O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 16. Geest en hoofdzaakInhoud18. Boekbespreking van 'Kerkopbouw' →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 99–101

17. Organisatie en waarheid1

Gaarne maak ik2 gebruik van de gelegenheid die mij geboden wordt3 om de houding van Kerkopbouw naar rechts en links toe te lichten. Ik behoef daarbij in zover niet in het verlengde van het debat4 te blijven dat ik mij in de tweede persoon tot professor Haitjema zou richten. Er zijn van die ja- en neen-posities waar men zo spoedig mogelijk weer moet trachten uit te raken. De rechterlijke macht stelt niet graag twee eden tegenover elkaar en ook in de conversatie vermijden we het als bevestiging en ontkenning al te pertinent willen worden. Ik zal dus trachten van een andere zijde het punt te benaderen waar het om gaat.

Moeilijk kan ik mij voorstellen dat er in de kringen van Kerkopbouw nog mensen zouden gevonden worden die geen eerbied hebben voor de volhardende pogingen om tot een andere organisatie der kerk te komen. De naam van Gunning, op wie wij ons beiden beroepen, staat daarvoor wel borg. Het apegapen5 van onze mensen op de classicale vergaderingen is geen voldoende vooroefening voor de geestelijke conflicten, waarin diezelfde mensen misschien binnen afzienbare tijd zullen geraken.

Ook het hoofddoel waarom het daarbij gaat: troost en leiding te geven aan de zielen door belijdenis van de waarheid, zien wij beiderzijds als een duidelijke roeping. Het is de taak der kerk, de schatten van het Evangelie door de eeuwen heen te dragen. De mogelijkheid dringt zich aan ons op dat er tijden zouden kunnen komen waarin haar roeping daarin en in niets anders zou bestaan. Tijden, waarin haar culturele arbeid geheel op de achtergrond zou raken en ze zich zou moeten bepalen tot het bewaren van wat haar is toebetrouwd. Maw.: de kerk kan weer onder het kruis komen. Met de Oosterse kerk is dit reeds bijna geheel het geval.

Wanneer we dan niets hadden te bewaren; als we, zoals prof. Haitjema het noemt,'de kostelijke historische belijdenis onzer kerk' hadden uitgeleverd aan de spraakverwarring van een groep willekeurige hervormde theologen onzer eeuw, dan zou de Roomse Kerk als hoedster van het dogma in deze landen in onze plaats treden. Dit zou de zwaarste kerkelijke zonde zijn waaraan we ons konden schuldig maken. En het is geen lichte aanklacht als men ons dit verwijt. Een klacht die ons in ieder geval ook tot hernieuwd zelfonderzoek moet brengen. Onze protestantse kerken mogen dit deel van hun taak geen ogenblik uit het oog verliezen.

Maar evenmin mogen ze vergeten dat ze dit op eigen wijze hebben te doen. Waarheid en organisatie hebben voor de protestant een andere zin dan voor de roomse. En de verhouding tussen beide is voor hem ook anders. Waarheid is voor ons nog veel dieper dan voor de roomse in de prediking ingebed. Ze is er niet alleen of ten halve om voor waar gehouden te worden, maar bovenal om gehoord en verstaan te worden. Dat is voor mij nog eens de waarde van de kostelijke historische belijdenis onzer kerk dat ze, naar roomse opvatting, ontstaan is uit de spraakverwarring van een groep willekeurige hervormde theologen der zestiende eeuw. Hoeveel dieper is ze daarmee in het leven getreden, hoeveel nader aan ons hart.

Gelijk verschil valt er voor de organisatie op te merken. Voor de roomse zijn dogma en kerkinrichting gelijkwaardige grootheden. Ze wedijveren in heiligheid. Men kan ze niet alleen onderscheiden maar haast scheiden. Ze zouden bijna onafhankelijk van elkaar kunnen bestaan. Voor ons heeft de organisatie een veel meer dienend karakter. Met name in gereformeerde landen bestaat ze, behalve om de prediking in stand te houden ook om het leven naar het Evangelie te reformeren.

Hier op deze punten kan ik mij tot bewustzijn brengen wat ik tegen Kerkherstel heb. Tal van jaren heb ik de reorganisatiebeweging van nabij gadegeslagen. Maar nog nooit is bij mijn weten de organisatie zo exclusief naar voren gebracht als dit thans tegenover Kerkopbouw door prof. Haitjema geschiedt. Bijna op roomse wijze wordt nu de kerkinrichting van het geestelijk geheel geabstraheerd en als instantie van allereerste rang naast en tegenover de waarheid geplaatst. Zodat het dilemma ontstaat: eerst organisatie en dan waarheid (Kerkherstel) of eerst waarheid en dan organisatie (Kerkopbouw).

