O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 13. Een oud synodaal rechtInhoud15. Wat wil Kerkopbouw? →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 82–84

14. Het eschatologisch karakter van kerkelijke tucht1

Professor Haitjema2 heeft in Gebondenheid en vrijheid in een belijdende kerk3 het eschatologisch4 karakter van de christelijke vrijheid betoogd. Zij heet "een gave, die hier slechts in geloof kan worden ontvangen en pas over de grens van 'de laatste dingen' in volle heerlijkheid kan worden bezeten." Daaruit trekt hij dan zijn conclusie voor de kerkelijke vrijheid.5

Daartegenover bestrijdt hij de eschatologische aard van het kerkrecht6 en derhalve van de kerkelijke tucht. Hij acht de tegenstelling tussen kerk en recht overspannen.a Dat in plaats van de wet in de staat, in de kerk het geweten komt, wordt derhalve door hem ontkend.

Zijn bezwaar tegen de ethische theologie en kerkbeschouwing komt eigenlijk hierop neer, dat zij precies het omgekeerde zou doen. Hij oordeelt dat deze ten onrechte de vrijheid als een in deze aardse bedeling gegeven goed beschouwt, met voorbijzien van haar eschatologisch karakter, waardoor dan het geweten van het individu te zeer een heilig huisje zou worden en de kerkelijke vrijheid onaantastbaar. Terwijl men dan omgekeerd op het stuk van de kerkelijke tucht alles naar het hiernamaals zou willen verschuiven.

Hier lijkt mij ten opzichte van de voorgestelde reorganisatie het allesbeheersende gezichtspunt te liggen. Men heeft goed zeggen dat reorganisatie en leertucht gescheiden kunnen en moeten worden beschouwd. Niemand doet het en niemand kan het. Reorganisatie is geen ding dat men doet zonder een doel. Een organisatie bedoelt de aanwezige krachten in 't gelid te stellen met het oog op een te verrichten werk. Dit doel kan voor onze kerk tweeërlei zijn. Het kan liggen in de richting van Stockholm: Leven en Werk en in die van Lausanne: Geloof en Orde.7 Ware het mogelijk beide streng te scheiden, dan zou men het eens kunnen worden over het eerste met terzijdelating van het tweede. Maar zulk een scheiding is in het aanhangige ontwerp niet aanwezig.

Dat ik de beide bekende internationale conferenties noemde, heeft een goede reden. Men voelt inderdaad vrij algemeen een zekere onrust ten opzichte van de positie van onze kerk, met het oog op de toekomst; dank zij haar organisatie. Zij is niet zo mobiel als wenselijk was. Ze draagt een harnas dat haar hindert. Velen zullen dat 't meest voelen in de richting van 'Life and Work', anderen ten opzichte van 'Faith and Order'.

De presbyteriaanse kerkinrichting8 is zeer geschikt - ik meen dat het de laatste weken reeds is opgemerkt in dit blad9 - als arbeidsorganisatie. Ze is het veel minder als werkapparaat voor geloof en orde. Op dat gebied gebeuren er gemakkelijk ongelukken en worden licht onherstelbare fouten gemaakt. De reorganisatiecommissie erkent dat als ze tegenover een meer anglicaanse kerkregeling geen absoluut afwijzende houding aanneemt. Een episcopaat systeem heeft voor 'geloof en orde' te beschikken over een voorraad van wijsheid, een menging van autoriteit en nederige liefde, die de presbyteriaanse vergaderingen ontbreekt.

Toch staat het ontwerp niet zo, dat het scheiding zou willen maken tussen de beide doeleinden waarvoor een organisatie nodig is. Ze ontwerpt geen twee organisaties.

Gegeven dit feit wordt alle aandacht gericht op het effect dat de reorganisatie zou sorteren voor 'geloof en orde'. En daarbij komt dan de vraag naar voren van welke aard de orde is waarvoor de geloofsgemeenschap zich organiseert. Welk karakter hebben haar beide polen: vrijheid en tucht? Is een van beide eschatologisch, de andere institutair bepaald? En welke der twee bepalingen is dan de juiste?

