14. Het eschatologisch karakter van kerkelijke tucht1
Professor Haitjema2 heeft in Gebondenheid en vrijheid in een belijdende kerk3 het eschatologisch4 karakter van de christelijke vrijheid betoogd. Zij heet "een gave, die hier slechts in geloof kan worden ontvangen en pas over de grens van 'de laatste dingen' in volle heerlijkheid kan worden bezeten." Daaruit trekt hij dan zijn conclusie voor de kerkelijke vrijheid.5
Daartegenover bestrijdt hij de eschatologische aard van het kerkrecht6 en derhalve van de kerkelijke tucht. Hij acht de tegenstelling tussen kerk en recht overspannen.a Dat in plaats van de wet in de staat, in de kerk het geweten komt, wordt derhalve door hem ontkend.
Zijn bezwaar tegen de ethische theologie en kerkbeschouwing komt eigenlijk hierop neer, dat zij precies het omgekeerde zou doen. Hij oordeelt dat deze ten onrechte de vrijheid als een in deze aardse bedeling gegeven goed beschouwt, met voorbijzien van haar eschatologisch karakter, waardoor dan het geweten van het individu te zeer een heilig huisje zou worden en de kerkelijke vrijheid onaantastbaar. Terwijl men dan omgekeerd op het stuk van de kerkelijke tucht alles naar het hiernamaals zou willen verschuiven.
Hier lijkt mij ten opzichte van de voorgestelde reorganisatie het allesbeheersende gezichtspunt te liggen. Men heeft goed zeggen dat reorganisatie en leertucht gescheiden kunnen en moeten worden beschouwd. Niemand doet het en niemand kan het. Reorganisatie is geen ding dat men doet zonder een doel. Een organisatie bedoelt de aanwezige krachten in 't gelid te stellen met het oog op een te verrichten werk. Dit doel kan voor onze kerk tweeërlei zijn. Het kan liggen in de richting van Stockholm: Leven en Werk en in die van Lausanne: Geloof en Orde.7 Ware het mogelijk beide streng te scheiden, dan zou men het eens kunnen worden over het eerste met terzijdelating van het tweede. Maar zulk een scheiding is in het aanhangige ontwerp niet aanwezig.
Dat ik de beide bekende internationale conferenties noemde, heeft een goede reden. Men voelt inderdaad vrij algemeen een zekere onrust ten opzichte van de positie van onze kerk, met het oog op de toekomst; dank zij haar organisatie. Zij is niet zo mobiel als wenselijk was. Ze draagt een harnas dat haar hindert. Velen zullen dat 't meest voelen in de richting van 'Life and Work', anderen ten opzichte van 'Faith and Order'.
De presbyteriaanse kerkinrichting8 is zeer geschikt - ik meen dat het de laatste weken reeds is opgemerkt in dit blad9 - als arbeidsorganisatie. Ze is het veel minder als werkapparaat voor geloof en orde. Op dat gebied gebeuren er gemakkelijk ongelukken en worden licht onherstelbare fouten gemaakt. De reorganisatiecommissie erkent dat als ze tegenover een meer anglicaanse kerkregeling geen absoluut afwijzende houding aanneemt. Een episcopaat systeem heeft voor 'geloof en orde' te beschikken over een voorraad van wijsheid, een menging van autoriteit en nederige liefde, die de presbyteriaanse vergaderingen ontbreekt.
Toch staat het ontwerp niet zo, dat het scheiding zou willen maken tussen de beide doeleinden waarvoor een organisatie nodig is. Ze ontwerpt geen twee organisaties.
Gegeven dit feit wordt alle aandacht gericht op het effect dat de reorganisatie zou sorteren voor 'geloof en orde'. En daarbij komt dan de vraag naar voren van welke aard de orde is waarvoor de geloofsgemeenschap zich organiseert. Welk karakter hebben haar beide polen: vrijheid en tucht? Is een van beide eschatologisch, de andere institutair bepaald? En welke der twee bepalingen is dan de juiste?
Wat de boven aangewezen tegenstelling tussen confessioneel en ethisch betreft, zie ik het verschil niet zo absoluut als het daar schijnt. Reeds de figuur van de evenaar, die zich als een geschikt beeld aan ons opdringt, doet dat vermoeden. Immers werd de tucht eschatologisch, dan werd de vrijheid empirisch en omgekeerd. Ging de ene arm omhoog, dan daalde de andere.
