig, algemeen en christelijk is? Of wat hebben we aan een kerk waarin wij alleen maar geloven kunnen? Wie de vraag in 1935 stelt, heeft ook het antwoord. Paulus gaf het al: "Indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen (1 Kor. 15 : 19). Die helft der kerk, welke hier op aarde is, zal ons niet zalig maken. En toch doet ze dat, want het geloof maakt zalig. De kerk is een ruimte, alleen geschikt voor de armoedigste en kaalste handeling in ons leven, het geloven.
Daarom moeten wij de kerk laten zoals ze is. Wij mogen haar niet opsieren om met de wereld te concurreren. Wij behoeven de kerkelijke handelingen ook niet indrukwekkend te maken. Zij moeten zich conformeren aan de naaktheid van het geloof. In 1935 hebben wij genoeg aan een plekje waar het geloof niet ophoudt. - En het geloof houdt daar niet alleen niet op, maar het overwint de wereld (1 Joh. 5 : 4). In het geloof buigt de hemelse kerk zich neder tot de aardse kerk. Het goede zaad van de Zoon des Mensen valt in de akker der wereld (Mt. 13 : 37 v.). En dan mag, zoals Luther zegt, de regen en de hagel, de donder en de bliksem over de akker gaan.5⌫ De maaiers staan in de hemelse kerk al gereed en de oogst is de voleinding der wereld (Mt. 13 : 39).