Wat de boven aangewezen tegenstelling tussen confessioneel en ethisch betreft, zie ik het verschil niet zo absoluut als het daar schijnt. Reeds de figuur van de evenaar, die zich als een geschikt beeld aan ons opdringt, doet dat vermoeden. Immers werd de tucht eschatologisch, dan werd de vrijheid empirisch en omgekeerd. Ging de ene arm omhoog, dan daalde de andere.

In hoever nu de ethischen de ene stand van de evenaar vertegenwoordigen en de confessionelen de andere kan ons hier niet bezighouden. Het geschil:10 De la Saussaye11 -Haitjema moet ik hier onopgelost laten. Alleen wijs ik op de labiele stand van de evenaar. De ene arm kan dalen en tegelijk rijst de andere. Er is een stand mogelijk waarbij de naald in 't huisje staat.

Gunning althans weet zeer goed van een meer eschatologisch karakter der vrijheid. En wel in een geschrift waarin hij het met nadruk verklaarde: dat hij La Saussaye zou blijven'aankleven'(1902).12 Hij oordeelt dat alleen een bandiet zijn recht aan zijn fysieke tegenwoordigheid zal willen ontlenen. Ieder13 anderzal zich willen legitimeren. Hij zal dus recht erkennen en tucht aannemen. Gunning is niet op het standpunt blijven staan dat ieder dat recht in zijn. geweten voor zich zelf uitmaakt.

Maar van welke aard is die tucht? Hier moet de confessioneel naar beneden komen en herinnerd worden aan het eschatologisch karakter van de kerkelijke tucht. Van dat karakter hebben ze geweten na 1886. Als mijn geheugen mij niet bedriegt - na 40 jaren - dan heeft Van Ronkel14 zich in zijn belangrijke artikelen in de eerste jaargangen der Gereformeerde Kerk op dat standpunt gesteld aan de hand van het Oude Testament.15 In de eschatologische jaren 1914-1918 hebben ze, blijkens de actie voor de verscherping van de proponentsformule, 16ie betrekking op het hiernamaals vergeten.

Hoedemaker heeft het steeds geweten en prof. Haitjema weet het weer. De reorganisatie-commissie17 weet het ook. Dat blijkt uit haar scheiding van organisatie en tucht. En bij Haitjema blijkt het uit zijn maning tot voorzichtigheid. Het blijkt ook uit de betekenis die hij in een geschrift - dat juist terwijl ik deze beschouwing schrijf op mijn tafel gelegd wordt - toekent aan wat ds. Th. C. Vriezen18 heeft opgemerkt, nl. dat de idee der belijdende kerk geheel en al een eschatologisch begrip is.

De geschiedenis onzer kerk na 1886 veronderstelt een beginsel. Dat beginsel is niet uitgedrukt in de organisatie van 1816. Daarover zijn wij het vrij algemeen eens. Wij ontlenen ons recht om nochtans onder deze organisatie te blijven wél aan dat beginsel. We moeten bovenal waken, dat we met de organisatie het beginsel niet wegdoen: het kind met het badwater. Als de reorganisatie een herhaling zou worden van 1886, even presbyteriaal in beide richtingen, van "life and work" en van "faith and order", slechts met het voornemen om de fouten te vermijden die de mannen van 1886 hebben gemaakt, dan is ons blijven onder de synode verloren tijd geweest. De brochure van professor Haitjema doet dit echtervrezen. Hij wijt Assen aan individualistische fouten.19

Het beginsel dat ons deed blijven onder de Haagse Synode eist een eigen uitwerking. De commissie heeft bedoeld die te geven. Ik vrees dat zij daarin niet is geslaagd. Wij hebben het voorbeeld van de 'Gereformeerde Kerken' voor ogen. Een presbyteriale kerkvorm, buitengewoon geschikt voor een vruchtbaar en praktisch werk. Als regeling voor geloofsorde een afschrikwekkende mislukking.