In hoever nu de ethischen de ene stand van de evenaar vertegenwoordigen en de confessionelen de andere kan ons hier niet bezighouden. Het geschil:10 De la Saussaye11 -Haitjema moet ik hier onopgelost laten. Alleen wijs ik op de labiele stand van de evenaar. De ene arm kan dalen en tegelijk rijst de andere. Er is een stand mogelijk waarbij de naald in 't huisje staat.
Gunning althans weet zeer goed van een meer eschatologisch karakter der vrijheid. En wel in een geschrift waarin hij het met nadruk verklaarde: dat hij La Saussaye zou blijven'aankleven'(1902).12 Hij oordeelt dat alleen een bandiet zijn recht aan zijn fysieke tegenwoordigheid zal willen ontlenen. Ieder13 anderzal zich willen legitimeren. Hij zal dus recht erkennen en tucht aannemen. Gunning is niet op het standpunt blijven staan dat ieder dat recht in zijn. geweten voor zich zelf uitmaakt.
Maar van welke aard is die tucht? Hier moet de confessioneel naar beneden komen en herinnerd worden aan het eschatologisch karakter van de kerkelijke tucht. Van dat karakter hebben ze geweten na 1886. Als mijn geheugen mij niet bedriegt - na 40 jaren - dan heeft Van Ronkel14 zich in zijn belangrijke artikelen in de eerste jaargangen der Gereformeerde Kerk op dat standpunt gesteld aan de hand van het Oude Testament.15 In de eschatologische jaren 1914-1918 hebben ze, blijkens de actie voor de verscherping van de proponentsformule, 16ie betrekking op het hiernamaals vergeten.
Hoedemaker heeft het steeds geweten en prof. Haitjema weet het weer. De reorganisatie-commissie17 weet het ook. Dat blijkt uit haar scheiding van organisatie en tucht. En bij Haitjema blijkt het uit zijn maning tot voorzichtigheid. Het blijkt ook uit de betekenis die hij in een geschrift - dat juist terwijl ik deze beschouwing schrijf op mijn tafel gelegd wordt - toekent aan wat ds. Th. C. Vriezen18 heeft opgemerkt, nl. dat de idee der belijdende kerk geheel en al een eschatologisch begrip is.
De geschiedenis onzer kerk na 1886 veronderstelt een beginsel. Dat beginsel is niet uitgedrukt in de organisatie van 1816. Daarover zijn wij het vrij algemeen eens. Wij ontlenen ons recht om nochtans onder deze organisatie te blijven wél aan dat beginsel. We moeten bovenal waken, dat we met de organisatie het beginsel niet wegdoen: het kind met het badwater. Als de reorganisatie een herhaling zou worden van 1886, even presbyteriaal in beide richtingen, van "life and work" en van "faith and order", slechts met het voornemen om de fouten te vermijden die de mannen van 1886 hebben gemaakt, dan is ons blijven onder de synode verloren tijd geweest. De brochure van professor Haitjema doet dit echtervrezen. Hij wijt Assen aan individualistische fouten.19
Het beginsel dat ons deed blijven onder de Haagse Synode eist een eigen uitwerking. De commissie heeft bedoeld die te geven. Ik vrees dat zij daarin niet is geslaagd. Wij hebben het voorbeeld van de 'Gereformeerde Kerken' voor ogen. Een presbyteriale kerkvorm, buitengewoon geschikt voor een vruchtbaar en praktisch werk. Als regeling voor geloofsorde een afschrikwekkende mislukking.
Dat ligt niet enkel in de personen. Wanneer straks onze kerkelijke vergaderingen zouden zijn hersteld en als de behandeling van 'Leergeschillen en leertucht',20 zoals de commissie het liefst zou willen, aan de toekomstige synode der nieuwe orde werd overgelaten, zou naar ik vrees het eschatologisch karakter der kerkelijke tucht niet veilig zijn gesteld.
Alleen een dubbele organisatie21 of een kerkregeling van een voor ons land nieuw type zou hier redding kunnen brengen.