Wij kunnen als goede protestanten deze deling niet aanvaarden. Ik vermoed ook dat ze voor Kerkherstel niet principieel bedoeld is maar tactisch. Ik meen ook gemerkt te hebben dat een paar leden van het bestuur haar niet wensen.

Als maatregel van partijbeleid verklaarbaar, is ze toch als beginsel gevaarlijk. Merkwaardig is het beeld van de Aeolusharp,6 dat prof. Haitjema voor de organisatie gebruikt, hetzelfde dat Kuyper in een van zijn werken op de leer toepast.7 Men kan dan organisatie of waarheid in het kerkelijk venster zetten en wachten tot de Geest door de snaren ruist. In beide gevallen speur ik roomse zuurdesem.

Kerkopbouw ziet allebei, organisatie en waarheid, minder in het licht van eigen heiligheid dan wel in verband met prediking en gewetensleiding. Als dat niet gebeurt krijgen wij een verkeerde genealogie. Dan wordt het: Dordt gewon Assen.8 Dan blaast er wind en geen Geest door de snaren. Bij onze bespreking met de vrijzinnigen9 hebben wij ons aan die regel gehouden. De waarheid en de kerk zijn er om de mensen en niet andersom. We hebben niets uitgeleverd,10 maar we hebben overgeleverd wat we ontvangen hebben en daarvoor aanknoping gevonden. We hebben ook niets aan de belijdenis veranderd, maar we hebben samen iets van de christelijke waarheid beleden en daarmee de richting aangewezen waarin de besprekingen konden worden voortgezet. We hebben dat met een goed geweten gedaan en er geen spijt van gehad. Waarom zou de Geest van God niet evengoed en liever willen blazen in zulk een bespreking als in een holle, geabstraheerde organisatie van eigen heiligheid? De Heilige Geest, schreef Gunning eens, wilde wel met menselijk feilen samenwonen.11

De aard van zulk een overeenstemming is niet principieel te noemen maar evenmin tactisch. We behoeven tussen deze beide niet te kiezen. Ze wil geestelijk zijn. Ze is historisch en wil tot een beslissing leiden. Ze heeft haar tijd en ure.

Eindnoten

  1. 1

    KO. 1 (t 0.7.1931) nr. 8 = A WCC. 7 (10.7.1931) nr. 37. Het blad KO., orgaan van de Vereniging Kerkopbouw, is in feite tweemaal gestart (heeft dus ook twee eerste jaargangen). De eerste keer begon het als onderdeel van A WCC. op het derde blad van de omslag en wel op 24.4.1931. In deze vorm verscheen het onder de naam Kerkopbouw, Berichten en Mededelingen der Vereniging'Kerkopbouw', van 24.4.1931-22.4.1932 (nrs. 1-29) als tweewekelijks tijdschrift, onder redactie van m.n. ds. J. G. W. Goedhard. In mei 1932, jg. 1, nr. 1, verscheen het zelfstandig onder de naam Kerkopbouw, Orgaan van de Vereniging 'Kerkopbouw', als maandblad, onder redactie van dr. J. F. Beerens. De elfde jaargang nr. 1 (mei 1942) is het laatste nummer. Toen eindigde het blad abrupt. Uit de datering blijke of wij de eerste jaargang bedoelen dan wel de tweede 'eerste'.↩

  2. 2

    In dit artikel zien wij N. van meet af de brugfunctie innemen in het geding KO.-KHe. In de titel van het artikel komen de beide prioriteiten naar voren: KHe. wil éérst reorganisatie; KO. wil eerst onderlinge toetsing met het oog op gemeenschappelijke geloofsvisie.↩

  3. 3

    Te weten door de voorzitter van Kerkopbouw prof. dr. A. M. Brouwer, die midden in een polemiek met de voorzitter van Kerkherstel schreef (KO. 26.6.193t): "Daar u met instemming ds. Noordmans en prof. Kohnstamm noemt, wil ik gaarne aan deze heren overlaten onze houding tegenover KHe. nog eens duidelijk te maken." N. antwoordt met dit artikel, Kohnstamm met een zestal artikelen, getiteld Kerk-herbouw, in KO. 10.7.- 18.9.1931. Uit de keuze van de titel dezer artikelen valt de poging van de schrijver af te lezen om KO. en KHe. te brengen tot wederzijdse verstandhouding, zo mogelijk eendracht. Zie n. 15.4.↩