Dat ligt niet enkel in de personen. Wanneer straks onze kerkelijke vergaderingen zouden zijn hersteld en als de behandeling van 'Leergeschillen en leertucht',20 zoals de commissie het liefst zou willen, aan de toekomstige synode der nieuwe orde werd overgelaten, zou naar ik vrees het eschatologisch karakter der kerkelijke tucht niet veilig zijn gesteld.

Alleen een dubbele organisatie21 of een kerkregeling van een voor ons land nieuw type zou hier redding kunnen brengen.

Voetnoten

  1. a

    P. 26.↩

Eindnoten

  1. 1

    AWCC. 5 (3.1.1930) nr. 10. De publikatie viel dus precies vóór de synodezitting van 7-10 januari 1930, waarin de reorganisatievoorstellen van de 'commissie van vijf' aan de orde kwamen. Met tien tegen negen stemmen was deze cie. (zie noot 17) door de synode van 1927, op verzoek van de Confessionele Vereniging, ingesteld met de opdracht een kerkregering te ontwerpen "waarbij ten volle gerekend wordt met de ambten der Kerk en waardoor de ware eenheid bevorderd wordt en onze Kerk weder een belijdende Kerk zij in het midden van ons volk". De voorstellen werden door de synode van 1929 verwezen naar een buitengewone synodevergadering op bovengenoemde datum. Deze verwierp ze met tien tegen negen stemmen (zie n. 1.13). Dit leidde tot de oprichting van het Nederlands Verbond tot Kerkherstel (KHe.) met als voorlopig bestuur: Th. L. Haitjema (voorzitter), R. B. Evenhuis (secretaris), G. P. van Itterzon, M. Jongebreur en G. Oorthuys, waarin de gehele orthodoxie van confessionelen, gereformeerde bonders, kohlbruggianen (en ethischen!) vertegenwoordigd was. Het vroeg de synode terug te komen op haar besluit en in elk geval het Grote-Synodevoorstel opnieuw te overwegen. De synode beschikte afwijzend. Het orgaan Nieuw Kerkelijk Leven (NKL.) verscheen voor het eerst september 1930 en de druk bezochte eerste vergadering werd te Utrecht belegd op 15.10.1930, waarin de eis van een 'ondubbelzinnige Christus-belijdenis onzer kerk' werd uitgesproken. In het voorlopig reglement sprak men zich uit voor een kerk in de lijn van antwoord 54 van de Heidelbergse catechismus. Vgl. H. Bartels, Tien jaren strijd om een belijdende kerk. De Nederlandse Hervormde Kerk van 1929-1939, diss. Utrecht, Den Haag 1948, p. 8-27, 34-40.↩

  2. 2

    Th. L. Haitjema (1888-1972), hervormd predikant te De Meern en Apeldoorn. Kerkelijk hoogleraar te Groningen in de dogmatiek, de vaderlandse kerkgeschiedenis en het kerkrecht.

    Hij schreef o.a. Augustinus' wetenschapsidee, diss. Utrecht, Utrecht 1917, Karl Barth, Wageningen 1926, Het Woord Gods in de moderne cultuur, Groningen 1931, De richtingen in de Nederlandse Hervormde kerk, Wageningen 1934-1953, Nederlands Hervormd Kerkrecht, Nijkerk 1951, De nieuwere geschiedenis van Neerlands Kerk der Hervorming, 's-Gravenhage 1964. Medeoprichter van Kerkherstel, vocaal der confessionele richting in de NHK.↩

  3. 3

    Th. L. Haitjema, Gebondenheid en vrijheid in een belijdende kerk, Wageningen 1929, rede gehouden op de jaarvergadering der Confessionele Vereniging van 1928. In de Inleiding attendeert H. op een uitspraak van dr. J. Lindeboom (zie n. 15.21), waaruit blijkt, dat ook bij vrijzinnigen besef van grenzen ontstaat. H. zelf wijst een zodanig hanteren van art. 11 A.R. (zie bijlage 2a) af, waardoor een reglement komt in de plaats van de belijdenis. Maar tevens verwerpt hij de mening van A. M. Brouwer, die kerkrechtelijke leertucht in strijd acht met geestelijke vrijheid.

