17. Organisatie en waarheid1
Gaarne maak ik2 gebruik van de gelegenheid die mij geboden wordt3 om de houding van Kerkopbouw naar rechts en links toe te lichten. Ik behoef daarbij in zover niet in het verlengde van het debat4 te blijven dat ik mij in de tweede persoon tot professor Haitjema zou richten. Er zijn van die ja- en neen-posities waar men zo spoedig mogelijk weer moet trachten uit te raken. De rechterlijke macht stelt niet graag twee eden tegenover elkaar en ook in de conversatie vermijden we het als bevestiging en ontkenning al te pertinent willen worden. Ik zal dus trachten van een andere zijde het punt te benaderen waar het om gaat.
Moeilijk kan ik mij voorstellen dat er in de kringen van Kerkopbouw nog mensen zouden gevonden worden die geen eerbied hebben voor de volhardende pogingen om tot een andere organisatie der kerk te komen. De naam van Gunning, op wie wij ons beiden beroepen, staat daarvoor wel borg. Het apegapen5 van onze mensen op de classicale vergaderingen is geen voldoende vooroefening voor de geestelijke conflicten, waarin diezelfde mensen misschien binnen afzienbare tijd zullen geraken.
Ook het hoofddoel waarom het daarbij gaat: troost en leiding te geven aan de zielen door belijdenis van de waarheid, zien wij beiderzijds als een duidelijke roeping. Het is de taak der kerk, de schatten van het Evangelie door de eeuwen heen te dragen. De mogelijkheid dringt zich aan ons op dat er tijden zouden kunnen komen waarin haar roeping daarin en in niets anders zou bestaan. Tijden, waarin haar culturele arbeid geheel op de achtergrond zou raken en ze zich zou moeten bepalen tot het bewaren van wat haar is toebetrouwd. Maw.: de kerk kan weer onder het kruis komen. Met de Oosterse kerk is dit reeds bijna geheel het geval.
Wanneer we dan niets hadden te bewaren; als we, zoals prof. Haitjema het noemt,'de kostelijke historische belijdenis onzer kerk' hadden uitgeleverd aan de spraakverwarring van een groep willekeurige hervormde theologen onzer eeuw, dan zou de Roomse Kerk als hoedster van het dogma in deze landen in onze plaats treden. Dit zou de zwaarste kerkelijke zonde zijn waaraan we ons konden schuldig maken. En het is geen lichte aanklacht als men ons dit verwijt. Een klacht die ons in ieder geval ook tot hernieuwd zelfonderzoek moet brengen. Onze protestantse kerken mogen dit deel van hun taak geen ogenblik uit het oog verliezen.
Maar evenmin mogen ze vergeten dat ze dit op eigen wijze hebben te doen. Waarheid en organisatie hebben voor de protestant een andere zin dan voor de roomse. En de verhouding tussen beide is voor hem ook anders. Waarheid is voor ons nog veel dieper dan voor de roomse in de prediking ingebed. Ze is er niet alleen of ten halve om voor waar gehouden te worden, maar bovenal om gehoord en verstaan te worden. Dat is voor mij nog eens de waarde van de kostelijke historische belijdenis onzer kerk dat ze, naar roomse opvatting, ontstaan is uit de spraakverwarring van een groep willekeurige hervormde theologen der zestiende eeuw. Hoeveel dieper is ze daarmee in het leven getreden, hoeveel nader aan ons hart.
Gelijk verschil valt er voor de organisatie op te merken. Voor de roomse zijn dogma en kerkinrichting gelijkwaardige grootheden. Ze wedijveren in heiligheid. Men kan ze niet alleen onderscheiden maar haast scheiden. Ze zouden bijna onafhankelijk van elkaar kunnen bestaan. Voor ons heeft de organisatie een veel meer dienend karakter. Met name in gereformeerde landen bestaat ze, behalve om de prediking in stand te houden ook om het leven naar het Evangelie te reformeren.
Hier op deze punten kan ik mij tot bewustzijn brengen wat ik tegen Kerkherstel heb. Tal van jaren heb ik de reorganisatiebeweging van nabij gadegeslagen. Maar nog nooit is bij mijn weten de organisatie zo exclusief naar voren gebracht als dit thans tegenover Kerkopbouw door prof. Haitjema geschiedt. Bijna op roomse wijze wordt nu de kerkinrichting van het geestelijk geheel geabstraheerd en als instantie van allereerste rang naast en tegenover de waarheid geplaatst. Zodat het dilemma ontstaat: eerst organisatie en dan waarheid (Kerkherstel) of eerst waarheid en dan organisatie (Kerkopbouw).
Wij kunnen als goede protestanten deze deling niet aanvaarden. Ik vermoed ook dat ze voor Kerkherstel niet principieel bedoeld is maar tactisch. Ik meen ook gemerkt te hebben dat een paar leden van het bestuur haar niet wensen.
Als maatregel van partijbeleid verklaarbaar, is ze toch als beginsel gevaarlijk. Merkwaardig is het beeld van de Aeolusharp,6 dat prof. Haitjema voor de organisatie gebruikt, hetzelfde dat Kuyper in een van zijn werken op de leer toepast.7 Men kan dan organisatie of waarheid in het kerkelijk venster zetten en wachten tot de Geest door de snaren ruist. In beide gevallen speur ik roomse zuurdesem.
Kerkopbouw ziet allebei, organisatie en waarheid, minder in het licht van eigen heiligheid dan wel in verband met prediking en gewetensleiding. Als dat niet gebeurt krijgen wij een verkeerde genealogie. Dan wordt het: Dordt gewon Assen.8 Dan blaast er wind en geen Geest door de snaren. Bij onze bespreking met de vrijzinnigen9 hebben wij ons aan die regel gehouden. De waarheid en de kerk zijn er om de mensen en niet andersom. We hebben niets uitgeleverd,10 maar we hebben overgeleverd wat we ontvangen hebben en daarvoor aanknoping gevonden. We hebben ook niets aan de belijdenis veranderd, maar we hebben samen iets van de christelijke waarheid beleden en daarmee de richting aangewezen waarin de besprekingen konden worden voortgezet. We hebben dat met een goed geweten gedaan en er geen spijt van gehad. Waarom zou de Geest van God niet evengoed en liever willen blazen in zulk een bespreking als in een holle, geabstraheerde organisatie van eigen heiligheid? De Heilige Geest, schreef Gunning eens, wilde wel met menselijk feilen samenwonen.11
De aard van zulk een overeenstemming is niet principieel te noemen maar evenmin tactisch. We behoeven tussen deze beide niet te kiezen. Ze wil geestelijk zijn. Ze is historisch en wil tot een beslissing leiden. Ze heeft haar tijd en ure.