  4. 4

    Voor de herleving van het aloude debat over reorganisatie en leertucht zie n. 14. l; 14.3, punten 1, 2, 3. De ontmoetingen te Bilthoven (KO-vrijzinnigen en KO.-KHe.) hadden partijen niet dichter bijeengebracht (zie n. 1 5.4; t 5.5). Vooral Haitjema schreef sterk polemisch in NKL. 1 (mei 1931) nr. 9, rubriek Correspondentie. Volgens hem zou een materiële verklaring van belijdend karakter in de trant van 'Christus als de gezondene des Vaders' verloochening geweest zijn van het uitgangspunt van KHe. "Het moderamen KO. wilde ons bewegen zulk een gemeenschappelijke verklaring, die de geloofsbelijdenis raken zou, voor onze rekening te nemen", schreef H., als iets dat "onder ons vastgesteld" was. Die kant mocht het niet uit. "De kostelijke historische belijdenis onzer kerk mocht op geen enkele wijze uitgeleverd worden aan de spraakverwarring van een groep willekeurige hervormde theologen onzer eeuw. De belijdeniskwestie kan en mag naar onze overtuiging alleen aan de orde komen na de reorganisatie dwz. inde kerkelijke weg." Men was niet als kérk bijeen. "Niet zonder verbijstering heb ik de mannen van KO. in Bilthoven de stelling keer op keer horen verdedigen, dat wij een ernstig man, die in oprechtheid zegt een Christusbelijder te willen zijn, op zijn woord hebben te geloven en concluderen moeten dat hi een Christusbeli der is, zonder dat er nader mag worden gevraagd wat hij met Christus en met de belijdenis van Christus bedoelt. Onder de meer christocentrische geloofsvertolkingen van de laatste tijd kan schuilen en schuilt ook (ik zeg niet: schuilt steeds) een zeer geraffineerde poging om de historische grondslag van het christelijk openbaringsgeloof weg te ruimen. De tegenstelling medisch-juridisch gaat niet op ter kenschetsing van het verschil tussen KO.'en KHe. . . . De lijn Da Costa Gunning is op ons Verbond tot Kerkherstel uitlopende, veel meer dan in het werkprogram van KO., waarvan de hoofdlijnen zijn getrokken door een godsdienstwetenschappelijk gefundeerde 'oecumenische' theologie, welke de ontwikkeling van prof. Gunning van zijn inaugurele rede te Leiden (d.i.: De wijsbegeerte vandegodsdienstuithet beginsel van het geloofden Gemeente, Utrecht 1889-red.) af, overdwars kruist." H. acht samensmelting der twee verenigingen vooralsnog geheel onmogelijk. Zelfs samenwerking lijkt uiterst bezwaarlijk. Tot slot stelt H.: "a. De reorganisatie is niet een doel in zichzelf, maar inderdaad ter oplossing van al die vragen, die KO. zo terecht aan de orde stelt." (H. bedoelt de vijftien punten van het Werkprogram.) "b. Bij KO. is meer inzicht nodig in het verstikkend karakter der organisatie als een geestelijk, niet alleen reglementair probleem: opdat onze kerkinrichting weer als een Aeolusharp uit de Oudheid een welgestemd instrument worde, dat wij biddend gereedleggen in het open venster van ons kerkelijk leven, wachtend op de ruising van die Geest . . ." "Kapotte snaren laten voor wat ze zijn" betekent "jammerlijke dissonanten provoceren". "De kerk op aarde is organisme en instituut tegelijk". Prof. Brouwer antwoordt hierop in KO. van 29.5.1931. Hij verbaast zich over deze weergave van het Bilthoven-beraad. Geenszins was het de bedoeling KHe. over te halen tot een gemeenschappelijk belijden. Een door KO. inderdaad voorgestelde motie had alleen betrekking op de toon der discussie en op eventuele verdere samenwerking. Toen deze motie door KHe. afgewezen werd diende ds. Noordmans (nog volgens Brouwer) ter vergadering van 20-21 april een volgende motie in: "KHe. en KO., overtuigd dat onze tijd meer dan iets anders behoefte heeft aan zuivere Christus-prediking en dat daarom de aandacht meer dan tevoren gericht moet zijn op kerkorganisatie en betere normering van de prediking, gelovend dat Gods geest bezig is de harten voor beslister belijdenis van Christus toe te bereiden, wensen dat werk Gods te eerbiedigen en daarom niet te haasten, maar besprekingen in deze richting voort te zetten." Ook deze motie werd door KHe. afgewezen. Volgens G.S.S. (d.i. G.S. Stokmans - red.) (KO. 1 (29.5.1931) nr. 5) heeft N. nog uitdrukkelijk vooropgesteld "dat hij bij de mogelijkheid van samenwerking uitsluitend rekening wil houden met hen die één incarnatie van de Logos belijden en dat het drama van de vleeswording in de geschiedenis ons steeds uit de twijfel in de geloofshouding brengt." - Wat is er nu 'vastgesteld'? vraagt Br. geïrriteerd. Voorts begrijpt hij van prof. H. evenmin dat hij enerzijds de verkeerde orde als oorzaak van ziekte noemt en tevens verklaart, dat de kerk nog ziek is en veranderen moet om die orde voor een nieuwe en betere te kunnen ruilen. Wie legt dit uit? H. antwoordt op deze geprikkelde reactie van Br. aldus (NKL. 1, juni 1931, nr. 1 O): Hij kant zich tegen het eerst vaststellen van een belijdeniscenheid (Kohnstamm) met zoveel mogelijk theologen van alle richtingen (Boissevain) en daarna pas reorganisatie, hetgeen toch wel, ook blijkens de referaten, bij KO. voorzit. Maar theologen maken de kerk niet uit. De moties (zie boven) konden toch niet anders dan tegen de achtergrond van deze nagestreefde belijdenis-eenheid gezien worden. (N. gaf trouwens ook toe dat hij de motie bewust geformuleerd had in 'contact' met bet 'accoord' met de vrijzinnigen). T.a.v. de vraag wat er dan nu moet gebeuren als reorganisatie de ziekte moet aantasten en genezen en anderzijds de kerk er nog te ziek voor zou zijn, haar te verdragen, antwoordt H. dat nü de reorganisatie geprédikt moet worden. Ook KO. zou ervaren dat naarmate de kerk al die taken (de vijftien punten van het Werkprogram) aanvat, zij dit niet zal kunnen doen zonder reorganisatie, d.i. terugkeer 'tot haar normale gestalte'. Verder: deze belijdenisformule konden wij zo niet aanvaarden (in plaats van de historische belijdenis: 'Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon onze Heer': 'Christus als de gezondene des Vaders'). In een korte reactie op deze beschouwingen van H. in KO. van 26.6.31 ontkent Br. dat KO. alle richtingen aan het woord laat komen en corrigeert: "Alle richtingen, die wensen te staan op de bodem van het N.T. en te behoren tot een christelijke kerk." Zie verder noot 3.↩