    H.'s betoog verloopt in twaalf punten:

    1. Eerherstel van 'confessionele idealen' is nodig, want zij werden door medestanders vaak verkeerd gezien, door tegenstanders verkeerd bestreden. Zo lijdt Groens visie op handhaving van leer en tucht, bijv. als hij de 'Groningers' afwijst, door zijn onvoldoende honoreren van het genadeverbond, aan individualisme en wetticisme. Anderzijds ziet Da Costa zeer juist, dat er 'wegen naar voren open' gehouden moeten worden; en De la Saussaye dat het de zieke toestand der kerk is. die een geestelijk functioneren der tucht (nog) niet verdraagt. Het is Hoedemaker, die de juridische en medische aspecten evenwichtig verbindt, maar wie kent hem?

    2. Dit eerherstel wordt bemoeilijkt door de cultuur der Verlichting, die ook de theologische discussie verwarrend beïnvloedt, als zij het conflict oproept tussen de 'vrije, onafhankelijke mens' en een godsdienst 'in het gareel van een kerkelijke gemeenschap'.

    3. H.zal zich in deze publikatie laten leiden door Groens adagium:"Er staat geschreven, er is geschied".

    4. Wil men van Vinet uitgaan (zie stelling 8), kiest men dan voor Kant of voor Pascal, voor autonomie of dogmatische binding?

    5. Volstrekte leervrijheid is ook op het standpunt der Verlichting onmogelijk: men eindigt in mystiek of anarchisme.

    6. De verdienste der oudste 'ethische' theologie is dubbel: a. tegenover het liberalisme: weigering om de gereglementeerd-synodale kerk te aanvaarden; b. tegenover de juridisch-confessionelen: aanwijzing van de onbevoegdheid der besturen tot tuchtoefening. Men leze hierop het tijdschrift Ernst en vrede (1853-1857) eens na.

    7. Het oud-ethisch verzet blijft in dubbelzinnigheid steken; het individuele kan niet existentieel, de vrijheid niet eschatologisch gezien worden. De wortelzonde van deze theologie is: synthese. Vgl. De La Saussaye sr., Het Christendom, de verzoening van wijsbegeerte en godsdienst, Ernst en Vrede 4 (1856). 8. Ethischen en modernen kunnen niet verder komen dan een belijdeniskerk in de trant van Vinet (belijdenis als akkoord van kerkelijke gemeenschap). Het gaat om méér. 9. De belijdende kerk heeft als kerk des Woords haar boodschap zuiver te houden. De geloofsbelijdenis is kandelaar voor het licht van het gepredikte woord. Leertucht is het aangewezen middel tot zuiver houden en beschermen van kandelaar en Evangelielicht beide. Tegenover de gelovige enkeling staat de kerk. Dit brengt mee de zigzagmethode van Calvijn: subaudienda est antithesis. Geen monistisch systeem maar paradoxale geloofswaarheid. Dat is confessioneel.

    10. Handhaving der belijdenis door de kerk in haar wettige organen is niet een daad van vrijheidsaanranding maar van mededogen met de zielen, erkenning van de macht der zonde. De vrijheid van de mens is geen uitgangspunt maar uitzicht van het geloof. De prediker drijft niet op de ingeving van de Geest, maar is gebonden aan het instituut van het Woord, met de kerk en haar belijdenis als poolgesternte. 11. Kerkrecht met als uiterst middel het leertuchtproces is nodig in een kerk, die ook instituut is en leeft in een zondige wereld.

    12. Christelijke vrijheid sluit de gebondenheid aan een kerkelijke belijdenis niet uit, maar vooronderstelt deze in heel het aardse leven. Dit alles roept om een belijdende kerk, dwz. om reorganisatie. In twee artikelen heeft G. van der Leeuw op deze brochure gereageerd, t.w. in Een belijdende kerk en in Confessioneel idealisme, AWCC. 5 (16 en 23.8.1929) nr. 42, 43.

    Volgens Van der L. deed H. de NHK. samenvallen met de Una Sancta, hetgeen moet resulteren in harde leertucht: "gooi ze er uit". "Alleen de onzichtbare kerk - niet de hervormde - kan de moeder der gelovigen zijn." Voorts: H. maakt zich te gemakkelijk vandecultuuraf. Vgl. ookh. Th. ObbinkinAWCC. 5 (11.10.1929,15.11.1929) nr. 51, 52 en 6 (17.1.1930) nr. 12. Voor de verdere discussie in dit blad zie noot 9. Vgl. voorts J. Riemens in GK. 2.11.1929.↩

  4. 4

    Vgl. a. w., p. 28 v.↩

  5. 5

    Vgl. a. w., p. 3 7.↩

  6. 6

    Vgl. a. w., p. 26.↩

  7. 7

    De beweging voor praktisch christendom (Life and Werk), handelend volgens het devies 'Leer verdeelt maar dienst verenigt', hield zich bezig met de sociale en politieke vragen in het voetspoor van de Lambethconferentie van 1920: "Wij geloven dat er geen beginselen in het geding zijn op grond waarvan alle kerken er terecht van zouden kunnen weerhouden worden op het gebied van het openbare, morele en sociale getuigen zonder uitstel te handelen alsof zij alle één lichaam vormden." Deze alsof-theorie, die in Stockholm (1925) de toon aangaf, zou bijna ook in Lausanne (conf. over Geloof en kerkorde, 1927) in het eindverslag zijn gekomen. Maar bisschop Brent, de leider van deze beweging, voorkwam dat. Men dient het eens te worden over de inhoud van het geloof.

    Samenwerking is geen eenheid. Het alsof-antwoord is ontoereikend. Het miskent dat theologische overeenstemming een noodzakelijke stimulans is voor gemeenschappelijke actie. Daarom concentreerde Lausanne zich op de vragen van het belijden en de gestalte der kerk.↩

  8. 8

    In deze tijd is er bij N. enige ambivalentie mbt. de presbyteriale orde. Hij is onder de indruk van de mogelijkheden van de bisschop (Augustinus, Anglicanen). Zijn waardering van de ouderling als kerkrechtelijke figuur nam geleidelijk toe. Vgl. de lezing Kerkorde (nr. 55); ook KDVKO. (nr. 63).↩

  9. 9

    De nummers 1 tot 10 van de 6e jg. bevatten een discussie over het kerkorde-ontwerp1929 met toespitsing op het punt van de leertucht. G. van der Leeuw opende, zie noot 3. Vervolgens W. Th. Boissevain, 6 (1.11.1929) nr. 1, J. Riemens nr. 2, H. Th. Obbink nr. 3, W. A. Hoek nr. 4, J. C. E. van Herwerden nr. 4, J. Riemens nr. 5, H. W. Creutzberg nrs. 5 en 6, A. M. Brouwer nrs. 7, 9 (27.12.1929) en 10 (6.1.1930).↩

  10. 10

    H. poogt in de genoemde brochure in zijn bestrijding toch recht te doen wedervaren aan De la Saussaye. Vgl. H. Bartels, a.w., p. 15-18. Zie ook noot 3.↩