  5. 5

    Zie n. 62.5: 'slome sfeer'.↩

  6. 6

    Zie citaat in noot 4.↩

  7. 7

    " ... ook gij kent de Aeolusharp, die men in het vensterkozijn legt opdat de wind er zijn hemelse akkoorden op spele ..." "Laat dan het calvinisme zulk een Aeolusharp zijn" hetgeen beduidt "dat we om het blazen van die wind des Geestes de God onzer vaderen zullen aanroepen maar ook ... om ... toe te zien, dat onze harp, zuiver in haar snaren gespannen, tegen dat de Geest weer ritselen gaat, in het venster van Gods heilig Zion gereed ligt." Slot van A. Kuyper, Het Calvinisme, zes Stone-lezingen in october 1896 te Princeton gehouden, Kampen z.j., 2e dr., p. 182 v. Bij N. geciteerd in zijn rede voor de theologische studenten van de VU. op 7.11.1935, Kritieke spanningen in de gereformeerde theologie. Vgl. G. Puchinger, Een theologie in discussie (Schilder-Noordmans), Kampen 1970, p. 47. Volgens N. staat Kuyper in dit beeld weer met 'ongedekte zijde naar Gunning gekeerd en naar Kohlbrugge; zonen van eenzelfde huis'.↩

  8. 8

    Naam van de aldaar in 1926 gehouden synode der Gereformeerde Kerken, die het gevoelen van dr. Geelkerken c.s. veroordeelden. Zie n. 22.18 (notitie Geelkerken).↩

  9. 9

    Vgl. H. Bartels, a. w., p. 43 vv. en 53 vv. Voor de latere discussie (1934) vgl. H. Bartels, a.w., p. 96-100.↩

  10. 10

    Zie noot 4.↩

  11. 11

    Vgl. Hooger dan de Kerk. Openingswoord voor den Universiteitscursus 1897-1898, Nijmegen 1897, p. 25: "Wie op de heerlijke waarheid dat de Schrift door de Heilige Geest is ingegeven, het besluit bouwt dat derhalve geen menselijke kritiek op haar geoorloofd is, die oefent ook zelf een kritiek op haar uit; alleenlijk het is een verkeerde, een die de Heilige Geest miskent als zou Hij niet met historische en andere feilen op menselijk-wetenschappelijk gebied kunnen samengaan..."- Zie ook VW., dl. 3, p. 346-353 (N. biogr.over G.)↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 16. Geest en hoofdzaakInhoud18. Boekbespreking van 'Kerkopbouw' →