  11. 11

    Daniël Chantepie de la Saussaye (1818-1874), Waals predikant te Leeuwarden en Leiden, hervormd predikant te Rotterdam, hoogleraar te Groningen (1872). Grondlegger ethisch-irenische theologie, leermeester van J. H. Gunning jr. Zocht naar een synthese van openbaring en cultuur in een persoonlijke relatie tot de Christus. Hij verwierp de bestaande organisatie der kerk, maar keerde zich eveneens tegen processuele leertucht. Zie n. 21.7 en VW., dl. 1, p. 75, n. 14.↩

  12. 12

    Vgl. Verlagen wij onszelve niet, Nijmegen 1902, p. 58: "Bepaaldelijk Ch. de la S. kleefde ik aan, kleef ik aan, zal ik blijven aankleven. Als goed protestant zeide hij: 'Eerst Christus, dan de kerk.' De meesten in onze kerk ... zeggen thans feitelijk: 'Eerst de kerk, dan Christus.' Zij zeggen dit feitelijk: hun woorden betuigen het tegendeel; want zij roepen: eerst Christus; de kerk is maar een vorm: jammer dat Gunning e.a. thans zo aan de vorm, de kerk hechten: vroeger was het met hen beter, maar ach! tegenwoordig wil hij confessie en banden en wij staan tegenover hem in de vrijheid. . ." Zie VW., dl. 3, p. 363.↩

  13. 13

    Vgl. Gunning,a.w., p. 42 (noot): "De aanspraak om bloot om het ruwe plompe feit dat hij er feitelijk is te gelden, maakt alleen de bandiet." Voor G., zie ook n. 17.11.↩

  14. 14

    Philippus Samuël van Ronkel (1829-1890), zoon van rabbijn, leerling van Da Costa, gedoopt, hervormd predikant o.a. te Haarlem, Amsterdam en Leiden. Medestander eerst van Kuyper, daarna van Hoedemaker. Centrale notie: het verbond. Enkele geschriften: Jesu Christi doctrina de Veteris Foederis libris quatenus ea effici potest ex ejus qui apud evangelistas inveniuntur sermonibus, diss. Utrecht 1860; Uit het jodendom tot den Christus, Amsterdam 1886. In 1888 verschenen te Leiden vier geschriften van zijn hand: Nabetrachting op de hedendaagse kerkelijke crisis voor dolerenden en niet-dolerenden; Aan de synode der NHK.; Grondwetherziening ook voor de kerk; De aanstaande classicale vergaderingen en onze roeping.↩

  15. 15

    In zijn wekelijkse overdenkingen in de twee eerste jaargangen van de Gereformeerde Kerk (1888-1890), reikend van Genesis 3 : 23 tot 2 Koningen 17 : 18, betrok Van Ronkel het kerkelijk gebeuren rondom de Doleantie. De lijnen van 'afscheiding' en 'overblijfsel' bracht hij in verband met het verkiezend handelen van die God, die in de Hervormde Kerk - na telkens beproefde, maar nooit voltooide pogingen van mensen eens Zelf door zijn Geest de grote reformatie zou teweegbrengen.↩

  16. 16

    Zie bijlage 2a. In werking getreden 1888. Nadien voorstellen tot wijziging. Bijv.: 1906 ('naar de schriften des ouden en nieuwen verbonds'); 1912 ('overeenkomstig de leer die in het 0. en N.T. en in de Twaalf artikelen begrepen is in de zin, die door de kerk onzer vaderen blijkens hun belijdenisgeschriften daaraan gehecht wordt'). Het 'Ontwerp-1929' bevatte ook een ontwerp voor een gewijzigde proponentsformule (zie bijlage 2a). De belangrijkste wijzigingen waren: a. toevoeging na 'hiertelande': 'Zoals deze uitkomen in haar belijdenisgeschriften, formulieren en liturgische geschriften'; b. toevoeging na 'verordeningen':'onverminderd het recht van beroep op Gods Woord in de kerkelijke weg in zaken, de belijdenis en de kerkorde betreffend'. Vgl. Ontwerp voor een nieuw Algemeen Reglement voor de Nederlandse Hervormde Kerk, Wageningen 19321, p. 63.↩

  17. 17

    Zie noot 1. Deze cie. bestond uit M. van Grieken, Th. L. Haitjema, J. C. S. Locher, J. Riemens en A. B. te Winkel. Zij maakte gebruik van het concept-1809 (van de hand van prof. Te Water), aanknopend bij de gereformeerde traditie, zonder voldoende aandacht voor de ambtsidee (zie n. 29.3) en het ontwerp-Slotemaker de Bruïne-Blanson Henkemans ( 1904-1905) (zie n. 32.17). De voorstellen beoogden herstel van ambt en belijdenis in gereformeerde zin en bevatten een omwe, king van het Alg. Regl., vooral met betrekking tot de belijdende achtergrond (art. 9) en de ambtelijke structuur (meerdere vergaderingen in plaats van besturen); een gewijzigde proponentsformule (zie noot 16); voorts aanvullingen en wijzigingen (zie noot 20). De overgangsbepalingen waren bedoeld voor gewenning.↩

  18. 18

    Th. C. Vriezen (1899-1981), hervormd predikant te Tubbergen en Sittard; leraar godsdienst middelbaaronderwijs te Den Haag; hoogleraar O.T. Groningen (1941) en Utrecht (1956). Schreef o.a. Hoofdlijnen van de theologie van het O.T., Wageningen 1949. Ethisch theoloog, die tot KHe. toetrad, publiceerde geregeld in NKL. en vervulde een brugfunctie in de brede discussie. Zie n. 33.1; vgl. ook NKL. 4 (april 1934) nr. 8: Gemeenschappelijk werkfront. - Haitjema vermeldt deze uitspraak van Vriezen in Reorganisatie en leertucht, Wageningen z.j., p. 22 v. V. deed die uitspraak 'in een vergadering te 's-Gravenhage', kennelijk gewijd aan het ontwerp van de cie. H. ontkent enerzijds het eschatologisch voorbehoud, waarschuwt er anderzijds tegen, de idee der belijdende kerk slechts als kritisch in plaats van als óók vormend beginsel te laten gelden. De Christus-openbaring is immers "niet alleen 'endgeschichtlich' maar ook 'urgeschichtlich'; en bij deze laatste term mag even, heel even, gedrukt worden op 'geschichtlich'." En er is de Géést!↩

  19. 19

    A.w., p. 41. Schrijver kant zich hier tegen de klakkeloze invoering van de Dordtse kerkorde. In dit verband verwijt Haitjema Assen individualistische fouten. Om die uitspraak laakt N. Haitjema, ofschoon N. zelf vermeldt dat H. oog heeft voor het eschatologisch karakter ook van de tücht. "De Asser synode scheen wel een wettige kerkvergadering naar de beginselen van het gereformeerd kerkrecht ... maar wie verwondert zich dat dit kerkrecht in zijn toepassing verkeerd functioneert, als zijn regelen gehanteerd worden in een kerkelijke samenleving, die door het meest anti-gereformeerde individualisme in zijn partij- en groepskarakter geïnfecteerd werd." Zie n. 22.18.↩

  20. 20

    In het 'Ontwerp-1929' (zie noot 16) bevond zich ook een Ontwerp van wijzigingen en aanvullingen van het synodaal reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, waaraan toegevoegd werd een nieuw hoofdstuk (6): 'Leergeschillen en leertucht'(art. 86-97). Vgl. a.w., p. 66 vv.↩

  21. 21

    Bedoeld is de apostolische verwijding der presbyteriale orde. zoals beproefd in het ontwerp-KO. (1933). Zie nrs. 30-35.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 13. Een oud synodaal rechtInhoud15. Wat wil Kerkopbouw? →